Uitspraak
Datum uitspraak: 3 februari 2021
Raad van State
Appellant verzocht de staatssecretaris van Financiën om op grond van de bilaterale belastingverdragen met Duitsland en Frankrijk een onderlinge overlegprocedure te starten vanwege vermeende dubbele belastingheffing op dividenden die hij in 2012 en 2013 ontving. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de afwijzing van het verzoek tot het starten van een onderlinge overlegprocedure een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dat zij bevoegd is hierover te oordelen, omdat het besluit niet onder de belastingrechter valt. De Afdeling stelt vast dat de belastingverdragen een publiekrechtelijke grondslag vormen en dat de staatssecretaris geen discretionaire ruimte heeft bij de beoordeling of sprake is van belastingheffing in strijd met het verdrag.
De Afdeling overweegt verder dat de vermeende dubbele belastingheffing niet in strijd is met de belastingverdragen, omdat Nederland de juiste verrekening heeft toegepast en de mogelijkheid bestaat om in Duitsland en Frankrijk teveel geheven bronbelasting terug te vorderen. De onderlinge overlegprocedure is niet bedoeld om te beoordelen of de belastingheffing in de bronstaat in strijd is met Europees recht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot het starten van een onderlinge overlegprocedure bevestigd.