Belanghebbende was het niet eens met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2002 en maakte bezwaar. Na handhaving van de aanslag door de Inspecteur, stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank en vroeg om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wees het beroep ongegrond maar kende een immateriële schadevergoeding van €1000 toe. Het griffierecht en proceskosten werden niet vergoed.
Het hof bevestigde dit oordeel en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat belanghebbende op alle geschilpunten in het ongelijk werd gesteld, behalve voor de immateriële schadevergoeding. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelt dat bij toekenning van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding het griffierecht aan belanghebbende moet worden vergoed en dat proceskostenvergoeding moet worden toegekend indien aan de voorwaarden is voldaan. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het proceskosten en griffierecht betreft, veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, en veroordeelt de Staatssecretaris in de kosten van cassatie.
De Hoge Raad past hierbij een wegingsfactor toe voor de zwaarte van de zaak en bepaalt dat de Inspecteur slechts hoeft te vergoeden voor het beroep en hoger beroep, niet voor het bezwaar. Hiermee wordt het belang van een correcte proceskostenregeling bij bestuursrechtelijke belastinggeschillen benadrukt.