ECLI:NL:GHDHA:2021:1049
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verzekeringsplicht Rijnvarende en premieheffing volksverzekeringen 2010
Belanghebbende was in 2010 werkzaam als Rijnvarende op een motortankschip geëxploiteerd door een Nederlandse vennootschap. Hij stelde zich verzekerd te achten in Luxemburg en betwistte de premieheffing in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is op belanghebbende op grond van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst, waarbij de exploitant van het schip bepalend is. De E101-verklaring uit Luxemburg werd niet erkend als rechtsgeldig.
In hoger beroep bevestigde het Hof deze lijn en verwierp bezwaren tegen de procedure en het beginsel van loyale samenwerking. Het Hof wees ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel af en oordeelde dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep, maar kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding in de bezwaarfase.
De aanslag premieheffing volksverzekeringen werd bevestigd, proceskosten werden toegewezen aan belanghebbende en het beroep werd gegrond verklaard voor de immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: Belanghebbende is in 2010 verzekerd en premieplichtig in Nederland; aanslag wordt bevestigd en immateriële schadevergoeding toegekend.