Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
putoptie gekocht van [I] Coöperatief UA. De belanghebbende verkreeg het recht om uiterlijk 30 januari 2007 haar aandelen [BB] aan [I] te verkopen voor € 18.000. Die optie is uitgeoefend op 12 januari 2007.
promissory notesà € 1 miljoen als storting ingebracht in [G] CV. Zij heeft die
notesverkregen van [I]. Op 4 december 2006 heeft [G] CV drie
deep-out-of-the-moneyput- en calloptiecontracten gesloten met [K] CV, wier commandiet en beherende vennoot op de Britse Maagdeneilanden zijn gevestigd. De opties konden alleen op de afloopdatum 15 december 2006 uitgeoefend worden. Het resultaat voor [G] CV op die afloopdatum was een verlies ad € 2.588.000. [1] Dit verlies is geheel in [BB]’s commerciële jaarstukken opgenomen. [K] CV heeft een concomitant positief resultaat op de
puten
callsbehaald. [2]
a fortioriniet bij de belanghebbende). Dat niet duidelijk is wie achter de Ltd op de
British Virgin Islandszit, waardoor niet vast staat dat de
upen
downvan de optiecontracten bij gelieerde personen zijn terechtgekomen, doet volgens uw onzakelijke-kostenjurisprudentie niet ter zake; dat is het bewijsprobleem van de onzakelijke kostenmaker.
fraus legis. Weliswaar heeft de Inspecteur
fraus legisniet gesteld voor het Hof, maar de vastgestelde feiten laten geen enkele andere conclusie toe dan dat de belanghebbende met het samenstel van fiscale voeging/ontvoeging, putoptie, commanditaire vennootschap en optiecontracten volstrekt overwegend antifiscale bedoelingen had. Daarmee is aan het feitelijke, subjectieve vereiste voor toepassing van
fraus legisvoldaan.
fraus legisbetreft – dat u dus zelfstandig kunt beoordelen (u acht u daartoe zelfs gehouden ex (analogische toepassing van) art. 25 Rv Pro.) – geldt dat het onmiskenbaar niet de bedoeling van de wetgever was dat reguliere vennootschapsbelastingheffing, al dan niet over een HIR-vrijval, veronmogelijkt wordt door kunstmatige en herhaalbare fiscale verliescreatie (‘kunstgrepen’) die geen enkel verband houdt met economische werkelijkheid, voorzienbaar nadelig is en geen invloed heeft op de vermogenspositie van de belastingplichtige. Rechtskundig moet daarom het gevolg getrokken worden dat met deze constructie de belanghebbende c.s. in strijd met doel en strekking van de belastingwet hebben gehandeld.
fraus legis. Die toepassing kan leiden tot substitutie of eliminatie van feitelijke handelingen of rechtshandelingen (of beide) of van de (fiscale) gevolgen van rechtshandelingen. Het Hof heeft in casu (i) [BB]’s kunstmatige verlies, of (ii) [BB]’s voeging in de fiscale eenheid, of (iii) de fiscale gevolgen van de voeging genegeerd. Al deze drie mogelijkheden kunnen op
fraus legisworden gebaseerd. ’s Hofs overwegingen houden – zij het op kennelijk andere rechtsgrond – toepassing van mogelijkheid (iii) in. Voor de belastingheffing ten laste van de belanghebbende doet een keuze overigens niet ter zake (mogelijk wél voor de belastingheffing ten laste van [BB]), nu alle drie de mogelijkheden uit
fraus legisvoortvloeien en zij alle drie tot hetzelfde resultaat leiden: belanghebbendes HIR-vrijval wordt niet wegverrekend door [BB]’s kunstmatige optieverlies.
2.De feiten
Toelichting track record en index optie ervaring
curs.rechtbank; PJW]. Wanneer dit door de fiscus in de aanslagregeling is geaccepteerd, zullen wij hiervoor een fee ontvangen van Holding [X] B.V. Holding [X] B.V. wordt bijgestaan door[C].
putoptie te kopen voor € 1 die haar het recht geeft uiterlijk 30 januari 2007 de aandelen [BB] voor € 18.000 aan [I] te verkopen, mits [BB] op uitoefeningsdatum een
cash balanceheeft ad minstens € 18.000 en geen schulden aan anderen dan [I].
promissory notesvan elk € 1 mio, tegen een jaarlijkse rente ad 5,05%. [BB] is die rente schuldig gebleven. Op 1 december 2006 heeft [BB] een ‘contribution and assignment agreement’ met [G] CV gesloten op grond waarvan de zes
promissory noteszijn ingebracht in [G] CV. Voor het overige heeft [BB] geen activiteiten ontplooid.
call- en
putoptiecontracten gesloten met [K] Trading C.V. ([K]). De Rechtbank heeft hieromtrent vastgesteld:
promissory notes. [G] CV’s resultaat over 2006 luidt als volgt:
putoptie uitgeoefend, waardoor [I] de aandelen [BB] verwierf en de fiscale eenheid werd verbroken.
3.Het geding in feitelijke instanties
putoptie die zij naar eigen inzicht al dan niet kon uitoefenen.
4.Het geding in cassatie
Het principale cassatieberoep van de belanghebbende
5.Is uitstel van het doen van aangifte verleend? (middel (ii))
Uitstel van het doen van aangifte
Verklaring beëindiging machtiging(zie bijlage 2) naar Belastingdienst/kantoor Almelo, team CVU. Deze verklaring kunt u tot 15 maart 2015 insturen. Als u een klant afmeldt, sturen wij uw klant een brief met de nieuwe uiterste inleverdatum.”
moest) aannemen dat de ‘oude’ gemachtigde nog steeds bevoegd is:
Toepassing op belanghebbendes geval
totde aangifte Vpb 2006 én daar
nawas [C] gemachtigd om namens de belanghebbende haar aangiften Vpb te verzorgen en in te dienen. Namens de belanghebbende heeft [C] ook voor 2006 om uitstel van aangifte verzocht, via de al die jaren gebruikelijke Beconregeling. [C] heeft de belanghebbende niet op het bij de Beconregeling horende formulier ‘Verklaring beëindiging machtiging’ afgemeld van de uitstellijst. Evenmin heeft de belanghebbende zelf de Inspecteur duidelijk gemaakt dat [C] eenmalig, uitsluitend voor het formele indienen van het aangifteformulier 2006, niet als gemachtigde zou optreden. De belanghebbende heeft in feitelijke instantie voorts niet gesteld dat zij [C]’s volmacht jegens [C] heeft herroepen, noch dat [C] jegens haar heeft opgezegd (zie art. 3:72 BW Pro in 5.14). Zelfs als één van die handelingen zich zou hebben voorgedaan, is de Inspecteur daarvan noch door [C], noch door de belanghebbende op de hoogte gebracht. De belanghebbende heeft in hoger beroep juist gesteld dat de aangifte door [C] is opgesteld. [21] Het enige dat de belanghebbende dus kennelijk zelf heeft gedaan (of zelfs dát heeft [C] voor haar gedaan),
nadat[C] voor haar de aangifte had opgesteld, en slechts drie dagen nadat [C] namens haar om uitstel had verzocht, is een vakje aanvinken dat geen gebruik wordt gemaakt van een belastingconsulent, welke aanvinking onverenigbaar is met het drie dagen eerder namens haar door [C] gedane uitstelverzoek.
6.Komt [BB]’s optiesverlies ten laste van de belanghebbende? (middel (i))
Fiscale eenheid
alsofer één belastingplichtige is, is ingevoerd bij de Wet herziening regime fiscale eenheid in 2003; tot die wijziging werd de gevoegde dochter geacht opgegaan te zijn in de moedervennootschap en dus fiscaal als subject verdwenen te zijn. Die opgaan-in-benadering zou aanvankelijk worden vervangen door fiscale consolidatie: [24]
alsof-benadering blijven gevoegde dochters zelfstandig subjectief belasting-plichtig, wat van belang is voor het onder belastingverdragen vereiste fiscale inwonerschap: [26]
Ik meen dat de inspecteur de beschikking niet met terugwerkende kracht kan intrekken, omdat de wet deze mogelijkheid niet biedt. Dit betekent dat ook een belastingplichtige die informatie achterhoudt of onjuiste informatie verstrekt (bijvoorbeeld over het uitstaan van opties op aandelen in de dochtermaatschappij) ook als hij niet aan de fiscale-eenheidsvoorwaarden voldoet, het regime fiscale eenheid deelachtig is, totdat de inspecteur de beschikking intrekt. Ik leid mijn standpunt af uit het feit dat bij een aantal andere (maar overigens ook niet alle) beschikkingen in de Wet Vpb. 1969 en de Wet IB 2001 is bepaald dat zij kunnen worden herzien met terugwerkende kracht. Soms is dat niet aan een voorwaarde gebonden, zoals bij de vaststelling van het opgeofferde bedrag in art. 13d, tiende lid, Wet Vpb. 1969. Soms is dat onder de voorwaarde dat sprake is van een nieuw feit of het te kwader trouw zijn van de belastingplichtige, zoals bij art. 20b Wet Vpb. 1969.
de achterwaartse verrekening van verliezen van de fiscale eenheid met vóór het voegingstijdstip behaalde winstgeldt als uitgangspunt dat niet meer verrekend mag worden dan verrekend had kunnen worden wanneer de belastingplichtige geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid. (…).
en vice versa[
curs.PJW]. Hiermee wordt gevolg gegeven aan een toezegging in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer bij het wetvoorstel herziening regime fiscale eenheid (26 854, nr. 6, blz. 25). Deze regeling betekent een versoepeling ten opzichte van het huidige beleid, omdat niet langer van belang is of er binnen de bestaande fiscale eenheid op het moment van oprichting van de dochtermaatschappij al winstsplitsing dient plaats te vinden. Voor het opnemen van deze beperking zie ik thans niet langer aanleiding.
verliezen(art. 15ae(1)(a)), ziet de regeling dus kennelijk ook op de verrekening van voorvoegings
winsten(art. 15ae(1)(b)), zoals die van de belanghebbende. De conclusie is dat deze regelingen, met name art. 5(4) BFE (tekst 2007) ertoe leiden dat in uitgangspunt [BB]’s verlies gecompenseerd kan worden met belanghebbendes voorvoegingswinst.
Niet uit de onderneming voortvloeiende lasten; veevoederprovisies, touroperators en renpaarden
fraus legisis voldaan.
gevolgvan voeging. Het Hof wilde kennelijk niet aftrekbaarheid bij [BB] ontkennen, maar alleen bij de belanghebbende. Ik meen echter dat de voeging niet in de weg staat aan de toepassing van uw onzakelijke-kostenjurisprudentie. Geen weldenkende fiscale eenheid gaat met het oog op het nut voor haar onderneming een 99%-kans aan op een verlies ad € 2,6 mio, zodat op die fiscale eenheid (de belanghebbende) de last rust om het ondernemingsnut aannemelijk te maken van het aangaan van een 99%-kans-verliescontract ad negatief € 2,6 mio. Dat niet blijkt is dat het verlies de persoonlijke behoeftenbevrediging van de aandeelhouder van de fiscale eenheid dient, doet mijns inziens op grond van HR BNB 1995/15 en 16 niet ter zake.
Fraus legis
fraus legis.
fraus legisniet gesteld, maar het Hof heeft feitelijk geoordeeld, althans zijn feitelijke vaststellingen en oordelen laten geen enkele andere conclusie toe dan dat de belanghebbende met het samenstel van civiele rechtshandelingen en fiscale voeging/ontvoeging volstrekt overwegend antifiscale bedoelingen had (zie de r.o. 4.3.13 – 4.3.15). Daarmee is aan het feitelijke, subjectieve vereiste voor toepassing van
fraus legisvoldaan.
fraus legis(strijd met doel en strekking van de wet) is voldaan, is een rechtsvraag, die u zo nodig van ambtswege kunt beantwoorden. Weliswaar bent u om onopgehelderde redenen uitgezonderd van de verplichting ex art. art. 8:69(2) Awb om de rechtsgronden van ambtswege aan te vullen (zie art. 29 AWR Pro), maar u past traditioneel wel art. 25 Rv Pro analoog toe in de fiscale procedure, en u bent wel verplicht art. 79 RO Pro toe te passen. Uit die bepaling leidt uw eerste kamer af (HR NJ 1979, 218) [51] dat u niet vernietigt als het recht niet is geschonden door de feitenrechter. U zie nader mijn aanvullende conclusie (
bis) van 13 februari 2014 in de bij u aanhangige zaak met nr. 13/02210. In casu heeft het Hof het recht niet geschonden, immers: ook aan het objectieve element (strijd met doel en strekking van de wet) is voldaan als de beoogde verliesverrekening in casu verleend zou worden. Dat blijkt uit het volgende:
fraus-legisjurisprudentie houdt in dat onder meer (i) willekeurige herhaalbaarheid, (ii) gebrek aan verband met economische realiteit en (iii) een voorzienbaar nadelig resultaat (afgezien van het fiscale effect) sterke aanwijzingen zijn dat doel en strekking van de belastingwet worden geschonden. In HR BNB 1982/243 [52] (gewezen onder het oude richtige-heffingregime ex art. 31 AWR Pro) oordeelde u dat honorering van (rente)aftrekposten strijdt met doel en strekking van de wet als de belanghebbende min of meer onbeperkt en op ieder door hem daartoe nuttig geacht moment gebruik kan maken van de aftrek:
,(ii) ‘desgewenst herhaaldelijk’, (iii) ‘zonder dat zulks betekenis zou hebben voor haar vermogenspositie’ en (iv) ‘generlei functie in het kader van (de financiering van) de door de betrokken vennootschap gedreven onderneming’:
fraus legisals volgt worden samengevat: het is in strijd met doel en strekking van de belastingwet dat belastingbetaling door toepassing van kunstgrepen een kwestie van vrijwilligheid wordt. [55]
BNB1993/201, waarin een gemeenschap van goederen ontstond tijdens het huwelijk van de betrokkenen, en er geen aanwijzing bestond dat dit huwelijk slechts was aangegaan om overdrachtsbelasting te vermijden.”
niet-reële (flits)
wijzigingin de huwelijkse voorwaarden van het reeds gestrande huwelijk moeten vergelijken met het flitspartnerschap. Maar de strekking van het arrest is duidelijk: fiscale gevolgen verbinden aan een kunstmatige, volstrekt efemere civielrechtelijke toestand waarvan van te voren vaststaat dat hij efemeer zal zijn en dat hij nagenoeg volledig zonder enig gevolg in de (niet-fiscale) werkelijkheid zal blijven (dat de partijen de door de wetgever beoogde gevolgen van die toestand buiten het fiscale effect helemaal niet wensen), komt in strijd met doel en strekking van de wet en kan worden genegeerd.
juistom moeders en dochters in de gelegenheid te stellen verliezen van de één met winsten van de ander te verrekenen, zij is manifest niet bedoeld om een HIR-vrijval of enige andere winst bij een belastingplichtige uit een eerder jaar door kunstgrepen achteraf weg te poetsen met economisch voor die belastingplichtige niet-bestaande, synthetisch opgewekte verliezen die de enige bestaansreden en enige bezigheid zijn van een daartoe op te richten, meteen te voegen en meteen daarna weer te ontvoegen dochter, waartegenover bovendien precies even grote synthetische winsten staan bij een onopgehelderd betrokken Ltd op de
British Virgin Islands.
British Virgin Islandsdus genegeerd.
designerverlies, noch het voegen en meteen weer ontvoegen enige functie vervulde in haar ondernemingsuitoefening en dat elk verband met een voor de belanghebbende economisch reëel verlies ontbrak. Ook in belanghebbendes geval is sprake van een voorzienbaar en zelfs
beoogd(99% zeker) nadelig resultaat. Ook in belanghebbendes geval kan de opzet naar willekeur herhaald worden en is herhaling zelfs expliciet voorzien voor het geval de net-niet-verwaarloosbare kans op een
upzich zou realiseren. Uit de vastgestelde feiten, met name de email geciteerd in 2.5, volgt dat [BB]’s verlies kunstmatig is afgestemd op de fiscaal weg te poetsen HIR-vrijval. Uit r.o. 2.4 Rechtbank blijkt dat geen relevante onzekerheid bestond over het resultaat van de opgezette structuur, nu (i) de kans op uitbetaling aan [BB] bij expiratie van de opties extreem klein was, (ii) mocht tóch sprake zijn van winst, die alsnog kunstmatig zou (kunnen) worden omgezet in het beoogde verlies door een tweede transactieronde en (iii) de
putoptie en de garantie ervoor zorgden dat nooit enig werkelijk verlies voor rekening van de belanghebbende zou komen. Er kan min of meer onbeperkt verlies worden gecreëerd waarmee de belastbare winst naar eigen inzicht kan worden gemanipuleerd.
fraus legis, maar op basis van het totaalwinstconcept van art. 3:8 Wet Pro IB 2001. Wat daar van zij; het resultaat acht ik correct.
ex tuncmaar
ex nuncte laten werken.
7.Beoordeling van de middelen
Cassatieberoep belanghebbende
British Virgin Islandszit, zodat niet duidelijk is of de
upen
downvan de optiecontracten bij gelieerde personen zijn terechtgekomen, en dat er geen aanwijzingen zijn dat [BB]’s verlies (het eenheidsverlies) de privébelangen van belanghebbendes aandeelhouder dient, doet volgens uw onzakelijke-kostenjurisprudentie (zie met name HR BNB 1995/16 in 6.26) niet ter zake. Dat ’s Hofs maatstaf niet erg duidelijk is, kan de belanghebbende worden toegegeven, maar baat haar niet. En ook al past uw onzakelijke-kostenrechtspraak dogmatisch misschien niet helemaal fijn op belanghebbendes geval, hoe dan ook is met vlag en wimpel voldaan aan alle feitelijke en rechtskundige voorwaarden voor toepassing van
fraus legis.
designerverlies zou zijn geschied, is feitelijk en kan in cassatie niet worden onderzocht.
voor hemonzeker (niet kenbaar) is of hij uitstel heeft verleend, niet op de gok een uitsteltermijn aan de aanslagtermijn kan plakken. Nu die situatie zich in casu niet voordoet (uit het systeem van de Belastingdienst blijkt dat uitstel is gevraagd en voor bepaalde termijn is verleend; de opmerking in het controlerapport (zie 2.192.19) berust dan ook niet op onduidelijkheid in dat systeem, maar op een vergissing), kan een beroep op deze Resolutie de belanghebbende niet baten.
Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep Staatssecretaris