4.6.1.Algemene uitgangspunten
4.6.1.1. Vooropgesteld wordt dat in de Nota van toelichting bij het Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures, Stb. 1993, 763, blz. 5-6, het doel van de regeling in het Bpb door de Besluitgever als volgt is omschreven:
“Het is een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart. (...) De kostenveroordeling is, naar algemeen is erkend in het civiele recht, niet bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.”.
4.6.1.2. De vergoeding van (proces)kosten wordt toegekend op basis van het op het moment van de uitspraak geldende tarief (zie Toelichting onder ‘Algemeen’ bij de Ministeriele Regeling van 4 december 2017, nr. 2164326 tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Staatscourant 2017, 71078).
4.6.1.3. De vergoeding van (proces)kosten wordt per fase (bezwaar, beroep en hoger beroep) apart berekend; zowel het toe te kennen aantal punten voor de proceshandelingen als de zwaarte van de zaak kunnen per fase verschillend zijn (Hoge Raad 12 april 2013, nr. 12/02674, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822 (https://www.navigator.nl/document/id4ec3832448204a66b0bdf556d5ccbc14?anchor=id-e6306c88-b364-4a79-bb05-6d95dd9897f2)). De zwaarte van de zaak geldt voor de gehele fase. Binnen één fase wordt dus niet gedifferentieerd, omdat een dergelijke differentiatie in de zwaarte van de zaak zich niet verdraagt met de door de besluitgever beoogde eenvoud. Er wordt dus in dezelfde fase geen verschillende wegingsfactor gehanteerd voor, bijvoorbeeld, het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. 4.6.1.4. Indien daar in hoger beroep over wordt geklaagd, toetst het Hof de in eerdere fasen toegekende vergoeding van (proces)kosten volledig en niet marginaal. Deze toets betreft ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak (Hoge Raad van 23 september 2011, nr. 10 /04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293). Daarbij merkt het Hof op dat vaststelling van de factor zaakzwaarte sterk met waarderingen van feitelijke aard is verweven en dat aan die vaststelling slechts beperkte motiveringseisen zullen worden gesteld. 4.6.4.Wegingsfactor gewicht van de zaak (Bijlage Bpb, C1)
4.6.4.1. De toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 vermeldt op blz. 8–9:
“Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.”.
De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113 vermeldt op blz. 6:
“Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.”.
Zoals uit de geciteerde toelichting op (de wijziging van) het Bpb volgt, naar welke toelichting ook in rechtspraak van de Hoge Raad is verwezen (HR 23 september 2011, nr. 10 /04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293), wordt het gewicht van de zaak bepaald door het belang en de ingewikkeldheid en dient de uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De beoordeling van het gewicht van de zaak is in beginsel niet afhankelijk van de mate waarin grieven gegrond worden bevonden. Dit laat overigens onverlet dat inhoudelijke merites van grieven relevant kunnen zijn bij de beoordeling van het gewicht van een zaak (Hof ’s-Hertogenbosch 18 maart 2016, nr. 14/01037, ECLI:NL:GSHE:2016:1002). Ofwel, indien een geschil in essentie om een kwestie van ondergeschikt belang gaat, maar de zaak inhoudelijk wordt aangevuld of opgeklopt met ongegronde grieven die zijn aangevoerd met de kennelijke bedoeling om de zaak onnodig bewerkelijk of gecompliceerd te doen lijken, kan een lagere wegingsfactor aangewezen zijn, zonodig op de grondslag van artikel 2, lid 2, van het Bpb. 4.6.4.2. Voor de overgrote meerderheid van de zaken hanteert het Hof wegingsfactor 1. Dit betreft ook geschillen over de waardering van onroerende zaken in het kader van de Wet waardering onroerende zaken, ook al is het financiële belang daarvan - uiteindelijk - mogelijk gering (zie hierna 4.6.4.3 onder c).
4.6.4.3. Het Hof hanteert in beginsel wegingsfactor 0,5 in de volgende gevallen:
a. a) Indien het geschil beperkt is tot het antwoord op de vraag of:
- de hoorplicht is geschonden en de zaak op die grond voor een nieuwe behandeling in bezwaar wordt teruggewezen naar het bestuursorgaan, en/of
- het verzoek om een dwangsom moet worden toegewezen, en/of
- de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de (proces)kosten niet correct is (zie echter ook 4.6.4.4 onder a hierna).
b) Parkeerbelastingzaken. Hierbij zij opgemerkt dat een hogere factor wegens het gewicht van de zaak aangewezen kan zijn, afhankelijk van de aard en complexiteit van de rechtskundige problematiek.
c) Zaken waarbij de inzet van het geschil een zeer gering financieel belang betreft. Hierbij knoopt het Hof aan bij een bedrag van € 15 (vgl. Hoge Raad 24 februari 2017, nr. 16/02303, ECLI:NL:HR:2017:293). Te denken valt aan zaken over leges voor verstrekte kopieën. Zoals hiervoor in 4.6.4.2 is overwogen vallen waarderingsgeschillen ingevolge de Wet WOZ hier niet onder, ook al kan het daarmee gemoeide financiële belang gering zijn. Verder zij hierbij opgemerkt dat in een zaak van zeer gering financieel belang toch een hogere factor wegens het gewicht van de zaak aangewezen kan zijn, afhankelijk van de aard en complexiteit van de rechtskundige problematiek. d) Indien het (hoger) beroep uitsluitend gegrond is omdat het bezwaar of het beroep evident ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Te denken valt aan een geval waarin het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding, maar tijdens de beroeps- respectievelijk hoger beroepsfase blijkt van een wel tijdig ingediend bezwaar- respectievelijk beroepschrift dat eerder over het hoofd is gezien of zoek is geraakt.
e) Indien het (hoger) beroep een gebruikersheffing betreft en de aanslag wordt vernietigd omdat de belanghebbende geen gebruiker is. Om de aanslag te bestrijden kan de gemachtigde volstaan met het argument dat de belanghebbende geen gebruiker is. Dan is sprake van een eenvoudige feitelijke en juridische kwestie, die voor de gemachtigde slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden van beperkte duur meebrengen.
f) Indien het (hoger) beroep uitsluitend gaat over het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
g) Indien het (hoger) beroep uitsluitend gegrond is wegens een aan de belanghebbende toe te kennen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660). 4.6.4.4. Het Hof hanteert in beginsel als wegingsfactor 0,25 in de volgende gevallen:
a. a) Bij alle evidente tel- en rekenfouten en daarmee gelijk te stellen misslagen. Te denken valt aan evidente tel- en rekenfouten in de heffingsgrondslag of in de berekening van de (proces)kostenvergoeding (bijvoorbeeld toepassing van een onjuist tarief per punt, het abusievelijk niet meetellen van een toegekende vergoeding van een deskundigenrapport of het ten onrechte niet vermeerderen van de vergoeding voor een deskundigenrapport met BTW).
b) Indien het hoger beroep enkel slaagt omdat de belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over de door de rechtbank toegekende vergoeding wegens immateriële schade (Hof ´s-Hertogenbosch 9 februari 2018, nr. 17/00357, ECLI:NL:GHSHE:2018:567). c) Indien uitsluitend in geschil is de vergoeding van rente over in strijd met het EU-recht geheven belasting (de zogenoemde Irimie-rente).
4.6.4.5. Wegingsfactor 1,5 hanteert het Hof in beginsel in de volgende gevallen:
a. a) Bij zaken die zich duidelijk onderscheiden in belang en complexiteit en aard van de door de rechtsbijstandsverlener verrichte werkzaamheden.
b) Indien meerdere WOZ-beschikkingen in één biljet zijn opgenomen en de aan die waarderingen ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zodanig verschillen dat ze een afzonderlijke behandeling vergen en daarmee de werkzaamheden van de gemachtigde meer dan gemiddeld complex maken. Het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/02674, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, waarin het volgende is overwogen: “Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Bpb is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (zie HR 13 juli 2012, nr. 11/01222, LJN BX0892, BNB 2012/292, onderdeel 3.3.3). Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak.”.
4.6.4.6. Het Hof hanteert slechts in uitzonderlijke gevallen factor 2 wegens het gewicht van de zaak. Te denken valt aan in één biljet verenigde beschikkingen, houdende de waardering van zeer grote aantallen onroerende zaken, terwijl die waarderingen een afzonderlijke behandeling vergen en daarmee de werkzaamheden van de gemachtigde buitengewoon complex maken. Voor het overige leent de categorie ‘uitzonderlijke gevallen’ zich niet voor een omschrijving in algemene zin en dus niet voor het geven van richtsnoeren.
4.6.6.Artikel 2, lid 2, van het Bpb
4.6.6.1. Artikel 2, lid 2, van het Bpb luidt als volgt:
“Indien een partij of een belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, kan het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag worden verminderd. Het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag kan eveneens worden verminderd indien het beroep bij de bestuursrechter is ingetrokken omdat gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.”.
4.6.6.2. In de Nota van toelichting behorend bij het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep (Stb. 2002, 113), is het volgende vermeld:
“Op grond van het tweede lid van artikel 2 (https://www.navigator.nl/vakstudie/WKNL_CSL_606/openCitation/%20ida830b555c047b76a36e8e507b6bbd02e) heeft de administratieve rechter, bij een veroordeling van de kosten ten gunste van de partij die slechts gedeeltelijk gelijk heeft gekregen, de bevoegdheid om niet de volledige kostenvergoeding toe te kennen. Dit geldt ook in het geval het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Door de wijziging van dit artikellid heeft ook het bestuursorgaan de mogelijkheid om niet de volledige kostenvergoeding toe te kennen in het geval slechts gedeeltelijk aan het bezwaar of administratief beroep wordt tegemoetgekomen.
De situatie waarin het bezwaar wordt ingetrokken bij gedeeltelijk tegemoetkomen aan de indiener van het bezwaarschrift behoeft niet apart te worden geregeld. Zolang de indiener zijn verzoek om vergoeding handhaaft is immers het bezwaarschrift niet geheel ingetrokken.”.
4.6.6.3. Zoals hiervoor in 4.6.4.1 is overwogen, ontleent het Hof aan artikel 2, lid 2, van het Bpb de bevoegdheid de factor wegens zwaarte van de zaak onder bijzondere omstandigheden lager vast te stellen, zoals het geval waarin een geschil in essentie om een kwestie van ondergeschikt belang gaat, maar de zaak inhoudelijk wordt aangevuld of opgeklopt met ongegronde grieven die zijn aangevoerd met de kennelijke bedoeling om de zaak onnodig bewerkelijk of gecompliceerd te doen lijken.
4.6.7.Artikel 2, lid 3, van het Bpb
4.6.7.1. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb, kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Bpb.
Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen, omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder is aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.
4.6.7.2. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend te worden toegepast (Hoge Raad 8 april 2011, nr. 10 /00652, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415). Artikel 2, lid 3, van het Bpb leent zich daarom niet voor het geven van richtsnoeren. 4.6.7.3. Een afwijzing van een verzoek om toekenning van een hogere vergoeding van proceskosten wegens bijzondere omstandigheden behoeft geen nadere motivering (Hoge Raad 5 januari 2018, nr. 17/00123, ECLI:NL:HR:2018:4).