Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
geenschorsende werking bij een herhaald WSNP-verzoek,
tenzijgronden aanwezig zijn voor een uitzondering daarop (en bakt bij een herhaald WSNP-verzoek als het ware een presumptie van misbruik in). [eiser] bepleit in cassatie precies het omgekeerde:
welschorsende werking,
tenzijblijkt van misbruik. Daar is naar ik zal betogen in mijn optiek mogelijk meer voor te zeggen – maar daar kan geredelijk anders over worden gedacht. Het is een evenzeer in de praktijk naar mij voorkomt goed hanteerbare regel die voldoende waarborgen schept voor afwijzing van schorsende werking bij misbruik. Omdat de door het cassatiemiddel bepleite regel volgens mij geschikter is om maatwerk te leveren en minder categorisch voorkomt dan de door het hof verschafte “omgekeerde” regel, heeft eerstgenoemde uiteindelijk mijn voorkeur.
afwijzingvan het faillissementsverzoek in eerste aanleg ook zolang dat verzoek in hoger beroep wordt behandeld [10] . Art. 3 lid 2 Fw Pro leert dat zolang die termijn nog niet is verstreken, geen uitspraak mag worden gedaan op het faillissementsverzoek; de behandeling daarvan is dan geschorst [11] .
S/[...]) is daar weer uit afgeleid dat elk verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dat voor de faillietverklaring is ingediend leidt tot schorsing van een aanhangig faillissementsverzoek. Van Sint Truiden [19] leidt uit dit arrest af dat in een situatie waarin gelijktijdig een faillissementsaanvraag en een schuldsaneringsverzoek aanhangig zijn en de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard wordt in zijn WSNP-toelatingsverzoek en vervolgens failliet wordt verklaard, niets er dan aan in de weg staat dat de schuldenaar een tweede WSNP-verzoek doet en appel instelt tegen de faillietverklaring. De appelrechter heeft in deze situatie weliswaar de mogelijkheid op de faillissementsaanvraag te beslissen (Van Sint Truiden verwijst naar het hierna in 2.10 te bespreken arrest
X/Benfried), maar niets staat eraan in de weg dat hij, mits de vereiste spoed dat toelaat, zijn beslissing afstemt op die van de rechter in eerste aanleg betreffende het (tweede) WSNP-verzoek.
S/[...]als het in 2.9 (voetnoot 17) genoemde arrest uit 2010 wordt verwezen naar het
X/Benfried-arrest [20] . De casus uit
X/Benfriedverschilt op een springend punt met de onze. Daar werd in eerste aanleg een faillissementsverzoek (twee maanden) aangehouden om de schuldenaar gelegenheid te geven een WSNP-verzoek te doen, maar deze liet die mogelijkheid in eerste aanleg onbenut en werd failliet verklaard. In appel tegen de faillietverklaring deed de schuldenaar vervolgens wel een WSNP-toelatingsverzoek en betoogde dat dat schorsende werking had en er eerst moest worden beslist op het voor het eerst in appel gedane WSNP-verzoek. Tevergeefs: art. 3a lid 2 Fw is volgens Uw Raad niet van toepassing als voor het eerst in appel op een faillietverklaring een WSNP-verzoek wordt gedaan. De redenen daarvoor zijn dat het dan nog aannemen van schorsende werking in strijd komt met de in faillissementsprocedures geboden spoed en duidelijkheid en ook niet strookt met de strikte voorwaarden uit art. 15b Fw (rov. 3.3). Deze tweede reden is in onze zaak ook door het hof gegeven als grond voor afwijzing van schorsende werking.
al dan niet na toepassing van art. 3, sprake is van samenloop van een verzoek van een schuldeiser of een vordering van het openbaar ministerie tot faillietverklaring en van een verzoek van de schuldenaar tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. In dat geval moet eerst op laatstgenoemd verzoekschrift worden beslist.” (onderstreping A-G)
V/Bepro-arrest [39] geen sprake van rechtseenheid in de lagere rechtspraak, waarover werd gerapporteerd na een praktijkonderzoek gedaan door de teams insolventie van de rechtbank Midden-Nederland [40] . Er was sprake van twee scholen; zes rechtbanken schorsten, vier niet (en de Amsterdamse rechtbank had niet gerespondeerd). De eerste school gaf voorrang aan het zoveel mogelijk voorkomen van persoonlijke faillissementen van de vennoten, de tweede school gaf voorrang aan de behandeling van het faillissement van de VOF en ontmoedigde actief het ontstaan van samenloop met WSNP-verzoeken. Er waren twee rechtbanken die vonden dat geen sprake hoefde te zijn van schorsing bij samenloop, terwijl de vennoten ook niet meteen persoonlijk failliet hoefden te gaan. Dat is ingegeven doordat de VOF een afgescheiden vermogen kent. In
V/Beprois Uw Raad teruggekomen van vaste rechtspraak sinds 1927 door te beslissen dat een faillissement van een VOF niet steeds en noodzakelijk leidt tot het faillissement van de vennoten, hetgeen mede is gegrond op de inmiddels ingevoerde schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (rov. 3.4.4), zodat de hier bedoelde samenloopproblemen naar wil voorkomen goeddeels zijn opgelost inmiddels, in die zin dat een faillissementsverzoek met betrekking tot een VOF niet langer wordt vertraagd of geschorst door een WSNP-verzoek van een vennoot van die VOF. De in onze zaak spelende vraag of een herhaald WSNP-verzoek in beginsel wel of niet een aanhangig faillissementsverzoek schorst, lag in
V/Beproniet voor.
tenzijdat leidt tot een misbruiksituatie, in welk geval de rechter correcties mag aanbrengen. Of dat een eerste of later WSNP-verzoek betreft, staat daar in beginsel los van: ook bij een eerste verzoek kan sprake zijn van misbruik (pure vertraging van een faillissementsverzoek). Dat er een
kansis op misbruik, rechtvaardigt zodoende niet (zonder meer) dat de schuldenaar als hoofdregel een bevoegdheid wordt ontnomen.
als regel welschorsende werking aan te nemen bij een herhaald WSNP-toelatingsverzoek – zij het met misbruik-ventiel, gelet op de duidelijk voorzittende gedachte dat een schuldsaneringsregeling de voorkeur geniet boven een persoonlijk faillissement en het systeem van misbruik van recht/bevoegdheid uit ons BW. Daar weegt de geboden spoed en duidelijkheid in faillissementsprocedures voor mij onvoldoende tegen op – behoudens misbruik. Daar komt inderdaad bij, zoals onderdeel a) aangeeft, dat ook bij een eerste verzoek tot toelating hangende een faillissementsaanvraag misbruik kan voorzitten, waarbij we zagen dat de (lagere) rechter al niet schroomt waar nodig corrigerend op te treden. Bedacht moet overigens worden dat er bij zo’n toelatingsverzoek gelet op de geboden haast en de gedetailleerde formele toelatingsprocedure nogal eens iets mis gaat en er bovendien sprake kan zijn van nieuwe feiten, zodat bij een herhaald toelatingsverzoek bepaald niet altijd misbruik behoeft voor te zitten.
geensprake is, wordt overgegaan tot schorsing van de faillissementsprocedure en wordt de behandeling van het WSNP-verzoek voortgezet. Indien de behandeling van dit herhaalde WSNP-verzoek voor onnodig langdurige vertraging zorgt en de belangen van de schuldeisers hierdoor onevenredig worden geschaad, kan door de rechter op een later moment alsnog worden ingegrepen.
welsprake is van een misbruiksituatie, kan de faillissementsprocedure direct worden voortgezet, hetgeen meestal leidt tot persoonlijke faillietverklaring. In dit laatste scenario heeft de schuldenaar geen ruimte om andermaal een WSNP-verzoek in te dienen, nu de behandeling van het herhaalde WSNP-verzoek en de hervatting van de faillissementsprocedure gelijktijdig geschieden. Het risico van een eindeloos getraineerd faillissementsverzoek is daarmee geëcarteerd.