Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014 heeft vermeld als de beslissing waarbij de betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld, omdat dit vonnis in hoger beroep bij arrest van het hof Den Haag van 3 september 2015 is vernietigd.
tweede middel, dat in twee deelklachten uiteenvalt, behelst allereerst de klacht dat het hof in zijn arrest heeft volstaan met de bevestiging van het ontnemingsvonnis waarvan beroep, terwijl uit het dictum en de overwegingen van het hof niet blijkt of die bevestiging is geschied met overneming van gronden. Ten tweede bevat het middel de klacht dat het oordeel van het hof ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede in het licht van een door de verdediging in hoger beroep naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, ontoereikend is gemotiveerd.
26. Cliënt heeft sieraden en munten ingeleverd bij de juwelier. Daarvoor kreeg hij geld. Dat geld moest hij buiten direct afstaan aan de jongens voor wie hij dat deed. In ruil daarvoor kreeg hij een kleine vergoeding. Volgens cliënt heeft hij daar ongeveer 1000 euro aan overgehouden. Dat is het daadwerkelijk behaalde voordeel van cliënt. Al het andere geld was bestemd voor de andere jongens. Dat is de verklaring van cliënt en die vindt de verdediging aannemelijk.
27. Anders dan de rechtbank is de verdediging van mening dat alleen dat bedrag kan worden ontnomen. Van tevoren stond vast dat cliënt dat geld moest afstaan. Van tevoren stond vast dat hij alleen een kleine vergoeding kreeg. Dan gaat het niet om hem te plukken voor het hele bedrag. Ik verzoek om toewijzing van de vordering tot 1000 euro.”
Naar het oordeel van de rechtbank staat dit verweer, wat daar verder van zij, niet aan toewijzing van de integrale vordering in de weg. Het is immers de keuze van veroordeelde geweest om het geld aan anderen af te staan. De ontnemingsmaatregel betreft het voordeel dat door het aan de ontneming ten grondslag liggende delict is verworven; daarbij doet in beginsel niet ter zake welke bestemming dit voordeel heeft gekregen (HR 8 juli 1998, LJN ZD1199; HR 26 augustus 2003, LJN AF9695).”
derde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.