Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
[verdachte],
geen sprakeis wanneer het betreffende samenstel van opvattingen zich onvoldoende nauwkeurig laat bepalen of het daarin ontbreekt aan een voldoende mate van ernst of samenhang. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geldt als voorwaarde voor het aanmerken van een samenstel van opvattingen als een godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing in de zin van artikel 9 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat die opvattingen een zeker niveau aan overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang bereikt hebben: "attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance", aldus onder meer EHRM, Campbell en Cosans/Verenigd Koninkrijk, arrest van 25 februari 1982, ECLI:CE:ECHR:1982:0225JUD000751176, r.o. 36 en de arresten van 15 januari 2013, Eweida e.a./ Verenigd Koninkrijk, r.o. 81 en 1 juli 2014, S.A.S./Frankrijk, r.o. 55.
inrichting van het onderwijs als zodanig. Zo heeft verdachte geen bedenkingen tegen groepsactiviteiten, bepaalde (les)methoden en is hij evenmin principieel voorstander van thuisonderwijs boven onderwijs op een school. Het thuisonderwijs vergt juist aanzienlijke investeringen van de ouders teneinde aan de certificering te voldoen.
openbaaronderwijs in de omgeving overweegt het hof dat ingevolge vaste jurisprudentie bedenkingen ook hierin kunnen bestaan dat bij het openbaar onderwijs het nu juist ontbreekt aan een welbepaalde levensbeschouwelijke of godsdienstige overtuiging en daarmee aan een richting van het onderwijs op die scholen.
in deze zaakde materiële gerechtigheid komt te ontvallen hetgeen een onnodig hard oordeel jegens de verdachte – en, gegeven de inmiddels zeer lange duur van de procedure, zijn kinderen – oplevert.
overwegende bedenkingenin de zin van art. 5, aanhef en onder b, Lpw moeten voldoen, zijn vervuld - zoals hiervoor uiteengezet onder
i,
iien
iii- leidt dit naar ’s hofs oordeel tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.