ECLI:NL:HR:2003:AK4841
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt medehuurderschap bij duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een geschil over medehuurderschap van een woning, waarbij verweerster en haar moeder sinds 1980 een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden in de woning waarvan de moeder sinds 1961 huurder was. Na het overlijden van de moeder en later de eigenaar, werd het medehuurderschap betwist door de erfgenamen.
De kantonrechter wees de vordering tot medehuurderschap af en veroordeelde tot ontruiming, maar de rechtbank vernietigde dit vonnis en stelde vast dat verweerster medehuurder was vanaf 1 maart 1998. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, waarbij zij de bewijswaardering van de rechtbank onderschreef, met name het belang van verklaringen van getuigen die daadwerkelijk in de woning waren en schriftelijk bewijs zoals adresregistraties.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, ook met het oog op de verslechterde gezondheid van de moeder. Tevens werd bevestigd dat de tegenbewijslevering door de erfgenamen onvoldoende was gemotiveerd om het reeds vastgestelde bewijs te weerleggen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de erfgenamen in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verweerster medehuurder is van de woning vanaf 1 maart 1998 vanwege een duurzame gemeenschappelijke huishouding.