Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
3 juni 2014.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd wegens het gebruik van een niet op zijn naam gesteld Canadees paspoort bij aankomst op Schiphol. Hij voerde verweer op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, stellende dat hij als vluchteling bescherming geniet tegen strafrechtelijke vervolging.
Het hof verwierp dit verweer omdat de verdachte voorafgaand aan zijn komst naar Nederland in Duitsland verbleef en daar de mogelijkheid had asiel aan te vragen, maar dit niet deed. Het hof achtte het beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro daarom niet van toepassing.
De Hoge Raad stelt echter dat het hof niet heeft onderzocht of op de asielaanvraag van de verdachte onherroepelijk afwijzend is beslist. Omdat een onherroepelijke beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst is overgelegd waarin aan de verdachte een verblijfsvergunning is verleend, kan het verweer niet evident ongegrond worden bevonden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging op grond van artikel 231 Sr Pro. Hiermee wordt bevestigd dat een vreemdeling met een verblijfsvergunning asiel niet strafrechtelijk vervolgd behoort te worden voor het bezit of gebruik van valse documenten in het kader van zijn vlucht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de bescherming die het Vluchtelingenverdrag biedt en de noodzaak dat strafrechters zich terughoudend opstellen bij het toetsen van vluchtelingenstatussen.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verleende verblijfsvergunning en toepassing artikel 31 Vluchtelingenverdrag.