ECLI:NL:RBZWB:2025:8774

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5694 RWNL
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van Nederlanderschap wegens veroordeling voor terrorisme en de gevolgen voor familie- en privéleven

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres, die veroordeeld was voor deelname aan de terroristische organisatie 'IS'. Eiseres, geboren in Marokko, had via medenaturalisatie de Nederlandse nationaliteit verkregen. De rechtbank oordeelde dat de intrekking van het Nederlanderschap rechtmatig was, omdat eiseres onherroepelijk was veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. De rechtbank heeft de persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder haar rol als moeder van twee minderjarige kinderen, in de beoordeling betrokken, maar oordeelde dat deze omstandigheden niet voldoende waren om van intrekking af te zien. De rechtbank concludeerde dat de intrekking niet in strijd was met het discriminatieverbod of het verbod op dubbele bestraffing. Eiseres had aangevoerd dat de intrekking van haar Nederlanderschap in strijd was met haar recht op familie- en privéleven, maar de rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit op zichzelf niet leidde tot een verplichting voor eiseres om Nederland te verlaten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5694 RWNL

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. J.V. de Kort, mr. dr. M.J. Vetzo en [naam]).

Inleiding

In het besluit van 24 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de intrekking van haar Nederlanderschap ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op een zitting behandeld in Middelburg. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.V. de Kort en [naam].
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
1. Eiseres is geboren in [plaats] op [datum 1] 1995. Zij heeft door geboorte de Marokkaanse nationaliteit en vanaf 1 september 1998 via medenaturalisatie tevens de Nederlandse nationaliteit.
2. In het vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Rotterdam van 12 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3131, is eiseres veroordeeld voor deelname aan de terroristische organisatie 'IS' en voor het voorbereiden van terroristische misdrijven in de periode [datum 1] 2013 tot en met 30 oktober 2019. Zij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, onder een algemene en een zestal bijzondere voorwaarden. Deze veroordeling is onherroepelijk.
3. In twee eerdere afzonderlijke besluiten van 30 oktober 2019 heeft verweerder het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), en haar tot ongewenst vreemdeling verklaard. De daartegen door eiseres ingestelde beroepen zijn in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12130, ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft echter in de uitspraak van 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1722, zowel deze uitspraak van de rechtbank als de besluiten van 30 oktober 2019 vernietigd.
4. Op 6 juli 2022 is eiseres uit detentie voorwaardelijk vrijgekomen. In de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7984, is de uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen van eiseres niet verlengd. Eiseres is sindsdien weer verantwoordelijk voor de opvoeding van haar zoontjes die respectievelijk op [datum 2] 2015 en [datum 3] 2016 in Syrië zijn geboren. Hun vader is tijdens de oorlog in Syrië omgekomen.
5. Verweerder heeft op 19 oktober 2022 het voornemen geuit om opnieuw het Nederlanderschap van eiseres in te trekken. Eiseres heeft hierop een zienswijze ingediend. Zij is op 18 januari 2023 door verweerder gehoord over haar zienswijze. In het besluit van 17 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiseres opnieuw ingetrokken, maar nu op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. Eiseres heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om haar tot zes weken nadat er op het bezwaar is beslist te behandelen als Nederlandse. Dit verzoek is toegewezen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3687. Op 28 juni 2023 is eiseres over haar bezwaar gehoord door de ambtelijke hoorcommissie van verweerder.
6. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om haar tot zes weken nadat op het beroep is beslist te behandelen als Nederlandse. Dit verzoek is toegewezen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6010. In een afzonderlijk besluit, eveneens van 24 juni 2024, is tegen eiseres een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd. Hiertegen loopt een afzonderlijke procedure.
Bestreden besluit
7. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder is daarmee bij zijn besluit gebleven om het Nederlanderschap van eiseres in te trekken. Dit heeft verweerder gebaseerd op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. Daarin staat dat het Nederlanderschap kan worden ingetrokken als een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf.
8. Onder verwijzing naar het primaire besluit en de vaste rechtspraak van de Afdeling vindt verweerder dat deze intrekking niet in strijd is met het discriminatieverbod, het
ne bis in idem-beginsel en het legaliteitsbeginsel.
9. Daarnaast volgt verweerder eiseres niet in haar stelling dat er te weinig rekening is gehouden met haar persoonlijke omstandigheden zodat artikel 68a van het Besluit Verkrijging en Verlies Nederlanderschap (BVVN) te beperkt is toegepast. In dat artikel staat dat verweerder bij het intrekken van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, van de RWN rekening moet houden met de gevolgen van het verlies van Unieburgerschap en met de zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Met de intrekking van het Nederlanderschap wordt tot uitdrukking gebracht dat de band tussen Nederland en eiseres niet langer kan bestaan omdat zij met de terroristische misdrijven waarvoor zij is veroordeeld de essentiële belangen van de Nederlandse Staat heeft geschonden. Dit belang weegt zwaar. Desalniettemin is rekening gehouden met alle aangevoerde en relevante persoonlijke omstandigheden van eiseres. Die leiden echter niet tot de conclusie dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat in dit geval moet worden afgezien van intrekking van het Nederlanderschap. In dat kader overweegt verweerder het volgende.
10. Eiseres is er niet in geslaagd om te onderbouwen dat zij is gederadicaliseerd. Dat zij bezig is om te resocialiseren in de Nederlandse samenleving is daarmee niet gelijk te stellen. Uit het voortgangsverslag van de Reclassering van 25 april 2023 volgt niet zonder meer dat eiseres geen contacten meer heeft met haar voormalig jihadistisch netwerk. Ook wordt daarin gewezen op diverse kwetsbaarheden in de wijze waarop zij omgaat met haar huidige situatie. Ook wijst verweerder erop dat zij nog niet lang geleden is vrijgekomen uit detentie en dat zij nog tot 5 juli 2025 onder toezicht staat.
11. Anders dan eiseres in haar bezwaar heeft gesteld, is de intrekking van het Nederlanderschap een geschikt middel om het verbreken van de band met Nederland tot uitdrukking te brengen en is een actueel gevaar voor de openbare orde daarvoor geen vereiste. Mocht de door eiseres geschetste situatie dat zij in Nederland in de illegaliteit belandt zich al voordoen, dan zou dat een gevolg zijn van het terugkeerbesluit en inreisverbod en niet van de intrekking van het Nederlanderschap.
12. De door eiseres aangevoerde belangen van haar kinderen zijn uitvoerig besproken. De omstandigheid dat eiseres twee minderjarige kinderen heeft die zich, naar haar zeggen, in Nederland goed ontwikkelen, is echter onvoldoende om van intrekking van het Nederlanderschap af te zien. Voor zover eiseres in haar bezwaar heeft aangevoerd dat niet van haar kinderen kan worden verwacht om zich met haar in Marokko te vestigen, kan dit hoogstens een gevolg zijn van het terugkeerbesluit en het inreisverbod en niet van de intrekking van het Nederlanderschap. Overigens is niet gebleken dat het onmogelijk is voor de kinderen om zich met hun moeder in Marokko te vestigen, gelet op hun Marokkaanse nationaliteit en hun jonge leeftijd waardoor zij zich goed kunnen aanpassen aan een nieuwe situatie.
13. Ten slotte overweegt verweerder dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin het recht op familie- en privéleven is neergelegd. Omdat de intrekking niet tot gevolg heeft dat eiseres Nederland moet verlaten, is er geen direct gevolg voor haar familieleven. Wel betekent de intrekking een inmenging in het recht op privéleven van eiseres, maar die inmenging is gerechtvaardigd. Daarbij is rekening gehouden met alle persoonlijke omstandigheden en belangen die eiseres naar voren heeft gebracht in de voornemenprocedure en tijdens het zienswijzegehoor. Deze wijze van toetsing is in overeenstemming met de rechtspraak van de Afdeling.
Standpunt van eiseres
14. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat het intrekken van het Nederlanderschap in strijd is met het verbod op discriminatie, omdat het enkel kan worden toegepast bij bipatride Nederlanders (Nederlanders die naast de Nederlandse nationaliteit ook nog een andere nationaliteit hebben) en niet bij monopatride Nederlanders (Nederlanders die alleen de Nederlandse nationaliteit hebben). Dit komt doordat het niet is toegestaan om iemand staatloos te maken. Dit onderscheid leidt tot directe discriminatie op grond van nationaliteit en tot indirecte discriminatie op grond van ras, etniciteit en geloof. Dit is in strijd met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Hv), 5 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR) en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Verweerder heeft op dit punt ten onrechte volstaan met een verwijzing naar het primaire besluit en de rechtspraak van de Afdeling, omdat eiseres nieuwe argumenten heeft ingebracht die dusdoende niet zijn besproken. Dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres wijst hierbij op het tijdschriftartikel ‘Ontneming Nederlanderschap bij terrorisme. Het rammelt aan alle kanten’ (H.U. Jessurun d’Oliveira, A&MR 2023-10), het tijdschriftartikel ‘Nationaliteitsrecht als instrument voor een restrictief vreemdelingenbeleid’ (P. Rodrigues, A&MR 2024-5/6) en het rapport ‘Deprivation of nationality as a national security measure: An assessment of the compliance of the Netherlands with international human rights standards’ (ISI, juli 2020).
15. Daarnaast voert eiseres aan dat de intrekking in strijd is met het
ne bis in idem-beginsel. Dit beginsel houdt in dat iemand niet tweemaal voor hetzelfde feit mag worden gestraft. Eiseres is al door de strafrechter veroordeeld en bestraft met een vrijheidsbenemende straf, maar ook de maatregel van het intrekken van het Nederlanderschap is volgens haar bestraffend van aard. Het is namelijk een reactieve maatregel die vergeleken kan worden met de oude straf van verbanning en de bestaande straf van ontzegging van het kiesrecht.
16. Verder voert eiseres aan dat verweerder artikel 68a van het BVVN te beperkt uitlegt door in dat kader alleen de zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden te beoordelen, en niet alle andere relevante omstandigheden. Dat alle relevante omstandigheden moeten worden betrokken, volgt volgens eiseres uit het rapport ‘ Tussen wet en praktijk – Werking en effect in de praktijk van het intrekken van het Nederlanderschap (RWN art. 14.2)’ van ABDTOPConsult van 14 februari 2020 en uit de Kabinetsreactie daarop in de Kamerbrief van 25 juni 2020 (kenmerk 2906145). Deze brief moet volgens eiseres worden gezien als een beleidsregel, dan wel als een richtlijn die verweerder bindt via de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook op dit punt is in het bestreden besluit te summier op het bezwaar gereageerd.
17. Ook vindt eiseres dat zij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat zij is gederadicaliseerd. In de rapportage van de Reclassering van 25 april 2023 wordt juist vermeld dat er geen aanwijzingen zijn dat zij nog contact heeft met haar voormalig jihadistisch netwerk. Daarnaast legt eiseres een e-mail van de Reclassering van 15 juli 2024 over waaruit dit ook blijkt. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 25 mei 2023 geoordeeld dat eiseres geen gevaar vormt voor de openbare orde, en verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet gemotiveerd weerlegd. In tegenstelling tot wat verweerder heeft overwogen, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, geoordeeld dat er in dit kader wel een actualiteitstoets moet plaatsvinden.
18. Door aan te nemen dat personen die zijn veroordeeld voor een terroristisch misdrijf hun band met Nederland hebben verbroken, ontstaat er volgens eiseres een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Dat is in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en met het recht op een doeltreffend rechtsmiddel zoals neergelegd in de artikelen 47 van het Hv en 13 van het EVRM. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) wordt de toepassing van rechtsvermoedens begrensd door de vereisten van doeltreffendheid, effectiviteit en evenredigheid. Het bestreden besluit voldoet hier niet aan, omdat geen rekening is gehouden met de band die eiseres
in concretowel heeft met Nederland, met het tijdsverloop tussen de naturalisatie en het intrekkingsbesluit, en met de beperking van Unierechtelijke grondrechten. Hierbij wijst eiseres op de arresten van het HvJ EU in de zaken Rottman (2 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:104) en Tjebbes (12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189). Daarbij komt volgens eiseres dat uit de parlementaire geschiedenis van de RWN volgt dat de wetgever niet alleen de verbreking van de band met Nederland van belang acht, maar ook de vraag in hoeverre de betrokkene een actuele bedreiging is voor de nationale veiligheid. In het bestreden besluit is deze vraag echter niet beoordeeld. Ook stelt eiseres dat het bestreden besluit niet doeltreffend is, omdat bij monopatride Nederlanders die terroristische misdrijven plegen andere middelen kennelijk volstaan en omdat het zich niet kunnen manifesteren als Nederlander ook met andere maatregelen, zoals uitsluiting van het kiesrecht, kan worden bereikt. Verder volgt uit het rapport ‘Vervolgonderzoek naar de terroristenafdelingen in Nederland’ van de Inspectie Justitie en Veiligheid van [datum 1] 2022 dat intrekking van het Nederlanderschap niet bijdraagt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Hierbij speelt mee dat ongedocumenteerde personen met de Marokkaanse nationaliteit, zoals eiseres, moeilijk uitzetbaar zijn.
19. Verder voert eiseres aan dat verweerder de belangen van haar kinderen onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft alleen in het primaire besluit overwogen dat zij hun Nederlanderschap niet verliezen. Dusdoende heeft verweerder miskend dat eiseres vanwege het bestreden besluit geen recht meer heeft op voorzieningen en dus niet meer kan zorgen voor het levensonderhoud van haar kinderen. Daarnaast moet het scenario van terugkeer naar Marokko wel degelijk ook in het kader van de intrekking van het Nederlanderschap worden besproken, omdat die intrekking de deur opent voor het terugkeerbesluit en inreisverbod. In dat kader stelt eiseres dat zij geen netwerk heeft in Marokko en er de voertaal niet spreekt, terwijl zij wel geworteld is in Nederland. Ook zouden de kinderen worden gescheiden van hun familie, vrienden en sportvereniging. Dat eiseres als enige verzorgende ouder zonder de kinderen naar Marokko zou gaan, is ondenkbaar. Eiseres verwijst hierbij naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken Udeh (16 april 2013, 12020/09) en El Ghatet (8 november 2016, 56971/10).
20. Ten slotte voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ook op dit punt te summier gereageerd op de gronden van bezwaar. Zo heeft verweerder miskend dat het gezinsleven wel degelijk wordt geraakt door het bestreden besluit, aangezien de wijze waarop eiseres het gezinsleven met haar kinderen uitoefent door de intrekking wordt beïnvloed. Omdat zij niet meer kan werken en geen uitkering kan ontvangen, wordt zij afhankelijk van haar ouders en kan zij geen eigen huis betalen. Eiseres wijst in dit kader op de arresten van het EHRM in de zaken Yordanova (24 april 2012, 25446/06) en Ghoumid (25 juni 2020, 52273/16). Reeds door intrekking van het Nederlanderschap ontstaat er onrechtmatig verblijf, zodat wel degelijk in deze zaak een volledige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moet plaatsvinden. Ten aanzien van het privéleven heeft verweerder ten onrechte het algemene belang van de Nederlandse Staat laten prevaleren boven haar persoonlijke belang. Eiseres belandt vanwege het bestreden besluit in de illegaliteit en heeft nergens meer recht op, terwijl zij geen actuele bedreiging vormt en, anders dan verweerder veronderstelt, nog steeds een band heeft met Nederland en niet met Marokko. In dit kader heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan de criteria van het arrest van het EHRM in de zaak Boultif (2 augustus 2001, 54273/00).
Standpunt van verweerder
21. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het bestreden besluit rechtmatig is. Artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geeft verweerder de bevoegdheid om tot intrekking van het Nederlanderschap over te gaan als iemand is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. De ruimte op grond van artikel 68a BVVN om vanwege de gevolgen van het verlies van Unieburgerschap of vanwege zeer bijzondere individuele omstandigheden van intrekking af te zien is beperkt. Dit is bevestigd in de vaste rechtspraak van de Afdeling.
22. Eiseres is in de zienswijzeprocedure en in de bezwaarprocedure in de gelegenheid gesteld om haar persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen. Verweerder heeft daarin terecht geen aanleiding gezien om van intrekking af te zien.
23. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat intrekking van het Nederlanderschap bij bipatride Nederlanders niet in strijd is met het discriminatieverbod. Verweerder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op het door eiseres aangehaalde rapport van het ISI en op de door haar aangehaalde tijdschriftartikelen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de daarin opgevoerde argumenten al door de Afdeling zijn verworpen.
24. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat intrekking van het Nederlanderschap geen punitieve sanctie is. Alleen al daarom kan geen sprake zijn van strijd met het
ne bis in idem-beginsel.
25. Het door eiseres aangehaalde rapport van ABDTOPConsult is een evaluatierapport, en de door eiseres aangehaalde Kamerbrief is een reactie daarop. Deze stukken dwingen niet tot de gevolgtrekking dat de beslispraktijk onder artikel 68a van het BVVN moet worden gewijzigd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, al geoordeeld dat de Kamerbrief niet kan worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid.
26. Eiseres kan niet worden gevolgd in haar stelling dat sprake is van een onweerlegbare rechtspresumptie. Het beoordelingskader biedt namelijk ruimte om in bijzondere omstandigheden van intrekking af te zien. Dit kader is volgens de rechtspraak van de Afdeling in overeenstemming met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel zoals uitgelegd door het HvJ EU. Deze evenredigheidsbeoordeling moet afgestemd zijn op het uitdrukking geven aan de verbreking van de band met Nederland, niet op de bescherming van de nationale veiligheid.
27. De actualiteit van het gevaar voor de nationale veiligheid dat van eiseres uitgaat is geen vereiste voor intrekking van het Nederlanderschap, maar hoogstens een aspect van de belangenafweging onder artikel 68a van het BVVN. Wat eiseres hierover aanvoert, noopt niet tot afzien van intrekking. Eiseres heeft zich gedurende zes jaar bij de terroristische organisatie ‘IS’ aangesloten en heeft daarmee de essentiële belangen van Nederland ernstig geschaad. Daar komt bij dat zij haar gestelde deradicalisering onvoldoende heeft onderbouwd. Haar resocialisering is niet gelijk te stellen aan deradicalisering. Bovendien speelt de gestelde ontwikkeling zich af in een periode waarin eiseres nog onder streng reclasseringstoezicht staat, zodat daaraan slechts een betrekkelijk klein gewicht kan worden toegekend. Dit heeft de Afdeling ook geoordeeld in haar uitspraak van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2670. Daarnaast heeft eiseres tijdens het zienswijzegehoor een deel van de feiten waarvoor zij is veroordeeld ontkend en geminimaliseerd. Dit weegt sterk in haar nadeel. Uit het voortgangsverslag en de e-mail van de Reclassering volgt niet zonder meer de overtuiging dat er geen contacten meer zijn met het voormalig jihadistisch netwerk. Wel geeft de Reclassering aan dat elektronische monitoring over een langere periode vereist is om te controleren of die contacten er zijn, mede gelet op kwetsbaarheden in de positie van eiseres.
28. De belangen van de kinderen van eiseres zijn voldoende in de beoordeling betrokken. De overwegingen van de Afdeling in de eerdere uitspraak ten aanzien van eiseres van 29 juni 2022 zijn in deze zaak niet toepasbaar, omdat het daarin ging om een ongewenstverklaring. Verweerder is er in het bestreden besluit op ingegaan dat eiseres een alleenstaande moeder is met het volledige gezag over haar kinderen en dat het nu goed met hen gaat. Daarnaast is verweerder er niet aan voorbij gegaan dat het voor eiseres en haar kinderen moeilijk zal zijn om zich buiten Nederland te vestigen. Verweerder heeft echter kunnen overwegen dat dit voor hen niet onmogelijk is gelet op hun Marokkaanse nationaliteit, het feit dat eiseres beperkt Arabisch spreekt, het feit dat eiseres meermaals in Marokko is geweest, en de omstandigheid dat de kinderen nog jong zijn en zich daarom goed kunnen aanpassen aan een nieuwe situatie. Op 3 mei 2023 heeft eiseres in een gesprek met de regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek aangegeven dat zij bereid is om met haar kinderen te vertrekken naar Marokko en dat zij al mogelijkheden hiervoor heeft bekeken.
29. Ten slotte kan eiseres niet worden gevolgd in haar stelling dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Omdat het bestreden besluit als zodanig niet tot gevolg heeft dat eiseres Nederland moet verlaten, wordt geen inbreuk gemaakt op het recht op familieleven. Uit de door eiseres aangehaalde arresten Ghoumid en Yordanova kan niet het tegendeel worden afgeleid. Bij de belangenafweging omtrent het privéleven zijn alle relevante omstandigheden betrokken. Anders dan eiseres stelt, is toetsing aan de criteria van het Boultif-arrest niet vereist. Dit heeft plaatsgevonden in het kader van het terugkeerbesluit en inreisverbod.
Aanvullende standpunten
30. In haar reactie van 3 september 2025 op het verweerschrift doet eiseres een beroep op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1849, waarin is geoordeeld dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN sprake is van directe discriminatie op grond van op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming, en dat een dergelijk onderscheid nooit kan worden gerechtvaardigd.
31. Daarnaast voert eiseres nog aan dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom hij vindt dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij is gederadicaliseerd. In dit kader legt eiseres een afloopbericht van de Reclassering van 9 april 2025 over alsmede een begeleidend schrijven van de Reclassering van onbekende datum bij het aanvragen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Hieruit volgt dat eiseres altijd goed heeft meegewerkt en geen blijk heeft gegeven van interesse in haar oude netwerk. Het toezicht is eerder afgesloten omdat alle doelen zijn behaald en het risico wordt ingeschat als laag. Eiseres wil in de ouderenzorg gaan werken en hierover wordt positief geadviseerd. Deze gegevens moeten kenbaar in de beoordeling worden betrokken omdat er
ex nuncgetoetst moet worden. Hierbij verwijst eiseres naar het arrest van het HvJ EU in de zaak S, E en C (9 februari 2023, ECLI:EU:C:2023:77) en naar de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:35.
32. Verder merkt eiseres op dat zij zich niet kan vinden in het standpunt van verweerder dat resocialisatie niet gelijk te stellen is aan deradicalisering. Omdat radicalisering onder meer inhoudt dat men zich afkeert van de samenleving, kan resocialisatie niet succesvol plaatsvinden zonder deradicalisering. Als nooit doorslaggevend gewicht zou kunnen worden toegekend aan een succesvolle re-integratie in de samenleving, zou wel degelijk sprake zijn van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Dat is in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel. Verweerder moet rekening houden met Unierechtelijke grondrechten zoals het recht op familie- en privéleven, en mag zich niet op het standpunt stellen dat een eenmaal verbroken band nooit kan worden hersteld. Alle gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap moeten in de beoordeling worden betrokken, dus ook de gevolgen van na de intrekking.
33. Tijdens de zitting van 11 september 2025 heeft eiseres nog een verklaring van Emancipatie Expertise Centrum Feniks van 9 september 2025 overgelegd, waarin staat dat zij actief deelneemt aan een ontwikkelingstraject en in de startblokken staat om zich in te zetten voor werk, dan wel studie.
34. Verweerder heeft tijdens de zitting in reactie hierop naar voren gebracht dat er hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025, en dat de rechtbank Den Haag daarna nog een uitspraak heeft gedaan in lijn met de vaste rechtspraak van de Afdeling (11 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14976). Ook heeft verweerder tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat de rechtbank
ex tuncmoet toetsen. Verder is hij bij zijn standpunten gebleven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beoordelingskader
35. De hoofdregel in het bestuursrecht is dat de bestuursrechter het bestreden besluit
ex tunctoetst, dat wil zeggen: naar de feiten zoals die waren op het moment van het bestreden besluit. Er zijn uitzonderingen op deze hoofdregel, maar die doen zich in denaturalisatiezaken zoals deze niet voor. Het door eiseres aangehaalde S, E en C-arrest van het HvJ EU maakt dit niet anders, omdat dit arrest gaat over het associatierecht met Turkije. Het door eiseres tijdens de zitting aangehaalde Kumari-arrest van het EHRM (19 november 2024, 44051/20) maakt dit evenmin anders, omdat dit arrest gaat over gezinshereniging. De rechtbank moet dan ook toetsen of verweerder het bestreden besluit gelet op de feiten zoals die toen waren terecht heeft genomen.
36. In beginsel is de rechtbank gebonden aan de rechtspraak van de Afdeling, de hoogste Nederlandse rechter in (onder meer) naturalisatiezaken. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN niet in strijd is het met het discriminatieverbod, het
ne bis in idem-beginsel en de Unierechtelijke vereisten van evenredigheid en doeltreffendheid. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank moet beoordelen of eiseres argumenten naar voren heeft gebracht die leiden tot twijfel aan deze uitspraken.
Discriminatie
37. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat intrekking van het Nederlanderschap een vorm van discriminatie is omdat dit alleen gebeurt bij bipatride Nederlanders. De rechtbank stelt hierbij voorop dat in principe iedereen die onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf om die reden te maken kan krijgen met intrekking van het Nederlanderschap. Dit gaat in de praktijk echter niet op voor mensen die daardoor staatloos zouden worden, omdat dit stuit op zowel de RWN (artikel 14, achtste lid) als het internationale recht (met name het Verdrag tot beperking der staatloosheid en het Europees Verdrag inzake nationaliteit). Dit verschil in behandeling wordt echter niet ingegeven doordat mensen een bepaalde (dubbele) nationaliteit, afkomst, ras of religie hebben, maar door de plicht om staatloosheid te voorkomen.
38. In de vaste rechtspraak van het EHRM over artikel 14 van het EVRM (het verbod op discriminatie) is geoordeeld dat een dergelijk verschil in behandeling een legitiem doel moet dienen, dat sprake moet zijn van een middel dat geschikt is om dat doel te bereiken en dat een redelijke mate van evenredigheid aanwezig moet zijn. In navolging van de rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045) oordeelt de rechtbank dat hieraan in gevallen als deze wordt voldaan. Het voorkomen van staatloosheid is een plicht die voortvloeit uit zowel het nationale als het internationale recht en is dan ook een legitiem doel. Het niet inzetten van de intrekkingsmogelijkheid van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN wanneer sprake is van monopatriditeit is een middel dat geschikt is om dat doel te bereiken. Verder verricht verweerder altijd een evenredigheidsbeoordeling. Hierop wordt hierna ingegaan.
39. Anders dan eiseres stelt, zijn de argumenten die naar voren worden gebracht in de door haar aangehaalde artikelen uit A&MR en het rapport van ISI al in de rechtspraak van de Afdeling besproken en verworpen. Hierbij verwijst de rechtbank, naast de hiervoor aangehaalde uitspraak van 30 december 2020, ook naar de uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458. Ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. In navolging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2025 is de rechtbank namelijk van oordeel dat niet in beslissende mate onderscheid wordt gemaakt op grond van afkomst of afstamming. Het hebben van een dubbele nationaliteit heeft namelijk niet per definitie daarmee te maken, maar kan bijvoorbeeld ook voorkomen doordat iemand van Nederlandse afkomst in het buitenland uit Nederlandse ouders wordt geboren. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met artikel 14 van het EVRM, en evenmin met artikel 21 van het Hv, artikel 5 van het IVUR en artikel 26 van het IVBPR.
Dubbele bestraffing
40. De maatregel van intrekking van het Nederlanderschap is niet in het leven geroepen om te bestraffen, maar, in gevallen als deze, om tot uitdrukking te brengen dat door het plegen van terroristische misdrijven de band met Nederland wordt doorgesneden. Nu daarom geen sprake is van dubbele bestraffing, kan ook geen sprake zijn van strijd met het
ne bis in idem-beginsel.
41. Ook op dit punt kan worden verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, en zijn de argumenten van eiseres in deze zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. De omstandigheden dat het bestreden besluit een reactieve maatregel is, en dat er ook strafrechtelijke sancties hebben bestaan en nog bestaan die invloed hebben op de band met Nederland, zijn daarvoor als zodanig onvoldoende. Daaruit vloeit namelijk niet alsnog voort dat het bestreden besluit bestraffend van aard is.
Evenredigheid
42. Niet in alle gevallen waarin een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf heeft plaatsgevonden kan worden overgegaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Op grond van artikel 68a van het BVVN moet verweerder namelijk rekening houden met de zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, en in voorkomende gevallen ook met het verlies van Unieburgerschap. Volgens de rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458) voldoet dit beoordelingskader aan de vereisten voor het maken van een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling. Deze beoordeling houdt onder meer in dat, hoewel een actueel gevaar voor de openbare orde geen ingangsvoorwaarde voor intrekking is, bekeken moet worden of de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij is gederadicaliseerd en in zoverre geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid.
43. Gelet hierop kan eiseres niet worden gevolgd in haar stelling dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN gebaseerd wordt op een onweerlegbare rechtspresumptie. Het uitgangspunt dat iemand met het plegen van een terroristisch misdrijf de band met Nederland heeft doorgesneden, is immers niet per definitie voldoende om tot intrekking van het Nederlanderschap over te gaan aangezien er tevens een evenredigheidstoets inclusief een actualiteitstoets moet worden doorstaan.
44. Nu gelet op het voorgaande een actualiteitstoets deel uitmaakt van het beoordelingskader, ziet de rechtbank geen aanleiding om verder in te gaan op de beroepsgrond dat de wetgever met de invoering van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN niet heeft beoogd de actualiteitstoets af te schaffen.
45. Eiseres voert in dit kader het een en ander aan over de doeltreffendheid van de maatregel van intrekking van het Nederlanderschap bij een onherroepelijke veroordeling voor terrorisme. Anders dan eiseres stelt, is de rechtbank van oordeel dat deze maatregel geschikt is om het doorbreken van de band met Nederland tot uitdrukking te brengen. De enkele omstandigheid dat deze maatregel niet kan worden ingezet bij monopatride Nederlanders maakt niet dat deze in alle gevallen ongeschikt is. Of deze maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan de nationale veiligheid is gelet op het beoordelingskader niet relevant. Bovendien is er, anders dan voorheen, sinds november 2022 in algemene zin weer zicht op uitzetting naar Marokko. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219. Eiseres heeft haar stelling dat uitzetting van ongedocumenteerde Marokkanen nog steeds lastig is niet onderbouwd. Ook heeft verweerder tijdens de zitting van 11 september 2025 toegelicht dat er in de praktijk wel degelijk uitzettingen van ongedocumenteerde Marokkanen plaatsvinden.
46. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat het beoordelingskader door verweerder te beperkt wordt opgevat gelet op het rapport van ABDTOPConsult van 14 februari 2020 en de Kamerbrief van 15 juni 2020. Anders dan eiseres stelt, is dit rapport geen beleidsregel in de zin van de Awb. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, al toegelicht dat geen sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid aangezien de evenredigheidsbeoordeling een wettelijke basis heeft. Evenmin is sprake van een ander soort beleidsregel in de zin van de Awb, alleen al omdat niet is voldaan aan het vereiste dat beleidsregels van de centrale overheid in de Staatscourant moeten worden gepubliceerd. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1171. Omdat het rapport geen onderdeel is geworden van de beslispraktijk, kan het verweerder ook niet binden via het gelijkheidsbeginsel.
47. Over de evenredigheid van de intrekking in het specifieke geval van eiseres overweegt de rechtbank vervolgens als volgt. Gelet op het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2021 is eiseres in 2013 naar Syrië uitgereisd nadat zij zich had verdiept in de situatie aldaar en terwijl zij wist dat haar echtgenoot voor de terroristische organisatie ‘IS’ werkte. In de periode van [datum 1] 2013 tot en met 30 oktober 2019 (na de val van het kalifaat) heeft eiseres deelgenomen aan deze organisatie door achter ‘IS’ te staan, de gewapende jihadstrijd online te verheerlijken en vechtende strijders te ondersteunen. Daarnaast heeft zij online propaganda voor ‘IS’ gevoerd en anderen geprobeerd te bewegen om ook naar Syrië af te reizen door de situatie aldaar te verheerlijken en reisadviezen te geven. Ook heeft eiseres uitvraag gedaan naar vuurwapens, heeft zij (hand)vuurwapens, granaten en munitie voorhanden gehad in de echtelijke woning, en is zij weleens met haar man meegegaan om met vuurwapens te schieten. Ten slotte heeft zij nauwe banden onderhouden met diverse prominente leden van ‘IS’. Eiseres heeft door zo te handelen niet alleen zelf deelgenomen aan een terroristische organisatie, maar ook anderen en de organisatie ‘IS’ als geheel gefaciliteerd om terroristische misdrijven te plegen, en geprobeerd om mensen voor deze organisatie te ronselen. Vanwege de ernst van deze feiten en de lengte van het verblijf van eiseres in Syrië heeft de rechtbank een substantiële gevangenisstraf passend en geboden geacht. Mede omdat er bij de Reclassering zorgen waren over de probleemhantering door eiseres en over het sociale netwerk waarin zij zich heeft begeven, is er bovendien een proeftijd van drie jaar en een groot aantal toezichtsmaatregelen in de vorm van bijzondere voorwaarden opgelegd waaronder een meldplicht, gebiedsverboden, contactverboden, elektronisch toezicht (het dragen van een enkelband) en de plicht om mee te werken aan gesprekken met een externe theologisch deskundige.
48. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan deze feiten zwaar gewicht toekomt omdat hiermee de essentiële belangen van Nederland zijn geschonden, en dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet maken dat van intrekking van haar Nederlanderschap moet worden afgezien. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij is gederadicaliseerd. Uit de rapportage van de Reclassering van 25 april 2023 blijkt dat er op dat moment geen aanwijzingen waren voor contacten tussen eiseres en haar voormalig jihadistisch netwerk. De enkele afwezigheid van bepaalde contacten is echter niet voldoende om aannemelijk te maken dat eiseres daadwerkelijk is gederadicaliseerd. Ook beschrijft de Reclassering in hetzelfde rapport nog steeds kwetsbaarheden in de wijze van probleemhantering door eiseres. Bovendien is van belang dat eiseres in deze periode nog onder intensief toezicht stond. Omdat het in haar belang was om niet als een gevaar voor de nationale veiligheid te worden gezien, kan aan de ontwikkelingen die in deze periode zijn ingezet maar beperkt gewicht worden toegekend. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2670. Dat eiseres zich gedurende haar proeftijd aan alle voorwaarden heeft gehouden en actief is gaan werken aan haar resocialisatie in de Nederlandse samenleving weegt dan ook maar beperkt in haar voordeel. Daarbij heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat resocialisatie niet gelijk te stellen is aan deradicalisering, omdat de wijze waarop eiseres weer deel is gaan nemen aan de samenleving niet noodzakelijkerwijs iets zegt over haar houding en gevoelens ten opzichte van de Nederlandse samenleving. In dat kader acht de rechtbank het van belang dat ten tijde van het beoordelingsmoment van 24 juni 2024 er geen stukken zijn overgelegd over de voortgang, dan wel de uitkomst van het traject met de theologisch deskundige.
49. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres in het zienswijzegehoor van 18 januari 2023 een deel van de strafbare feiten waarvoor zij is veroordeeld heeft ontkend, te weten het proberen te ronselen van mensen voor ‘IS’. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiseres ook tijdens de zitting op 11 september 2025 verklaringen heeft afgelegd die haaks staan op het strafvonnis. Zo heeft eiseres verklaard dat zij vanuit onwetendheid en idealisme naar Syrië is uitgereisd. De strafrechter heeft echter in het -onherroepelijke- strafvonnis bewezen verklaard dat eiseres zich van tevoren heeft verdiept in de situatie in Syrië en dat zij zich op voorhand bewust was van de rol van haar man bij ‘IS’. Ook heeft eiseres tijdens de zitting verklaard dat zij geen wapens heeft gehanteerd, terwijl in het strafvonnis bewezen is verklaard dat zij (hand)vuurwapens, granaten en munitie voorhanden heeft gehad en dat zij weleens is meegegaan met haar man om met vuurwapens te schieten. Deze opstelling van eiseres draagt niet bij aan haar stelling dat zij niet langer een gevaar is voor de openbare orde.
50. De door eiseres overgelegde e-mail van de Reclassering van 15 juli 2024, het overgelegde afloopbericht van 9 april 2025, het begeleidend schrijven over een aanvraag voor een VOG, en de verklaring van Feniks van 9 september 2025 geven geen wezenlijk ander beeld dan hiervoor al is besproken, en gaan bovendien grotendeels over de periode van na het beoordelingsmoment van 24 juni 2024. De verwijzing door eiseres naar de uitspraken van de voorzieningenrechter van 25 mei 2023 en 5 augustus 2024 kan haar niet baten, omdat uitspraken van de voorzieningenrechter de bodemrechter niet binden en deze bovendien in dit geval niet gebaseerd zijn op een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. Dat eiseres feitelijk nog wel een band ervaart met Nederland en dat zij al lange tijd het Nederlanderschap heeft, kan aan het voorgaande ook niet afdoen. De stelling van eiseres dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor Unierechtelijke grondrechten is niet concreet toegelicht. Hierna zal nog worden ingegaan op het recht op familie- en privéleven van eiseres.
51. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verweerder in het primaire besluit, het bestreden besluit en het verweerschrift uitgebreid is ingegaan op de belangen van de kinderen van eiseres. Verweerder heeft daarbij terecht opgemerkt dat het toetsingskader in deze zaak verschilt van het toetsingskader in de zaak over het eerdere intrekkingsbesluit van 30 oktober 2019 dat met name vanwege de belangen van de kinderen is vernietigd, aangezien dat besluit gepaard ging met een ongewenstverklaring. In deze zaak heeft verweerder onderkend dat eiseres sinds 21 december 2022 weer de primaire verzorger is van haar kinderen, dat het goed met hen gaat, en dat de kinderen, mede gelet op het feit dat zij geen vader meer hebben, belang hebben bij voortzetting van de zorg en opvoeding door hun moeder. Verweerder heeft er echter ook terecht op gewezen dat het bestreden besluit als zodanig geen gevolgen heeft voor het Nederlanderschap van de kinderen en evenmin voor het recht van eiseres om in Nederland bij hen te verblijven. Dat de intrekking van het Nederlanderschap de deur opent voor een terugkeerbesluit en een inreisverbod laat onverlet dat de gevolgen daarvan moeten worden beoordeeld in een afzonderlijke procedure tegen die besluiten. Verder heeft eiseres gesteld dat zij door het bestreden besluit niet op dezelfde manier invulling zal kunnen geven aan het gezinsleven met haar kinderen. Dit is door haar echter onvoldoende concreet onderbouwd. De enkele omstandigheid dat eiseres geen aanspraak meer zal kunnen maken op bepaalde voorzieningen maakt namelijk niet meteen dat de belangen van haar kinderen zodanig worden geraakt dat, mede gelet op de zwaarwegende belangen die in het nadeel van eiseres wegen, van intrekking had moeten worden afgezien. Hierbij weegt de rechtbank mee dat in de periode dat eiseres in detentie verbleef de kinderen zijn verzorgd door de zus en ouders van eiseres, en niet is gebleken dat zij hierdoor in hun belangen zijn geschaad dan wel dat deze steun niet langer voorhanden is.
52. Het voorgaande brengt mee dat intrekking van het Nederlanderschap in het geval van eiseres niet onevenredig is. Verder blijkt uit wat hiervoor is overwogen dat niet in strijd is gehandeld met de arresten Rottman en Tjebbes. Aangezien eiseres in de zienswijzefase, de bezwaarfase en de beroepsfase ruimschoots in de gelegenheid is geweest om haar belangen naar voren te brengen en hiervan ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt, is evenmin sprake van strijd met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.
Familie- en privéleven
53. In artikel 8 van het EVRM is het recht op familie- en privéleven neergelegd. Eiseres oefent in Nederland familieleven uit met haar twee minderjarige kinderen. Zoals hiervoor al is overwogen, brengt het bestreden besluit op zichzelf echter niet mee dat eiseres niet langer in Nederland mag verblijven en het familieleven met haar kinderen niet langer zou kunnen uitoefenen. In zoverre raakt het bestreden besluit dan ook niet aan het recht op familieleven van eiseres. Wel heeft het EHRM in de zaak Ghoumid geoordeeld dat intrekking van een nationaliteit in strijd zou kunnen zijn met artikel 8 van het EVRM als daarbij sprake zou zijn van willekeur. Maar mede gelet op wat hiervoor is overwogen, is hierbij in Nederland echter sprake van een bij wet voorziene regeling waarbij een evenredigheidstoets wordt verricht en die met de nodige waarborgen is omkleed, zodat deze situatie zich niet voordoet. Verder geldt ook hier dat het terugkeerbesluit en inreisverbod wel gevolgen hebben voor het recht op familieleven van eiseres, maar dat beoordeling daarvan thuishoort in een afzonderlijke procedure waarin die besluiten centraal staan. De situatie dat eiseres, al dan niet samen met haar kinderen, naar Marokko zou moeten vertrekken, ligt in deze zaak dan ook niet ter beoordeling voor. Ten slotte volgt, anders dan eiseres stelt, uit het Yordanova-arrest niet dat artikel 8 van het EVRM het recht op een eigen huis garandeert.
54. Gelet op met name het arrest van het EHRM in de zaak Usmanov (22 december 2020, 43936/18) vormt het bestreden besluit wel een inmenging op het privéleven in Nederland van eiseres, en dient te worden beoordeeld of die inmenging in haar geval gerechtvaardigd is. Volgens de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, gaat het daarbij om de vraag of de intrekking voorzien is bij wet, of de betrokkene de intrekking bij de rechter heeft kunnen aanvechten, of de intrekkingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed, of verweerder zorgvuldig heeft gehandeld en snel genoeg tot intrekking is overgegaan en ten slotte of verweerder de intrekkingsbevoegdheid niet willekeurig heeft toegepast. Hieraan is in het geval van eiseres voldaan. Daaruit heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat het recht op privéleven van eiseres niet aan intrekking van haar Nederlanderschap in de weg staat. Anders dan eiseres stelt, volgt uit het Boultif-arrest niet dat de daarin genoemde factoren in zaken over intrekking van een nationaliteit in de beoordeling moeten worden betrokken.
Conclusie en gevolgen
55. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Er is namelijk geen sprake van strijd met motiveringsvereiste in bezwaar of met een ander rechtsbeginsel.
56. Dit brengt mee dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter en voorzitter, en mr. A.C.J. van Dooijeweert en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.