Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Juridisch kader
3.De bestreden uitspraak
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
15 september 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het tweede lid van artikel 8 van Pro de Leerplichtwet 1969, dat een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht uitsluit indien het kind in het voorafgaande jaar reeds op een school was ingeschreven, in strijd is met bepalingen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waaronder artikel 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst), artikel 14 (verbod op discriminatie), het Eerste Protocol (recht op onderwijs) en het Twaalfde Protocol (gelijkheidsbeginsel).
De verdachte, vader van een minderjarige, had zijn zoon eerst ingeschreven op een school, maar schreef hem later uit vanwege overwegende bezwaren tegen de richting van het onderwijs die voortvloeiden uit hun holistisch-pacifistische levensbeschouwing. Hij beriep zich op vrijstelling op grond van artikel 5 onder Pro b van de Leerplichtwet, maar het hof en de kantonrechter oordeelden dat artikel 8 lid 2 van Pro de Leerplichtwet dit beroep uitsluit in het geval het kind eerder was ingeschreven. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat deze beperking geen onrechtmatige inbreuk vormt op de genoemde EVRM-bepalingen.
De Hoge Raad benadrukt dat ouders vrij zijn om hun kinderen na schooltijd aanvullend onderwijs te geven, een andere school te kiezen of zelf een school op te richten die aansluit bij hun levensovertuiging. Ook wijst de Hoge Raad erop dat het onderscheid tussen ouders die hun overtuiging wijzigen en ouders die die van meet af aan hadden, objectief en redelijk gerechtvaardigd is. De klacht dat dit onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod faalt daarom. Het beroep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens niet-inschrijving van de minderjarige en oordeelt dat de beperking in artikel 8 lid 2 Leerplichtwet geen onrechtmatige inbreuk maakt op het EVRM.