ECLI:NL:HR:1994:AA2964

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29356
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de vennootschapsbelasting 1969 art. 8Wet op de vennootschapsbelasting 1969 art. 10
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek betalingen zonder tegenprestatie in vennootschapsbelasting

X B.V. kreeg voor het jaar 1982 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van f 1.260.360,--. Na bezwaar handhaafde de inspecteur deze aanslag, maar het Gerechtshof Amsterdam vernietigde dit en verminderde de aanslag tot f 1.086.247,--. X B.V. stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof betalingen van f 672.190,-- aan B N.V., gevestigd te Curaçao, waarvoor geen activiteiten of tegenprestatie waren geleverd. X B.V. had deze betalingen als kosten geboekt en wilde deze aftrekken van de belasting.

De Hoge Raad overwoog dat betalingen zonder tegenprestatie slechts als bedrijfskosten kunnen worden aangemerkt indien aannemelijk is dat zij ten behoeve van de onderneming zijn gedaan. Het Hof had geoordeeld dat X B.V. dit bewijs niet had geleverd. Dit oordeel is feitelijk en kan in cassatie niet worden getoetst. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

De Hoge Raad vond geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten en wees het beroep af. Hiermee blijft de vermindering van de aanslag gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 december 1992 betreffende de haar voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 1.260.360,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 1.086.247,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, advocaat bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 1 november 1993 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende levert halffabrikaten voor veevoeder aan - onder meer - A te Q (Verenigde Staten). In 1975 heeft belanghebbende een overeenkomst tot het verlenen van technische bijstand en marketingdiensten met B N.V. te Curaçao gesloten. Belanghebbende heeft de sedertdien aan B N.V. verrichte betalingen als kosten geboekt. In het onderhavige jaar (1982) heeft belanghebbende f 672.190,-- aan B N.V. betaald. Door B N.V. zijn geen activiteiten voor belanghebbende verricht. In geschil is of de betalingen aan B N.V. behoren tot de kosten van belanghebbendes onderneming.
3.2. Indien vaststaat dat een belastingplichtig lichaam een betaling heeft gedaan zonder dat blijkt van enige tegenprestatie, kan deze uitgave slechts dan tot de kosten van de door de belastingplichtige gedreven onderneming worden gerekend, indien deze aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van die onderneming is gedaan. Door in de ten processe geschetste omstandigheden van belanghebbende het bewijs te verlangen dat de betalingen zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming, heeft het Hof derhalve de bewijslast niet onredelijk verdeeld, zodat middel 1, voor zover dit van het tegendeel uitgaat, faalt. Nu het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voormeld bewijs niet heeft bijgebracht, welk oordeel als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst, heeft het belanghebbendes standpunt terecht verworpen. Middel 2, voor zover dit zich tegen laatstvermeld oordeel keert, faalt derhalve eveneens.
3.3. Voor het overige kunnen de middelen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 21 september 1994.