Conclusie
eerstemiddel behelst de klacht dat het hof bij zijn oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder van een onjuiste uitleg van het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2013 [1] , door aan te nemen dat een vreemdeling niet behoort te worden vervolgd wegens het in het bezit hebben van vervalste documenten zolang
in Nederlandop de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is beslist.
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen in hoeverre de verdachte de vervalste documenten heeft aangewend in het kader van zijn vlucht. Ook daarom schiet het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging tekort, aldus het middel.