Conclusie
middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling van de leerplicht omdat de door de verdachte aangevoerde bezwaren niet de richting van het onderwijs betreffen in de zin van art. 5, aanhef en onder b, Lpw 1969.
‘’een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’’. [16] En zoals dat ook bij godsdienstvrijheid het geval is, welke vrijheid ook het
nietaanhangen van enige godsdienst of levensbeschouwing omvat, dient het ontbreken van een bepaalde richting of een richting van levensbeschouwelijke neutraliteit (zoals gebruikelijk is op openbare scholen), ook te worden opgevat als richting. [17]
i) heeft aangevoerd dat het fundamentele verschil tussen de geloofsopvatting van de verdachte en de orthodoxe richting van de joodse scholen gelegen is in het feit dat volgens de liberaal joodse opvatting [betrokkene 1] wel en volgens de richting van de joodse scholen niet joods is;
ii) heeft aangevoerd dat voornoemd fundamentele verschil ertoe leidt dat [betrokkene 1] niet wordt toegelaten tot de joodse scholen;
iii) een brief van het rabbinaat heeft overgelegd waaruit blijkt dat het rabbinaat te Amsterdam de verdachte en haar zoon niet als joods erkennen waardoor zij niet lid kunnen worden van het NIK (Nederlands Israëlisch Kerkgenootschap);
iv) in hoger beroep verzocht heeft om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om meer informatie te kunnen verstrekken aan het hof, zoals stukken van het Nederlands Israëlisch Kerkgenootschap en het rabbinaat over een eventuele aanmelding van [betrokkene 1] bij [A] , terwijl het hof dit verzoek heeft afgewezen. [32]