Uitspraak
14 januari 1994.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Na echtscheiding werd door de rechtbank alimentatie vastgesteld die de man aan de vrouw moest betalen. De man verzocht later de alimentatie te beëindigen wegens gewijzigde omstandigheden, met name dat de vrouw samenleefde met een ander als waren zij gehuwd.
Het hof stond toe dat de man bewijs leverde van deze samenwoning en beëindigde de alimentatie vanaf 1 april 1989. De vrouw bood aan nader bewijs te leveren dat zij niet samenwoonde als gehuwd, maar dit bewijsaanbod werd door het hof gepasseerd met de motivering dat het geen ander oordeel zou opleveren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onterecht het bewijsaanbod van de vrouw heeft gepasseerd zonder de waarde van het bewijs daadwerkelijk te beoordelen. Ook was het oordeel van het hof dat sprake was van samenwonen als gehuwd onvoldoende gemotiveerd, omdat de vastgestelde feiten niet voldeden aan de vereisten van wederzijdse verzorging en bijdrage aan de huishouding.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, waarbij het hof het bewijs opnieuw moet beoordelen en de alimentatieverplichting opnieuw moet vaststellen.
De kosten van het cassatiegeding worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.