Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van de
Rechtbank te Arnhemvan 6 december 2012, nr. AWB 11/4103, betreffende een aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een ondernemer die een kantoorpand liet bouwen en dit aanvankelijk vrijgesteld verhuurde, stelde dat de omzetbelasting die hij in 2003 had voldaan, moest worden herzien toen het pand vanaf 1 augustus 2008 leeg kwam te staan en niet meer vrijgesteld werd verhuurd.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij van mening was dat geen recht op herziening bestond. De Rechtbank te Arnhem oordeelde echter dat belanghebbende recht had op herziening van een deel van de omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2010.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de beëindiging van de vrijgestelde verhuur en de daaropvolgende leegstand, met het voornemen tot belaste verhuur, een wijziging van het recht op aftrek van omzetbelasting meebrengt. Hierdoor is herziening van de eerder in aftrek gebrachte omzetbelasting gerechtvaardigd.
Het incidentele beroep van belanghebbende werd niet behandeld omdat het geen gunstiger resultaat zou opleveren. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de herziening van de omzetbelasting terecht is toegepast na het beëindigen van de vrijgestelde verhuur en leegstand van het kantoorpand.