Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.4in zoverre ook.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of de vrouw met haar nieuwe partner samenleeft als waren zij gehuwd in de zin van art. 1:160 BW Pro, waardoor de onderhoudsplicht van de man eindigt. Na echtscheiding in 2006 leefde de vrouw sinds 2009 in een affectieve relatie met een ander. De man verzocht de rechtbank om de alimentatie te beëindigen en terugbetaling van onverschuldigde betalingen, evenals vergoeding van recherchekosten en teruggave van een auto.
De rechtbank wees dit verzoek af, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat sprake was van samenwonen als waren zij gehuwd vanaf 30 oktober 2013, waardoor de alimentatieplicht eindigde en de vrouw terugbetaling moest verrichten. Het hof veroordeelde haar ook tot vergoeding van recherchekosten.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof, met name over de motivering van het samenwonen en de wederzijdse verzorging, en de proceskostenveroordeling. De Hoge Raad benadrukte de restrictieve uitleg van art. 1:160 BW Pro vanwege de zware sanctie van beëindiging alimentatie en stelde hoge motiveringseisen. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom aan alle vereisten was voldaan, met name inzake wederzijdse verzorging. Ook was de veroordeling tot betaling van recherchekosten onvoldoende gegrond op wettelijke bepalingen.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het hofvonnis en verwijzing voor nadere motivering en beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nadere motivering en beoordeling.