ECLI:NL:RVS:2019:2540
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- H.C.P. Venema
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering huurtoeslag wegens verblijfstitel medebewoners in december 2016
Appellante ontving in 2016 voorschotten huurtoeslag die door de Belastingdienst/Toeslagen werden herzien vanwege het ontbreken van geldige verblijfstitels van haar inwonende kinderen. De discussie spitste zich toe op de maand december 2016, waarin haar dochter en zoon geen rechtmatig verblijf hadden. De rechtbank oordeelde dat appellante geen recht had op huurtoeslag over die maand en dat dit niet in strijd was met het EVRM, IVRK of IVBPR.
Appellante voerde aan dat de weigering een inbreuk op het recht op gezinsleven en het non-discriminatiebeginsel vormde, en dat zij door de weigering dakloos dreigde te worden. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het koppelingsbeginsel, dat het recht op voorzieningen koppelt aan rechtmatig verblijf, een legitiem doel dient en objectief gerechtvaardigd is. De omstandigheden van appellante waren niet zodanig bijzonder dat het koppelingsbeginsel buiten toepassing moest worden gelaten.
Verder oordeelde de Afdeling dat de weigering niet in strijd is met internationale verdragen zoals het IVRK, omdat het recht op huurtoeslag niet rechtstreeks aan kinderen toekomt en de regeling is gericht op het voorkomen van voortzetting van illegaal verblijf. Het beroep van appellante faalde, en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellante geen recht heeft op huurtoeslag over december 2016 vanwege het ontbreken van geldige verblijfstitels van haar medebewoners.