Uitspraak
Datum uitspraak: 1 april 2020
Raad van State
Appellante, afkomstig uit de Verenigde Arabische Emiraten en sinds november 2017 woonachtig in Haarlem, verbleef sinds februari 2018 met haar dochter in maatschappelijke opvang. Zij vroeg een urgentieverklaring aan om sneller aan een woning te komen, maar het college wees dit af wegens het ontbreken van een vereiste woongeschiedenis van twee jaar in Haarlem.
De rechtbank oordeelde dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen en dat er geen bijzondere hardheid was die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde. Ook het beroep op het Europees Sociaal Handvest en het Europees Comité voor Sociale Rechten faalde, omdat deze niet rechtstreeks toepasbaar zijn.
Appellante stelde dat haar binding met Haarlem, haar opleiding, vrijwilligerswerk en de school van haar dochter een urgentie rechtvaardigden, mede op grond van het EVRM en het Verdrag inzake de rechten van het kind. De Raad van State oordeelde echter dat het college het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling mocht laten prevaleren en dat er geen positieve verplichting tot urgentieverklaring bestond.
De belangen van het kind waren voldoende meegewogen door het college, dat geen noodsituatie aannam. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.