ECLI:NL:HR:2011:BP3044
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over intrekking uitkering zwangerschap zelfstandigen en rechtstreekse werking Vrouwenverdrag
Deze zaak betreft het beroep van Clara Wichmann c.s. tegen de Staat over het intrekken van een publiekrechtelijke regeling die vrouwelijke zelfstandigen aanspraak gaf op een uitkering bij zwangerschap en bevalling. De regeling werd beëindigd per 1 augustus 2004, waarna vrouwelijke zelfstandigen aangewezen waren op particuliere verzekeringen met beperkende voorwaarden. De eisers stelden dat de Staat hiermee onrechtmatig handelde en in strijd met art. 11 lid Pro 2, onder b, van het Vrouwenverdrag en art. 4 en Pro 8 van de Zelfstandigenrichtlijn.
De rechtbank en het hof verwierpen de vorderingen. Het hof oordeelde dat art. 11 lid Pro 2, onder b, Vrouwenverdrag geen rechtstreekse werking heeft omdat de bepaling onvoldoende nauwkeurig is om door de nationale rechter te worden toegepast. Ook bevat de Zelfstandigenrichtlijn geen verplichting tot het invoeren van een uitkering voor vrouwelijke zelfstandigen bij zwangerschap en moederschap. Het intrekken van de regeling was daarom niet onrechtmatig.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Tevens veroordeelde de Hoge Raad Clara Wichmann c.s. in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee is het standpunt van de Staat bevestigd dat de intrekking van de publiekrechtelijke regeling niet in strijd is met het Vrouwenverdrag of de Zelfstandigenrichtlijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de intrekking van de publiekrechtelijke uitkering voor vrouwelijke zelfstandigen bij zwangerschap is niet onrechtmatig.