Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
vader en moederen richten zij zich vol liefde en toewijding op de verzorging en opvoeding van [de dochter] en haar broertje [de zoon] , die op [geboortedatum] 2024 6 jaar oud wordt.
compleetingerichte beroep van mijn cliënten leidt tot vrijstelling van rechtswege van de verplichting tot inschrijving van [de dochter] (ook al volstaat in wezen, op grond van de wet, een enkele kennisgeving met de verklaring dat mijn cliënt overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs). De kennisgeving zelf dient slechts tijdig, dat wil zeggen vóór 1 juli van het betreffende jaar te zijn gedaan ( dan wel , zoals in dit geval, op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin [de dochter] de leeftijd van 5 jaar bereikte). De nadere onderbouwing - al dan niet desgevraagd - kan volgens vaste rechtspraak van na die datum dateren. Mijn cliënten verzoeken de inhoud van deze stukken als hier herhaald en ingelast te beschouwen, zodat zij mede dienen als grondslag voor zijn verdediging de volstrekt onwenselijke situatie doet zich in deze zaak voor, dat blijkens de aangehechte stukken, op precies dezelfde gronden als voor [de dochter] , voor [de zoon] vrijstelling is aangevraagd èn (zelfs zonder gesprek, met andere woorden zonder slag of stoot) wel is verkregen. Alleen al om die reden (te allen tijde moet worden voorkomen, dat de vrijstelling van rechtswege voor het ene kind wel en voor het andere kind niet wordt gehonoreerd/gerespecteerd) vinden mijn cliënten, dat zij behoren te worden vrijgesproken van het hen tenlastegelegde. Wat ik hierna ga zeggen, geldt in dat licht dan ook als subsidiair.
Derhalve: de rechter beoordeelt nog steeds
niethet gewicht van de gemoedsbezwaren: daar zou een wetswijziging of een uitdrukkelijke overweging of instructie van de Hoge Raad voor nodig zijn geweest. Mijn cliënten dienen u - voornamelijk - in staat te stellen om te beoordelen of het aannemelijk is dat hun overwegende bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen. Mijn cliënten zijn daar van harte toe bereid en ook zonder meer toe in staat.
nietaangescherpt. Ik kan dat zelf bevestigen. Ik heb namelijk persoonlijk de gehele zaak […] (Objectivisme) begeleid, die heeft geleid tot:
“WIE ZICH ZELF KENT, KENT ZIJN HEER”.
geen bezwaren hebben tegen de inrichting van het onderwijs als zodanig. Mijn cliënt heeft geen bedenkingen tegen groepsactiviteiten en bepaalde (les)methoden. Bovendien zijn mijn cliënten evenmin principieel voorstanders van thuisonderwijs boven onderwijs op school. Thuisonderwijs vergt juist zeer aanzienlijke investeringen van mijn cliënten, teneinde aan hun eigen normen en gedachten over de opvoeding en het onderwijs voor [de dochter] te voldoen. Mijn cliënten zijn gelet op hun geloof en overtuiging van harte bereid om die investeringen te plegen. Er is hen ( en hun familie) alles aan gelegen om hun rechte en zuivere pad te blijven volgen.
nietde richting van de betreffende relevante scholen betreffen. Het bewijs daarvan ligt volledig op de weg van het OM (en de bewijslast drukt daarbij volledig op het OM). De uitspraak van de Kantonrechter in Amsterdam van 20 februari 2023 (13-320668-22) is in die zin bijzonder, dat de Kantonrechter na de overwegingen ( op pagina 3) over Islamitische scholen ( nogmaals echt de enige die in dit verband terzake doen, nu alle andere 100% zeker nog nooit van de Tasawwuf hebben gehoord), had kunnen stoppen. Mijn cliënten hadden - naar het oordeel van de Kantonrechter - hun bezwaren tegen deze scholen ( toen al) voldoende concreet gemaakt: bij het onderwijs op die scholen is sprake van een met hun geloofsvisie ( geef het een naam) strijdige leerstelligheid vanuit de Islam, dat die voor [de dochter] moeilijk ( wij zeggen: onmogelijk) is te combineren met hetgeen [de dochter] vanuit huis krijgt aangedragen . Punt. Daar komt nog eens bij, dat [leerplichtambtenaar 1] de dag voor de vorige zitting - 10 april 2024 - per email van 9 april 2024 aan de Advocaat-Generaal mr J. Zondervan heeft bevestigd, dat hij na grondige bestudering van de stukken, tot de conclusie is gekomen, dat de kennisgeving (vrijstelling ) voor [de dochter] ( 16-03-2017) toegekend had moeten worden. Ik kan mij goed herinneren, dat Uw Voorzitter, direct na dit citaat de Advocaat-Generaal adresseerde, met de vraag waar dit dan toe zou moeten leiden volgens het Openbaar Ministerie: vrijspraak, of ontslag van alle rechtsvervolging. De Advocaat-Generaal heeft daar geen uitsluitsel over gegeven. Vervolgens is een nieuwe zitting bepaald, waarop [leerplichtambtenaar 1] als getuige zal worden gehoord, alles mede in het licht van de inhoud van zijn email van 9 april 2024, Nota bene: voor het lopende schooljaar is voor zowel [de dochter] (!) als [de zoon] definitieve en onvoorwaardelijke vrijstelling verleend, zulks op basis van de hiervoor zeer uitvoerig uitgewerkte geloofsovertuiging.
VrijspraakNaar de stellige overtuiging van mijn cliënten is
primair, gelet op al hetgeen zij in het kader van hun aanvraag en hun verdediging hebben aangevoerd, hetgeen aan hem ten laste is gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.”
I. Een proces-verbaal van 21 november 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, [leerplichtambtenaar 2] , digitale dossierpagina’s 1-4.
buitengewoon opsporingsambtenaar:
(het hof begrijpt: [de dochter] )heeft Absoluut verzuim status gekregen, omdat er geen schoolinschrijving is. Moeder heeft op dag van gesprek ziekgemeld.
(het hof begrijpt: met betrekking tot de kennisgeving van de ouders: verdachte en de medeverdachte)heeft plaatsgevonden met (moeder) [medeverdachte] en [betrokkene 1] (vertrouwenspersoon) en [leerplichtambtenaar 3] en [betrokkene 2] , manager Leerplicht. Gedurende het gesprek is duidelijk geworden dat moeder de kennisgeving met toestemming van vader heeft ingediend. De lijst van scholen waarnaar onderzoek is gedaan is een standaardlijst afkomstig van internet. Moeder geeft aan zich te hebben georiënteerd via de schoolsites, dit onderzoek is onvoldoende. Tijdens het gesprek las moeder antwoorden op uit de kennisgevingsbrief. Naar aanleiding van het gevoerde gesprek heeft leerplichtambtenaar besloten de kennisgeving af te wijzen en ouders aan te geven dat zij niet voldoen aan de wettelijk vereisten. Ouders hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt waarop de bezwaren tegen de diverse scholen gericht zijn. Dit betekent dat ouders niet zijn vrijgesteld om jongere in te schrijven op een onderwijsinstelling en zij jongere dienen in te schrijven op een onderwijsinstelling. In de (aangetekende) brief
(het hof begrijpt: de als bijlage gevoegde brief aan ouders van 25 mei 2022, waarin staat vermeld dat er geen vrijstelling is en [de dochter] bij een school moet worden ingeschreven)is vermeld dat indien niet voor 18 juli 2022 een schoolaanmelding wordt opgestuurd, proces-verbaal zal worden opgemaakt.
Bewijsoverwegingen
schoolplicht.
tegen de richting van het onderwijsis niet een bezwaar begrepen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (ECLI:NL:HR:2019:1925). Enkel de
richtingvan het onderwijs kan dus het voorwerp van bezwaar zijn. Onder
richtingvan het onderwijs wordt een fundamentele oriëntatie verstaan, die is ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Bezwaren kunnen echter ook bestaan tegen het ontbreken van een richting, zoals in het algemeen openbaar onderwijs (ECLI:NL:HR:2012:BV9201 en ECLI:NL:HR:2017:3111).
welbepaaldegodsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. De eis van een welbepaalde godsdienst of levensovertuiging wordt zo dus in verband gebracht met zowel de richting van het onderwijs waar de bezwaren tegen zijn gericht als met de overtuigingen waar de gemoedsbezwaren op berusten. Van een
welbepaaldegodsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, waarop de gemoedsbezwaren berusten, is geen sprake indien het betreffende samenstel van opvattingen zich onvoldoende nauwkeurig laat bepalen of het daarin ontbreekt aan een voldoende mate van ernst of samenhang. Tot slot moet sprake zijn van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren die verband houden met onderwijs aan kinderen zoals een school dat kan bieden (ECLI:NL:HR:2019:1925).
NJ2021/281 m.nt. Mevis, r.o. 2.4.1-2.4.5, het volgende overwogen over art. 5 aanhef Pro en onder b Lpw: [3]
NJ1980/190 m.nt. Van Veen [5] tot uitdrukking gebrachte en nadien meermaals herhaalde uitgangspunt dat “[b]lijkens de wetsgeschiedenis […] de wetgever niet [heeft] gewild dat de rechter het gewicht van dit bezwaar zou beoordelen”. [6] AG Keulen en A-G Spronken zijn reeds op deze vraag ingegaan. [7] A-G Keulen heeft ten aanzien hiervan het volgende overwogen (met overneming van voetnoten): [8]
Artikel 5. Dit artikel bevat de gronden voor algehele vrijstelling van de leerplicht, die nader zijn geregeld in de artikelen 6 tot en met 10. (…)
NJ2021/281 m.nt. Mevis, r.o. 2.4.3 geformuleerde criterium van “voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren” in elk geval op als een aanpassing van het inzicht van de Hoge Raad over het (verbod van) het wegen van richtingsbezwaren. Keulen spreekt in de hierboven onder 3.11 weergegeven conclusie immers van “een vernieuwing” (randnr. 22) en “deze bijstelling” (randnr. 23). Hoe dan ook zijn de in randnr. 26 genoemde argumenten van Keulen voor een (wezenlijke) toetsing van de bezwaren aan de uitsluitingsgrond wat mij betreft overtuigend. Ook ik meen dus dat HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1925,
NJ2021/281 m.nt. Mevis zo gelezen moet worden dat de rechter het gewicht van de bezwaren tegen de richting van de school wel mag toetsen. [17] Daarnaast ben ik het met Spronken eens dat uit het arrest volgt dat de reikwijdte van de bedoelde vrijstelling met het oog op het belang van het kind bij aanspraak op onderwijs zo beperkt mogelijk dient te worden uitgelegd. Tot die conclusie kwam ook annotator Mevis in
NJ2021/281, par. 3:
. Daarin had het hof volgende overwogen:
Folgerø en anderen tegen Noorwegenhet volgende vooropgesteld over art. 2 P1 EVRM: [48]
Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, §§ 50-54;
Campbell and Cosans v. the United Kingdom, 25 February 1982, §§ 36-37, Series A no. 48; and
Valsamis v. Greece, 18 December 1996, §§ 25-28,
Reports of Judgments and Decisions1996VI) enounced the following major principles:
Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 52).
Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 50).
Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 51). That duty is broad in its extent as it applies not only to the content of education and the manner of its provision but also to the performance of all the “functions” assumed by the State. The verb “respect” means more than “acknowledge” or “take into account”. In addition to a primarily negative undertaking, it implies some positive obligation on the part of the State. The term “conviction”, taken on its own, is not synonymous with the words “opinions” and “ideas”. It denotes views that attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance (see
Valsamis, cited above, §§ 25 and 27, and
Campbell and Cosans, cited above, §§ 36-37).
Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 52, and Case
“relating to certain aspects of the laws on the use of languages in education in Belgium”v. Belgium(merits), 23 July 1968, Series A no. 6, pp. 31-32, § 4).
Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, ibid.).
Valsamis, cited above, § 27).
Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen,cited above, § 53).
4.Het tweede middel
Vervolging leerplichtzaken (artikel 5b)
NJ2015/276 m.nt. Mevis het volgende overwogen over art. 2 P1 EVRM: [71]