Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 19 oktober 2023
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
[adres] te [woonplaats]
Conclusie
aanslagnummer [aanslagnummer]. Ik ben voornemens het bezwaar tegen deze naheffingsaanslag af te wijzen.
Hof:voorlopige voorziening], welke eerder deze week ingediend is.”
Betaling € 13.418
Vermindering en verrekening € 13.418
Oordeel van de Rechtbank
28 oktober 2019 om 10.00 uur. Eiser heeft hier niet op gereageerd waarop verweerder bij brief van 23 oktober 2019 het aanbod voor 28 oktober 2019 heeft herhaald en als alternatief 31 oktober 2019 om 15.00 uur heeft gegeven. Eiser heeft in reactie hierop meegedeeld dat wat hem betreft een hoorgesprek medio november zou kunnen plaatsvinden en verweerder verzocht daartoe contact op te nemen met mevrouw [C] . Op 5 november 2019 hebben verweerder en [C] afgesproken dat het hoorgesprek zal plaatsvinden op 15 november 2019 om 10:00 uur. Bij e-mail van 8 november 2019 deelt eiser mee hier niet mee akkoord te gaan onder meer omdat verweerder ook de uitspraaktermijn heeft verlengd. Verweerder heeft vervolgens per e-mail van 11 november 2019 meegedeeld geen aanleiding te zien een nieuwe afspraak te maken en dat hij vasthoudt aan het gesprek op 15 november 2019. Gezien het voorgaande is geen sprake van schending van de hoorplicht. Eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van zijn hoorrecht. Dat hij heeft besloten niet op het hoorgesprek van 15 november 2019 te verschijnen, dient voor zijn rekening en risico te blijven[3]. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de afspraak voor dit gesprek is gemaakt met [C] , degene die daartoe door eiser is aangewezen, en dat gesteld noch gebleken is dat eiser op 15 november 2019 verhinderd was.
7:4 van de Awb voorbij.
16 van de Awr en dat om die reden de naheffingsaanslagen moeten komen te vervallen. Deze stelling berust op een misvatting. Artikel 16 van Pro de Awr ziet op navorderingsaanslagen en niet op naheffingsaanslagen zoals hier aan de orde zijn. Deze naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op artikel 20 van Pro de Awr dat niet de eis van een nieuw feit bevat. De rechtbank heeft het betoog van eiser over het ontbreken van een nieuw feit daarom opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
Proceskosten en griffierecht
Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 2014-2015 en 2016;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
- bevestigt de uitspraak op bezwaar voor het tijdvak 2014-2015;
- vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 2016 met een bedrag van € 2.817;
- vermindert de rentebeschikking over het tijdvak 2016 dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 215;
- bepaalt dat de Inspecteur het griffierecht van € 270 aan belanghebbende moet vergoeden.