ECLI:NL:HR:2003:AF3807
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijslast en bewijslevering bij vordering wegens seksueel misbruik van minderjarige dochter
De zaak betreft een vordering van de moeder, handelend als moeder-voogdes van haar dochter, tegen de vader wegens seksueel misbruik van de dochter toen zij nog jong was. De moeder vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank wees de vordering bij verstek toe, maar na verzet vernietigde zij het verstekvonnis en veroordeelde de vader tot betaling van een lager bedrag.
In hoger beroep verwierp het hof de grieven van de vader die onder meer stelden dat het seksueel misbruik niet bewezen was en dat de bewijslast bij de moeder lag. Het hof oordeelde dat de moeder voorshands het bewijs had geleverd en dat de vader belast was met het leveren van tegenbewijs, hetgeen hij niet slaagde.
De Hoge Raad bevestigde dat de hoofdregel van artikel 177 Rv Pro geldt, waarbij de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van feiten de bewijslast draagt. Echter kan de bewijslast worden omgekeerd indien de stellingen voorshands zijn bewezen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de vader en verklaarde hem niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen de moeder pro se. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat het bewijs van de dochter uit de strafprocedure mocht worden meegewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vader en bevestigt de bewijsopdracht en veroordeling tot schadevergoeding aan de moeder namens de dochter.