Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
. [1]
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in (tweede) cassatie
4.Wetgeving, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
Na verwijzing blijkt echter dat het hof, door de gegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende, niet aan de stelling van de inspecteur is toegekomen dat deze auto als een nieuw voertuig moet worden aangemerkt. En van een nieuw voertuig blijkt hier inderdaad sprake te zijn, aldus Hof Arnhem. Niet verwonderlijk gezien het feit dat de auto bij aankoop niet meer dan 179 kilometers had gereden, voor een hogere prijs dan de catalogusprijs aan een consument is verkocht en pas ná aankoop door de Nederlandse consument in Duitsland is geregistreerd, waarna de auto is overgebracht naar Nederland.
De casus als zodanig doet veel denken aan HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, NTFR 2009 / 1316. Ook in die situatie betrof het exclusieve auto’s met zeer weinig kilometers, een verkoopprijs boven de catalogusprijs en een buitenlandse kentekenregistratie die in veel gevallen pas had plaatsgevonden ná verkoop aan de Nederlandse afnemer. Mede naar aanleiding van laatstgenoemd arrest is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ‘Overige Fiscale Maatregelen 2010’ (NTFR 2009 /1989) opgemerkt dat het kabinet deze u-bochtconstructies wil bestrijden. Wetswijziging is hiervoor niet noodzakelijk geacht, de Leidraad BPM zou op dit punt worden herzien. De Leidraad is inmiddels vervangen door het Kaderbesluit BPM. Daarin komt echter geen specifiek onderdeel ter bestrijding van deze ‘constructie’ voor. Gezien de jurisprudentie lijkt dat ook niet noodzakelijk te zijn.
De auto in de onderhavige procedure heeft sinds de productiedatum 1 mei 2008 kennelijk eerst tot 24 februari 2010 ongebruikt stilgestaan, heeft daarna een Duitse datum van eerste toelating van 24 februari 2010 en wordt vervolgens op 24 maart 2010 in Nederland geregistreerd. De auto vertoont duidelijke gebruikssporen. Rechtbank Arnhem komt mijn inziens terecht tot de conclusie dat er sprake is van een gebruikte auto. De inspecteur stelde nog dat er sprake is van een U-bochtconstructie. Die term kwamen wij ook tegen in het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2010, waarin bestrijding van die constructie werd aangekondigd. (…).. Voor de bestrijding zou wijziging van de Leidraad plaatsvinden, maar het nieuwe Kaderbesluit BPM (NTFR 2010/1526) vermeldt hier niets over. Dat is ook niet per se nodig, omdat dit in de jurisprudentie wordt ingevuld. In het HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, NTFR 2009/ 1316, ging het bijvoorbeeld om in Duitsland aan Nederlanders verkochte ongebruikte personenauto’s die na die verkoop eerst kortdurend in Duitsland op kenteken werden gezet om daarna als gebruikte auto’s ingevoerd te worden. De BPM-heffing diende volgens de Hoge Raad plaats te vinden op basis van het uitgangspunt dat dit nieuwe auto’s betrof. In bovenstaande zaak liggen de feiten echter ander[s, RIJ] en heeft de eerste toelating in Duitsland reeds plaatsgevonden voor de aankoop door belanghebbende. Bovendien maakt het mijns inziens ook nogal een groot verschil of er (zoals in de casus van genoemd arrest) sprake is van 29, 130 of 214 kilometer dan wel van 2.919 kilometer met duidelijke gebruikssporen zoals in de onderhavige zaak. Nu bestrijding van de U-bochtconstructie expliciet is aangekondigd, kunnen we hierover meer jurisprudentie verwachten.
BNB2001/395c*, de mogelijkheid geïntroduceerd om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke afschrijvingslijn en uit te gaan van de werkelijke afschrijving van het voertuig. Op 1 februari 2007 is deze wettelijke regeling omgedraaid: hoofdregel is dat wordt uitgegaan van de werkelijke afschrijving, maar indien de aangever dat wenst mag gebruik worden gemaakt van een forfaitaire afschrijvingstabel.
BNB2009/273, m.nt. De Wit, en nr. 43 873,
V-N2009/33.24, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ten einde te voldoen aan art. 90 EG Pro (thans: art. 110 VWEU Pro), voor de bepaling van de afschrijving de
inkoopwaardevan de referentieauto moet worden afgezet tegen de verkoopwaarde van een nieuwe auto. De Hoge Raad motiveerde dit oordeel met de stelling dat wanneer een handelaar een zodanige auto inkoopt (…) de nog op die auto rustende BPM gelijk (zal) zijn aan een aan de door de handelaar betaalde koopsom evenredig gedeelte van de oorspronkelijke BPM. Deze op die auto rustende BPM wordt niet verhoogd door de eventuele marge die de handelaar bij de verkoop van die auto realiseert. De Hoge Raad licht deze opmerkelijke stelling in zijn arresten niet nader toe. Een auto die wordt ingekocht heeft op datzelfde moment uiteraard ook een verkoopwaarde. Het lijkt dan voor de hand te liggen om die verkoopwaarde te vergelijken met de oorspronkelijke verkoopwaarde van de auto, om aldus de waardedaling en daarmee ook het afschrijvingspercentage vast te stellen. De Hoge Raad heeft echter anders beslist.
BNB2009/273 sprak De Wit het vermoeden uit dat de Hoge Raad iedere vorm van discriminatie wil uitsluiten en daarom aansluiting toestaat bij de laagst denkbare (objectief) te bepalen waarde – de aankoopwaarde van een gebruikte auto voor de handel – waarmee wordt voorkomen dat zelfs ook maar een minimale discriminatie ontstaat. Dit vermoeden lijkt in het onderwerpelijke arrest te worden bevestigd. De staatssecretaris heeft in zijn cassatieberoepschrift er op gewezen dat met de door de wetgever voorgestane berekeningswijze wordt voorkomen dat op in het binnenland gekochte auto’s in het algemeen meer BPM drukt dan op gelijksoortige geïmporteerde auto’s. De Hoge Raad erkent in r.o. 3.6 dat zonder de door de wetgever voorgestane vermindering voor (veel) in te voeren gebruikte auto’s minder BPM wordt betaald dan de BPM die nog rust op vergelijkbare in het binnenland gekochte auto’s, doch zoals de Hoge Raad in r.o. 3.5.1 heeft aangegeven moet volgens vaste jurisprudentie op grond van art. 110 VWEU Pro worden
uitgeslotendat een ingevoerde auto in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op een gelijksoortige gebruikte auto die reeds op het nationale grondgebied is geregistreerd. Dat geïmporteerde auto’s daardoor in veel gevallen fiscaal worden bevoordeeld ten opzichte van auto’s die in het binnenland zijn aangeschaft, moet op de koop toe worden genomen.
V-N2012/26.8). Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de bezwaarschriften niet, maar de beroepschriften wel nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend.
5.Beschouwing en beoordeling van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris
6.Beschouwing en beoordeling van belanghebbendes incidentele beroep in cassatie
Middel 1
minderdan 2 maanden tussen het indienen van de verschillende processtukken in beide zaken. Gelet daarop meen ik dat hier, althans in zeer overwegende mate, sprake is van gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig gemaakte bezwaren en beroepen.