Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van
[belanghebbende], in [plaats], belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur,
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
- Dient met herstelde schade rekening te worden gehouden?
- Is naheffing na het belastbare feit toegestaan?
- Is het Unierecht geschonden doordat voor geïmporteerde auto’s en auto’s op de binnenlandse markt op verschillende momenten belasting moet worden betaald?
- Heeft de inspecteur het verdedigingsbeginsel en/of het beginsel van equality of arms geschonden?
- Moet het DRZ-rapport buiten beschouwing blijven, omdat DRZ ten opzichte van de inspecteur niet onafhankelijk is en/of vanwege inhoudelijke gebreken?
- Is de 72%-regeling in strijd met het Unierecht?
- Van welk uurtarief moet worden uitgegaan voor de herstelkosten?
- Mag in elke situatie worden vergeleken met ex-rentalauto’s?
- Moet er extra leeftijdskorting worden toegepast?
- Moet de rechtbank prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie)?
- Is te veel belasting geheven als gevolg van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode?
- Is de naheffingsaanslag aan de juiste persoon gericht?
- Leidt de toepassing van de 22-decemberarresten van de Hoge Raad tot een hogere historische nieuwprijs en/of een hogere handelsinkoopwaarde?
- Heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding?
- Heeft belanghebbende recht op restitutie van het griffierecht met rente?
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.449;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur en de Staat gezamenlijk tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3.000 aan belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 3.216,75;
- draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening.