ECLI:NL:HR:2020:1670
Hoge Raad
- Cassatie
- M.E. van Hilten
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- L.F. van Kalmthout
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing art. 8:42 Awb inzake overlegging op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over aansprakelijkstelling voor nageheven loonheffingen van meerdere jaren. De kern van het geschil betrof de vraag of het bestuursorgaan (de ontvanger) alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder buitenlandse informatie, aan de rechter had overgelegd zoals vereist op grond van artikel 8:42 Awb Pro.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 8:42 Awb Pro vereist dat het bestuursorgaan alle relevante stukken die het ter beschikking staan aan de rechter overlegt, zodat de belanghebbende zich hierover kan uitlaten en de rechter een volledige beoordeling kan maken. De rechter moet toezien op naleving en kan het bestuursorgaan opdragen verzuim te herstellen, maar is niet verplicht ambtshalve onderzoek te doen naar ontbrekende stukken.
In deze zaak had het hof vastgesteld dat navraag was gedaan bij buitenlandse belastingautoriteiten, maar dat er geen documenten bestonden die relevant waren voor de zaak. Belanghebbende had ook geen gemotiveerd verzoek gedaan tot overlegging van dergelijke stukken. Daarom was het hof niet gehouden verder onderzoek te doen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak benadrukt het belang van artikel 8:42 Awb Pro voor een volledige en transparante procesvoering in bestuursrechtelijke procedures en bevestigt dat klachten over schending van deze bepaling ook in cassatie kunnen worden ingebracht, ook als dit niet eerder bij het hof is gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het bestuursorgaan niet gehouden was ontbrekende buitenlandse stukken te overleggen.