ECLI:NL:HR:2006:AU9729
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Huurdersoptie en redelijkheid bij voortzetting huurovereenkomst kantoorruimte
De zaak betreft een geschil tussen huurder Delta Lloyd en opvolgend verhuurder William House over de vraag of Delta Lloyd tijdig gebruik heeft gemaakt van haar optierecht tot verlenging van de huurovereenkomst voor kantoorruimte. De huurovereenkomst gaf de huurder het recht om de huur met vijf jaar te verlengen, mits tijdig schriftelijk kenbaar gemaakt.
Delta Lloyd had bij brief van 12 maart 2002 aan de toenmalige verhuurder Victory Real Estate B.V. medegedeeld geen gebruik te maken van de optierechten en de huur te beëindigen per 1 maart 2003. Kort daarvoor was het pand overgedragen aan William House. William House stelde dat de opzegging te laat was en dat de huurovereenkomst voor 40% van de ruimte voor vijf jaar doorliep.
De rechtbank wees de vorderingen van William House af, maar het hof vernietigde dit en wees de vorderingen toe. Delta Lloyd stelde in cassatie dat zij medio 2000 al aan Victory had medegedeeld geen gebruik te zullen maken van de optierechten, maar kon dit niet concreet onderbouwen. Het hof oordeelde dat de stellingen onvoldoende feitelijk waren onderbouwd en het bewijsaanbod te vaag was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het hof had terecht geoordeeld dat de stelplicht en bewijsaanbod van Delta Lloyd niet toereikend waren en dat de wetenschap van verhuizing niet impliceerde dat de optierechten waren opgegeven. Delta Lloyd werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huurovereenkomst voor 40% van het pand na 1 maart 2003 nog vijf jaar doorloopt omdat de huurder haar optierecht niet tijdig heeft uitgeoefend.