AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenbeslissing over doorbreking verschoningsrecht notaris in witwasonderzoek
Het Openbaar Ministerie voert een strafrechtelijk onderzoek onder de naam 'Ambon' tegen een oud-notaris en zijn kantoor wegens het niet melden van ongebruikelijke transacties en witwassen. De verdenking betreft 409 verdachte transacties en tientallen miljoenen euro's aan geldstromen via de derdengeldenrekening, met betrokkenheid van personen met criminele antecedenten.
De rechter-commissaris heeft eerder besloten dat zeer uitzonderlijke omstandigheden het doorbreken van het verschoningsrecht van de notaris rechtvaardigen, waardoor beslag op digitale gegevens en documenten is gelegd. De klagers hebben hiertegen klaagschriften ingediend, stellende dat het verschoningsrecht en de belangen van niet-betrokken cliënten worden geschonden en dat filtering onvoldoende is toegepast.
De rechtbank bevestigt dat het verschoningsrecht niet absoluut is en dat het maatschappelijk belang van waarheidsvinding prevaleert bij ernstige verdenkingen. Tegelijkertijd benadrukt de rechtbank het proportionaliteitsbeginsel en beveelt zij een nadere filtering van de gegevens in overleg met de verdediging om te voorkomen dat gegevens van niet-betrokken derden onnodig worden vrijgegeven.
De zaak wordt aangehouden en terugverwezen naar de rechter-commissaris voor uitvoering van deze nadere filtering en het opmaken van een proces-verbaal. De klagers worden opgeroepen voor een nader te bepalen zitting. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Rechtbank bevestigt doorbreking verschoningsrecht wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden, maar beveelt nadere filtering om belangen van derden te beschermen en houdt zaak aan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
parketnummers : 13-031259/22 en 13-169736-21
raadkamernummers : 25-020388 en 25-020389
datum : 3 maart 2026
Tussenbeslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98, vierde lid, in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1955 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] ,
en
[naam bedrijf klager] ,
gevestigd aan [vestigingsadres] ,
beide domicilie kiezende op het kantooradres van de raadslieden mr. G.J. van Oosten en mr. B.E.J. Torny, Vondelstraat 41, 1054 GJ Amsterdam,
hierna te noemen: de klagers dan wel [de klager] en [naam bedrijf klager] .
1.Procesgang en feiten
1.1.
Het Openbaar Ministerie is op 16 februari 2021 een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Ambon’ tegen de klagers gestart. Gedurende dit onderzoek is tevens [de verdachte 1] , juridisch medewerker bij de klagers, als verdachte aangemerkt.
1.2.
De klagers worden verdacht van het maken van een gewoonte van het opzettelijk niet onverwijld melden van ongebruikelijke transacties aan de Financial Intelligence Unit (FIU) als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
1.3.
De verdenking jegens de klagers is gebaseerd op in totaal 59 transacties uitgevoerd in de periode van 1 januari 2015 tot 25 juni 2021 die niet aan de FIU zijn gemeld, maar waarvan wordt vermoed dat de klagers deze wel hadden moeten melden. Verder is de verdenking gebaseerd op het gegeven dat in een periode van zes jaar in totaal 350 transacties ter waarde van tientallen miljoenen euro’s via de derdengeldrekening van de klagers zijn verricht, waarbij acht personen betrokken zijn die hoofdzakelijk bij opvallende leningen betrokken zijn en criminele antecedenten hebben.
1.4.
De klagers worden tevens verdacht van schuldwitwassen, witwassen en/of witwassen in de uitoefening van een bedrijf of beroep als bedoeld in de artikelen 420bis, 420ter en/of 420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr). door te faciliteren in het opmaken van hypotheek- en leveringsakten waarbij de oorsprong van de gelden en/of de geldstromen van personen met criminele antecedenten wordt verhuld.
1.5.
De officier van justitie heeft op 26 april 2022 bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, twee vorderingen tot machtiging tot doorzoeking ingediend met het verzoek te bepalen dat in het onderzoek Ambon sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die het verschoningsrecht van de klagers doorbreken.
1.6.
De rechter-commissaris heeft op 10 mei 2022 een bespreking belegd met als doel de Ringvoorzitter in Amsterdam te informeren over de aanstaande doorzoekingen, te bespreken op welke wijze en in verband met welke feiten de voorgenomen doorzoekingen zullen plaatsvinden en om de Ringvoorzitter om advies te vragen met betrekking tot de vraag of hier zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen dat het verschoningsrecht wordt doorbroken.
1.7.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 11 mei 2022 bepaald dat zich hier – met betrekking tot de in totaal 409 transacties waar de verdenking betrekking op heeft – zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarin het verschoningsrecht van de klagers en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de doorzoekings- en beslagbevoegdheden moeten wijken voor het strafvorderlijk belang van het aan het licht brengen van de waarheid omtrent genoemde feiten waarvan de klagers worden verdacht.
1.8.
De rechter-commissaris heeft op 17 mei 2022 in aanwezigheid van de Ringvoorzitter het kantoorpand van klagers aan [vestigingsadres] in Amsterdam doorzocht en voorwerpen in beslag genomen.
1.9.
De rechter-commissaris heeft op 17 mei 2022 op afstand leiding gegeven aan een doorzoeking van het pand aan [woonadres] , zijnde het woonadres van [de klager] . De rechter-commissaris heeft telefonisch en na overleg met de Ringvoorzitter voorwerpen in beslag genomen.
1.10.
Op 18 mei 2022 is een gegevensdrager met de volledige (digitale) cloudomgeving (hierna: ‘kantoordomein’) van [naam bedrijf klager] onder Managed IT in beslag genomen.
1.11.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 9 juni 2022 beslist dat voortduring van het beslag is toegestaan met betrekking tot nader aangeduide documenten. Tevens is bepaald dat voornoemde stukken en gegevensdragers aan de officier van justitie beschikbaar worden gesteld en gebruikt mogen worden in het strafrechtelijk onderzoek naar de klagers, maar dat de voorwerpen vooralsnog onder de rechter-commissaris blijven totdat definitief over de toelaatbaarheid van het beslag is beslist.
1.12.
De klagers hebben op 22 juni 2022 een klaagschrift op grond van artikel 98, vierde lid, in samenhang met artikel 552a Sv ingediend tegen de voornoemde beslissingen van de rechter-commissaris van 11 mei 2022 en 9 juni 2022.
1.13.
De klagers hebben op 4 augustus 2022 een klaagschrift op grond van artikel 98, vierde lid, in samenhang met artikel 552a Sv ingediend tegen de voornoemde beslissing van de rechter-commissaris van 21 juli 2022.
1.14.
De klaagschriften zijn op 25 oktober 2022 in openbare raadkamer behandeld.
1.15.
De rechtbank heeft bij beslissing van 8 november 2022 het beklag ongegrond verklaard. [1]
1.16.
De Hoge Raad heeft op 18 april 2023 het tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep verworpen (art. 81 ROPro). [2]
1.17.
Op 19 december 2022 is onder de verdachte [de verdachte 2] een iPhone 13 Pro Max in beslag genomen.
1.18.
Op 20 december 2022 heeft de officier van justitie per e-mail de rechter-commissaris verzocht om veiliggestelde gegevens van deze iPhone op verschoningsgerechtigd materiaal te onderzoeken, omdat bij een eerste scan was geconstateerd dat er verschillende geheimhouders in de contactenlijst stonden. Op de iPhone zijn 2495 sporen aangetroffen die onder het verschoningsrecht van de notaris vallen, dan wel onder het afgeleid verschoningsrecht van voormalig werknemer [de verdachte 1] .
1.19.
De rechter-commissaris heeft op 18 juli 2025 beslist dat de inbeslagneming is toegestaan en de officier van justitie mag kennisnemen van de 2495 sporen waarop (mogelijk) het verschoningsrecht van verdachte notaris/kantoor van toepassing is.
1.20.
De verdediging heeft bij e-mail van 8 augustus 2025 kenbaar gemaakt dat de beschikking aan de klagers is verstrekt en dat de notaris op 8 augustus 2025 van de (inhoud van de) beschikking heeft kennisgenomen.
1.21.
Namens de klagers is een klaagschrift op grond van artikel 98, vierde lid in samenhang met artikel 552a Sv ingediend dat op 21 augustus 2025 op de griffie van de rechtbank is ontvangen.
1.22.
Het Openbaar Ministerie heeft een schriftelijk standpunt ingenomen.
1.23.
De rechtbank heeft op 17 februari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld en [de klager] , de raadslieden van de klagers mr. G.J. Van Oosten en mr. B.E.J. Torny, en de officier van justitie mr. A. Kerckhoff gehoord.
2. Beslissing rechter-commissaris met betrekking tot het beslag op de gegevens op de iPhone van [de verdachte 2] van 18 juli 2025
2.1.
De beslissing rechter-commissaris met betrekking tot het beslag op de gegevens op de iPhone van [de verdachte 2] van 18 juli 2025 houdt voor zover relevant het volgende in:
1. Verzoek officier van justitie
Op 20 december 2022 heeft de officier van justitie per e-mail de rechter-commissaris verzocht om veiliggestelde gegevens van na te noemen telefoon op verschoningsgerechtigd materiaal te onderzoeken, omdat bij een eerste scan van de telefoon was geconstateerd dat er verschillende geheimhouders in de contactenlijst stonden.
Het verzoek houdt in de gegevens te filteren aan de hand van de eerder door de officier van justitie aan de rechter-commissaris verstrekte lijst met trefwoorden (zoektermen op relevantie) en het aldus verkregen relevante materiaal, inclusief geheimhoudersinformatie van verdachten, maar ontdaan van geheimhoudersinformatie van andere geheimhouders dan verdachten, ter beschikking te stellen aan politie en het openbaar ministerie voor verder onderzoek.
De vordering ziet op een telefoon: Apple iPhone 13 Pro Max, met goednummer: 750245
Deze telefoon is op 19 december 2022 door de politie onder verdachte [de verdachte 2] inbeslaggenomen. Een image van de telefoon is gemaakt waarna de telefoon is teruggegeven. De veiliggestelde gegevens zijn direct (en uitsluitend) ter beschikking gekomen van de digitale rechercheur.
Namens notaris [achternaam klager] en [naam bedrijf klager] is bij aanvang met betrekking tot al het beslag een beroep gedaan op het verschoningsrecht ex artikel 218 SvPro. Verdachte [de verdachte 1] heeft als (voormalig) juridisch medewerker in dienst van het notariskantoor een van de notaris en notariskantoor afgeleid verschoningsrecht.
2. Eerdere procedures en beslissingen in onderzoek Ambon
Fysiek beslag doorzoekingen
De rechter-commissaris heeft tijdens diverse doorzoekingen in mei 2022, samen met de toenmalige Ringvoorzitter. de voor de verdenking relevante documenten gesorteerd aan de hand van een lijst met trefwoorden. Deze lijst is door de officier van justitie voorafgaand aan de doorzoekingen aan de rechter-commissaris verstrekt en met de Ringvoorzitter besproken. De lijst is als bijlage gehecht aan diverse processen-verbaal doorzoeking waarnaar hier wordt verwezen. De lijst bestaat uit twee delen:
- deel 1: een opsomming van de dossiernummers en adressen van de panden waarvan de officier van justitie vermoedt dat daar 409 strafbare (witwas-)transacties op zien, en
- deel II: de namen van de daarbij betrokken cliënten ten behoeve van wie deze transacties zouden zijn verricht.
De rechter-commissaris heeft in de beslissing van 11 mei 2022 geoordeeld dat in verband met de (409) transacties waar de verdenking op ziet sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het (afgeleide) verschoningsrecht van verdachten rechtvaardigen, Op 9 juni 2022 is beslist tot vrijgave aan de officier van justitie van inbeslaggenomen relevante documenten. De rechtbank heeft de daartegen ingestelde klaagschriften van [achternaam klager] . [naam bedrijf klager] en van een derde-geheimhouder ongegrond verklaard. Het door verdachten ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad op 18 april 2023 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 WetPro RO.
Digitale gegevens uit vijf gegevensdragers [de verdachte 1]
De veiliggestelde digitale gegevens van vijf gegevensdragers zijn in onderzoeksprogramma Axiom op relevantie gefilterd aan de hand van dezelfde lijst met trefwoorden als gebruikt voor sortering van het fysieke beslag (‘zoektermen/keywords’). De opvolgend Ringvoorzitter is over deze zoektermen geïnformeerd en kon zich daarin vinden. Hij zag daarom ook af van inzage in de hits. De rechter-commissaris heeft op 9 juni 2023 beslist tot vrijgave van de relevante treffers/hits vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het (afgeleide) verschoningsrecht van verdachten èn van andere, zgn. derde-geheimhouder, rechtvaardigen. Niet verdachten, maar twee derde-geheimhouders hebben daartegen een klaagschrift ingediend. Met beroep op hun verschoningsrecht wordt geklaagd tegen vrijgave van de relevante gegevens waar hun naam in voorkomt. De rechtbank heeft de klaagschriften ongegrond geacht op 30januari 2024. De Hoge Raad heeft deze beslissingen op 24 september 2024 vernietigd en overwogen, kort gezegd, dat onvoldoende was gemotiveerd waarom ook specifiek in relatie tot het verschoningsrecht van klagers sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang van de waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht van klagers. De behandeling is terugverwezen naar de rechtbank. De rechtbank heeft op 17 juni 2025 de klaagschriften gegrond verklaard. Het Openbaar Ministerie heeft beroep in cassatie ingesteld.
3. Digitale ondersteuning
(…)
4. Het onderzoek aan de telefoon Apple iPhone 13 Pro Max, met goednummer: 750245
Artikel 94 SvPro laat inbeslagneming toe in het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen ook in een zaak betreffende een ander of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. (HR 28 september 2010. ECLI:NL:HR:2010:BL2823).
Ingevolge artikel 98 SvPro mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 SvPro zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Het is eerst aan de verschoningsgerechtigde om zich bij de doorzoeking ter inbeslagneming uit te laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd.
Op grond van artikel 98, vijfde lid, Sv mogen, ook zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde, brieven of geschriften in beslag worden genomen die voorwerp van het strafbare feit uitmaken (corpora delicti) of tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti). Zulke brieven en geschriften vallen immers niet onder de geheimhoudingsplicht, en daarmee evenmin onder het verschoningsrecht.
De aard van bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften onder het verschoningsrecht vallen (en daarmee ook of deze stukken corpora/instrumenta delicti betreffen) in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor een beroep op het verschoningsrecht is niet van belang of de in het geding zijnde informatie zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt bevindt (HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262)
Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de, rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter (of diens vervanger). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.
Wat als corpora/instrumenta delicti kunnen worden aangemerkt is een vraag die zich niet in het algemeen laat beantwoorden. Zij “is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het inbeslaggenomen stuk en de aard van het delict, dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon tegen wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten”. De enkele omstandigheid dat het inbeslaggenomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding is in elk geval onvoldoende. (HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8)
Zeer uitzonderlijke omstandigheden
Het verschoningsrecht van de notaris, dat onder meer in artikel 98 SvPro en artikel 1251 SvPro tot uitdrukking komt, is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Alsdan kan derhalve, ongeacht een eventueel gerechtvaardigd beroep op het verschoningsrecht, het belang van de waarheidsvinding meebrengen dat het verbod van artikel 98, eerste lid Sv, wordt geschonden.
Wat betreft het belang van de waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR2025:302). Het is dan in eerste instantie aan de rechter-commissaris om daarover te oordelen.
In een geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering. De inbreuk op het verschoningsrecht mag echter niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen. (HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418 en HR 30 oktober 2007, ECLI:NL: HR:2007:BA5615).
De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht sprake is, gelden zware motiveringseisen. (Vgl. HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665). Factoren die een rol kunnen spelen bij de beoordeling hiervan zijn de vraag of het gaat om een verdenking jegens de verschoningsgerechtigde, de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt(en) worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen. (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205 en HR 18 februari 2025:ECLI:NL:HR:2025:305).
De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt.
6. Overwegingen rechter-commissaris
De 9997 relevante sporen zijn, gelet op de gehanteerde werkwijze, als volgt onder te verdelen:
- 3971 sporen derde geheimhouders
- 2495 sporen verdachten (23 73+122)
- 3531 geen verschoningsrecht
De 3531 relevante sporen bevatten géén verschoningsgerechtigde informatie. Gelet op de gebruikte zoektermen op relevantie wordt voorts dienaangaande voldaan aan het relevantiecriterium van artikel 94 SvPro. Deze sporen kunnen gelet op het voorgaande per direct worden vrijgegeven.
Van de 9997 relevante sporen zijn de sporen met betrekking tot derde geheimhouders uitgesloten. De nieuwe portable case met 6026 relevante sporen zonder derde geheimhouders bevat 2495 sporen die zijn geraakt door zoektermen betreffende verdachten (kantoornaam, voor-, achternaam. e-mailadressen etc). Deze sporen vallen (mogelijk) onder het verschoningsrecht van notaris [achternaam klager] en/of [naam bedrijf klager] , maar kunnen naar oordeel rechter-commissaris eveneens worden vrijgegeven. De rechter commissaris overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat in de hiervoor onder 2 genoemde beslissingen in de beslagprocedures zowel de rechter-commissaris, als de raadkamer, Advocaat-Generaal èn de Hoge Raad doorbreking van het (afgeleide) verschoningsrecht van verdachten vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd hebben geacht.
Wat de rechter-commissaris betreft gelden nog steeds dezelfde afwegingen.
De verdenking jegens verdachten houdt in dat zij zich bewust schuldig hebben gemaakt aan het gewoonte maken van het niet-melden van ongebruikelijke transacties aan de Financial Intelligence Unit ((FIU), dan vel dat [achternaam klager] en/of [de verdachte 1] feitelijk leiding gegeven heeft/hebben aan deze gedragingen door [naam bedrijf klager] , strafbaar gesteld in artikelen 2 lid 1 WED, juncto artikel 6 lid 1 subPro 3 WED, juncto artikel 16 lid 1 WwftPro (juncto artikel 5 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht). Daarnaast is de verdenking dat verdachten zich bewust schuldig hebben gemaakt aan (gewoonte)witwassen door middel van het opmaken van hypotheek- en leveringsakten, waarbij de oorsprong van de gelden en/of de geldstroom verhuld werd, zoals strafbaar gesteld in artikel 420bis en/of 420quater van het Wetboek van Strafrecht.
De verdenking is onderbouwd met stukken waarin in totaal 59 transacties, uitgevoerd over de periode van 1 januari 2015 tot heden, worden beschreven die niet als ongebruikelijke transacties gemeld zijn aan de FIU, maar waarvan het vermoeden is dat verdachten deze wel had(den) moeten melden. Bij deze transacties vallen met name op de verschillende ABC transacties met groot onverklaarbaar prijsverschil, hypothecaire leningen met korte looptijd en tegen hoge rente en/of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden, alsmede de betrokkenheid bij deze transacties/leningen van personen met (naar algemeen bekend) criminele antecedenten en/of contacten. Acht van deze laatstgenoemde personen lijken eveneens (hoofdzakelijk) betrokken te zijn bij 350 transacties die, in een periode van 6 jaren, ter waarde van tientallen miljoenen euro’s, via de derdengeldenrekening van [naam bedrijf klager] zijn verricht. Waar deze geldstromen over de derdengeldenrekening van [naam bedrijf klager] opzien, is vooralsnog niet gebleken. Er zijnde afgelopen zeven jaren slechts twee meldingen gedaan door verdachten (één in 2014 en één in 2017) ter zake van een ongebruikelijke transactie.
Er bestaat aldus jegens verdachten een redelijk vermoeden van schuld aan zeer ernstige, concrete strafbare feiten, waarbij misbruik is gemaakt van de positie als uitoefenaar van het beroep van notaris. Indien de feiten waar de onderhavige verdenking op ziet ooit zouden worden bewezenverklaard, lijkt [naam bedrijf klager] / [achternaam klager] , gezien de hoeveelheid transacties (409), de grote waarde daarvan, de betrokken partijen, alsmede de jarenlange ervaring van verdachten, gedurende lange tijd de huisnotaris te zijn geweest van meerdere bedenkelijke clientèle met criminele antecedenten.
Juist als geheimhouder heeft een notaris een poortwachtersfunctie ter bescherming van het financiële stelsel. Door het faciliteren en niet melden van ongebruikelijke transacties onthoudt de notaris de overheid het zicht op dit transacties en de achterliggende geldstromen/eigenaren. Het verwijt is dat verdachten dit bewust, structureel en over een langere periode hebben gedaan, en de bijzondere positie van de notaris hebben misbruikt. Dit raakt zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris, dat indien deze feiten bewezenverklaard zouden worden, het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, ernstig hierdoor zou worden geschaad.
De rechter-commissaris is van oordeel dat ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ rechtvaardigen dat, in verband met de (409) transacties waar de verdenking op ziet, met betrekking tot de (2495) relevante sporen waar het (afgeleide) verschoningsrecht van verdachten (mogelijk) op van toepassing is. Dit (afgeleide) verschoningsrecht, en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden, moeten wijken voor het strafvorderlijke belang van de waarheidsvinding.
Er is een groot maatschappelijk belang mee gemoeid dat de waarheid aan het licht komt met betrekking tot het vermeende handelen van verdachten. De inbreuk op het (afgeleide) verschoningsrecht van verdachten gaat niet verder dan strikt nodig voor het aan het licht brengen van de waarheid omtrent de verweten strafbare feiten. De rechter-commissaris heeft aard en omvang van de te onderzoeken gegevens meegewogen, alsmede de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt(en) worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken.
De relevante sporen kunnen, vanwege het gebruikmaken van zeer specifieke zoektermen, geacht worden in een zodanig direct verband te staan met de 409 transacties dat zij kunnen dienen om de waarheid daarover aan het licht te brengen (artikel 94 SvPro). Er is immers gefilterd op de adressen van de panden waarde 409 dubieuze transacties op zien en/of de namen van de cliënten (en hun ondernemingen) ten behoeve van wie de vermoedelijke strafbare (witwas-)werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. Door de gekozen zoektermen betreft het geraakte materiaal waar verdachten mogelijk een (afgeleid) verschoningsrecht op kunnen doen gelden, voornamelijk de cliënten voor wie zou zijn witgewassen. Zij hebben geen legitiem belang erbij dat geheim blijft hetgeen zij verdachten in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd. Voor het geringer aantal andere betrokken cliënten, dat niets van doen heeft met de feiten waarvan verdachten worden verdacht, geldt dat zij door vrijgave van de relevante sporen niet onevenredig in hun belang worden getroffen. Het maatschappelijk belang vergt dringend dat de waarheid aan het licht komt rondom de 409 dubieuze transacties. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van deze cliënten bij vertrouwelijkheid. De bewijzen van die transacties bevinden zich, naar mag worden aangenomen, onder het beslagen materiaal. Het is tevens niet aannemelijk dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen. Dat zich onder de relevante sporen ook openbare stukken bevinden, maakt dat op zich niet anders. In openbare registers opgenomen stukken vallen per definitie niet onder enig verschoningsrecht.
Conclusie
Inbeslagneming is toegestaan en de officier van justitie mag kennisnemen van de 6026 relevante sporen (zonder derde-GH).
7. Beslissing
De rechter-commissaris beslist als volgt:
- Inbeslagneming is toegestaan en de officier van justitie mag pel’ direct kennisnemen van de3531 relevante sporen waar geen verschoningsrecht op rust;
- Inbeslagneming is toegestaan en de officier van justitie mag kennisnemen van de 2495 sporen waarop (mogelijk) het verschoningsrecht van verdachte notaris/kantoor van toepassing is.
Bepaalt daarbij dat pas tot kennisneming van deze 2495 sporen wordt overgegaan nadat deze beschikking onherroepelijk is:
- Bepaalt dat de officier van justitie de rechter-commissaris direct in kennis zal stellen als het onderzoeksteam toch, niet onderkende, geheimhoudersinformatie van derde geheimhouders tegenkomt, vergezeld van een vordering ter verdere filtering, met opnieuw niet-toegankelijk maken van de bestanden voor het onderzoeksteam.’
3.Beklag
3.1.
Het klaagschrift houdt samengevat in dat dat de klagers zich niet kunnen vinden in de toepassing van het regime van zeer uitzonderlijke omstandigheden en van mening zijn dat de beschikking van de rechter-commissaris in strijd is met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit waarbij wordt opgemerkt dat het – ondanks de filtering – aannemelijk is dat er zich onder 'sporen' (gegevens over) testamenten bevinden.
3.2.
De klagers verzoeken de rechtbank het beklag gegrond te verklaren, vernietiging van de in beslag genomen sporen te bevelen, een verbod tot kennisneming van de desbetreffende sporen uit te spreken en te oordelen dat het regime van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet van toepassing is, althans dat dit niet in de weg staat om de oud-notaris een rol te geven in de filtering ten behoeve van niet-relevante derden.
3.3.
Geen zeer uitzonderlijke omstandigheden
3.3.1.
De klagers hebben zich niet schuldig gemaakt aan de gestelde verdenkingen en werpen deze verre van zich. De notaris neemt zijn (voormalig) ambt en zijn rol als geheimhouder uiterst serieus en heeft zijn taken naar behoren vervuld. In dit kader wordt verwezen naar de door als getuigen gehoorde, (waarnemingsbevoegde) kandidaat-notarissen [notaris 1] en [notaris 2] , afgelegde verklaringen. De klagers wijzen ter onderbouwing van dit standpunt graag naar de reeds eerder overgelegde pleitnota (van 25 oktober 2022), waarin de verdenkingen uitgebreid zijn weerlegd. De rechter-commissaris heeft dan ook ten onrechte bepaald dat de het regime van zeer uitzonderlijke omstandigheden (nog) van toepassing is
3.3.2.
De raadslieden van klagers hebben in raadkamer ter toelichting en aanvulling op het klaagschrift het volgende naar voren gebracht.
3.3.3.
Het Openbaar Ministerie stelt dat, gezien de hoeveelheid transacties, de betrokken partijen en personen van wie algemeen bekend zou zijn dat zij zich in het criminele milieu begeven, de grote waarde van de transacties en de jarenlange ervaring van [achternaam klager] en/of [naam bedrijf klager] , de verdenking gerechtvaardigd is dat destijds bewust transacties niet zijn gemeld en hierdoor bewust is gefaciliteerd in het verbergen van de daadwerkelijk herkomst van gelden dan wel het verhullen van de daadwerkelijk eigenaren en/of rechthebbenden. [achternaam klager] en/of [naam bedrijf klager] worden er derhalve van verdacht een gewoonte te hebben gemaakt van het niet-melden van ongebruikelijke transacties alsmede (gewoonte)witwassen. Dit zijn ernstige beschuldigingen die de oud-notaris zeer zwaar vallen en die hij uitdrukkelijk betwist. Hij hecht eraan nogmaals te benadrukken dat hij en zijn kantoorgenoten altijd juist veel aandacht voor Wwft-verplichtingen hebben gehad. De verdediging wijst op de verklaring die door hem en zijn – niet verdachte – kantoorgenoten zijn afgelegd. De notaris, kandidaat-notarissen en dossierbehandelaars volgden regelmatig cursussen op het gebied van Wwft en hadden hier regelmatig overleg over. Het is hun volle overtuiging dat binnen het kantoor werd voldaan aan de verplichtingen op grond van de Wwft. De klagers betwisten dan ook uitdrukkelijk zich aan de hun verweten gedragingen te hebben schuldig gemaakt.
3.3.4.
Ter onderbouwing van dit standpunt, alsmede de betwisting dat de klager(s) op de hoogte had(den) moeten zijn van de in de visie van het Openbaar ministerie algemeen bekende criminele antecedenten van (delen van) de clientèle, wordt verwezen naar hetgeen daarover in en rond het klaagschrift van 4 augustus 2022 is uiteengezet. De oud-notaris neemt zijn plicht tot geheimhouding (op overtreding waarvan tucht- en strafrechtelijke sancties zijn gesteld) zeer serieus.
3.3.5.
Dit ten behoeve van alle personen die zich tot de klager en/of zijn kantoor hebben gewend en van wie nu vertrouwelijk gegevens in beslag zijn genomen. Het feit dat de oud-notaris in casu als verdachte is aangemerkt maakt dit, hoewel hij graag meer voortvarendheid in deze zaak had gezien, niet anders, nu niet zijn belang, maar het belang van degene die zich tot hem hebben gewend voorop staat. Aan het verschoningsrecht ligt immers het maatschappelijk belang ten grondslag dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het staat de oud-notaris hierdoor feitelijk simpelweg niet vrij zich niet te verzetten tegen de inbeslagnames en de beslissing tot vrijgave aan justitie, waarbij nog van belang is dat cliënten ook reeds aansprakelijk zijn gesteld voor de gevolgen indien de informatie zou worden vrijgegeven.
3.4.
Proportionaliteit
3.4.1.
De klagers zijn ook van mening dat de beschikking van de rechter-commissaris in strijd is met de vereisten van het proportionaliteitsbeginsel.
3.4.2.
De rechter-commissaris stelt dat door de wijze van filtering de sporen geacht worden in direct verband met de litigieuze transacties te staan. Hierbij wordt evenwel uit het oog verloren dat door te filteren op adressen en namen van ‘verdachte’ cliënten ook sporen zullen worden gevonden die zien op andere transacties dan de 409 gesteld litigieuze. Een pand op een bepaald adres kan bijvoorbeeld door de jaren heen (overigens ook buiten de onderzoeksperiode) meerdere keren zijn verkocht/geleverd, terwijl daarbij (ook) partijen betrokken zijn die geen onderdeel uitmaken van het onderzoek. Hetzelfde geldt voor het zoeken op naam van specifieke ‘verdachte’ cliënten. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan andere comparanten en bijvoorbeeld familierechtelijke kwesties en testamenten.
3.4.3.
De rechter-commissaris stelt dat zich onder de relevante sporen slechts gegevens van ‘een geringer aantal’ andere cliënten zouden bevinden. Het is evenwel niet duidelijk waarop dit oordeel is gebaseerd, aangezien dit niet wordt uitgelegd. Uit de processen-verbaal die aan de verdediging zijn verstrekt, volgt dat het onderzoek zich richt op acht personen die bij de vermeend dubieuze transacties betrokken zouden zijn. In dit kader is van belang dat uit deze processen-verbaal ook blijkt dat hierin juist veel namen en gegevens van personen voorkomen, in ieder geval meer dan acht, die bij de transacties betrokken zijn, maar die niets met het onderzoek van doen hebben.
3.4.4.
Voorts is van belang dat de verdediging onlangs middels kandidaat-notaris [notaris 1] toegang heeft gekregen tot de digitale dossiers. Gebleken is dat in de dossiers veel gegevens en namen van cliënten zitten die geen subject zijn van het onderzoek. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om verklaringen van erfrecht van verkopers die niets met de verweten feiten van doen hebben, alsmede familierechtelijke kwesties zoals echtscheidingsconvenanten. Zo is er dossier ten aanzien van een pand aan [straatnaam] in Amstelveen en is er een dossier (2016-013215-01) over een geldlening waarin stukken zitten met gegevens van cliënten die niets met deze zaak te maken hebben.
3.4.5.
Kortom de verdediging is van mening dat het oordeel van de rechter-commissaris dat de relevante sporen geacht worden in zodanig direct verband te staan met litigieuze transacties en geacht kunnen worden te dienen om de waarheid daarover aan het licht te brengen en dat het om een geringer aantal zou gaan, niet zonder meer kan worden gevolgd.
3.4.6.
Als de beslissing van de rechter-commissaris in de huidige vorm wordt gehandhaafd zullen veel gegevens van cliënten, die niets met de verweten feiten van doen hebben aan het onderzoeksteam worden verstrekt terwijl de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is en er bovendien zorg dient te worden betracht om te voorkomen dat belangen van andere cliënten dan cliënten die betrokken zijn bij strafbaar feit onevenredig worden getroffen. Hieraan voldoet de beslissing niet, althans onvoldoende. De beslissingen geven er voorts geen blijk van dat rechter-commissaris heeft onderzocht of de relevante sporen ook zonder de gegevens van deze overige cliënten kunnen worden verstrekt, hetgeen gezien het vereiste van proportionaliteit wel is vereist.
3.4.7.
Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt niet dat de zorg is betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de klagers dan de cliënten die betrokken zouden zijn bij de strafbare feiten waarvan de klagers worden verdacht, onevenredig worden getroffen. De rechter-commissaris had gelet op de zorgplicht moeten nagaan of tussen de gegevens ook de gegevens van andere cliënten bevonden en als dat zo was dienen na te gaan of deze gegevens ook eruit gefilterd hadden kunnen worden en zo niet, nader moeten afwegen of bij verstrekking van alles gegevens de desbetreffende cliënten onevenredig in hun belangen worden getroffen en of dit aan verstrekking in de weg staat. De rechter-commissaris heeft aan het voorgaande niet voldaan. Er blijkt immers niet of is nagegaan of de relevante sporen ook zonder de gegevens van de betreffende cliënten kan worden vrijgegeven.
3.4.8.
De verdediging is van mening dat per relevant spoor/dossier, eventueel in samenspraak met de verdediging en/of met behulp van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep, door de rechter-commissaris de gegevens van personen die niets met verweten gedragingen van doen hebben, moeten worden uitgefilterd.
3.4.9.
De rechter-commissaris is de partij die de filtering heeft uit te voeren. In zaken als deze komen wel geluiden op dat de rechter-commissaris hiertoe niet geëquipeerd is. Zo ook in deze zaak, zij het dat dat in de sleutel van technische bijstand is geplaatst. De rechter-commissaris heeft hiervoor de hulp gekregen van medewerkers van de opsporingsdienst die onder geheimhouding zijn gesteld en die geen deel uitmaken van het onderzoeksteam. Niet valt in te zien, waarom de rechter-commissaris zich ook niet op gelijk wijze van hulp zou kunnen voorzien van personen die de dossiers filteren op niet-betrokken derden. Simpel gesteld zouden niet bij het onderzoeksteam betrokken personen met een andere pet op het werk dat hun collega’s later zouden doen onder de paraplu van de rechterlijke controle op zorgvuldigheid en discretie kunnen verrichten.
3.5.
Subsidiariteit
3.5.1.
De klagers zijn ook van mening dat de beschikking in strijd is met de vereisten van het subsidiariteitsbeginsel.
3.5.2.
Er blijkt niet dat de gegevens niet ergens anders verkregen kunnen worden. Hiertoe is van belang dat de informatie ten aanzien van transacties bijvoorbeeld ook verkregen had kunnen worden door het horen van personen die bij deze transacties betrokken zijn geweest, onder wie – maar niet uitsluitend – kopers en verkopers, maar ook makelaars enzovoorts. Ook aan hen kan worden gevraagd relevante stukken te verstrekken. Op deze wijze kan ook inzicht in de transacties worden verkregen zonder dat een verregaande inbreuk op het verschoningsrecht wordt gemaakt. Als dit wat meer tijd vergt, dan moet dat gezien het belangrijke rechtsgoed dat op het spel staat maar voor lief worden genomen. In casu is nog van belang dat kennelijk door technische en personele problemen jaren zijn verstreken.
4.Standpunt Openbaar Ministerie
4.1.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard en daartoe onder meer (samengevat) het volgende aangevoerd.
4.2.
De verdenking tegen de klagers is ongewijzigd. Zij is ernstig en concreet en ziet op handelen dat ernstig misbruik door de verschoningsgerechtigde van zijn positie als uitoefenaar van zijn beroep oplevert. Juist als geheimhouder heeft een notaris een poortwachtersfunctie ter bescherming van het financiële stelsel. Door het niet melden van transacties, wordt de overheid het zicht op bepaalde transacties onthouden. Het verwijt dat de klagers wordt gemaakt, is dat zij gedurende een langere periode structureel hun positie hebben misbruikt. Dit raakt zozeer de kern van de werkzaamheden van een notaris, dat het handelen van de klagers het vertrouwen in en de maatschappelijke functie van- het notariaat ernstig heeft geschaad. De rechter-commissaris heeft dan ook op juiste gronden geoordeeld dat er zich nog steeds zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen.
4.3.
De verdediging heeft gesteld dat gegevens van cliënten die niet betrokken zijn geweest bij strafbare feiten niet mogen vrijgegeven. De rechter-commissaris heeft in haar beslissing hiertoe specifiek overwogen dat door de gekozen zoektermen het geraakte materiaal voornamelijk de cliënten betreft voor wie zou zijn witgewassen. Deze personen hebben geen legitiem belang erbij dat geheim blijft hetgeen zij verdachte(n) in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd. Voor een geringer aantal andere betrokken cliënten, dat niets van doen heeft met de feiten waarvan verdachten worden beschuldigd, geldt dat zij door vrijgave van de relevante sporen niet onevenredig in hun belang worden getroffen. De rechter-commissaris heeft met betrekking tot de proportionaliteit en subsidiariteit overwogen dat het maatschappelijk belang dringend vergt dat de waarheid aan het licht komt en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van cliënten bij vertrouwelijkheid en dat dat het niet aannemelijk is dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.
5.Beoordeling
5.1.
Zeer uitzonderlijke omstandigheden
5.1.1.
De rechtbank stelt met betrekking tot het beroep op het verschoningsrecht het volgende voorop.
5.1.2.
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de notaris. Dit standpunt dient door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
5.1.3.
Buiten kijf staat dat [de klager] als (oud-)notaris en [naam bedrijf klager] (een) (afgeleide) geheimhouder(s) is/zijn en het verschoningsrecht toekomt op grond van art. 218 SvPro.
5.1.4.
Op 19 december 2022 is onder de verdachte [de verdachte 2] een iPhone 13 Pro Max in beslag genomen. Op 20 december 2022 heeft de officier van justitie per e-mail de rechter-commissaris verzocht om veiliggestelde gegevens van deze iPhone op verschoningsgerechtigd materiaal te onderzoeken, omdat bij een eerste scan was geconstateerd dat er verschillende geheimhouders in de contactenlijst stonden. Op de iPhone zijn 2495 sporen aangetroffen die onder het verschoningsrecht van de notaris vallen, dan wel onder het afgeleid verschoningsrecht van voormalig werknemer de heer [de verdachte 1] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in beslag genomen gegevens die na filtering nog onder beslag liggen onder het verschoningsrecht van de klagers vallen.
5.1.5.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is, of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klagers zou moeten worden doorbroken ten behoeve van de waarheidsvinding. De rechtbank stelt bij de beoordeling daarvan het volgende voorop.
5.1.6.
Het verschoningsrecht van de notaris is in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd in de normale uitoefening van zijn beroep – zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
5.1.7.
De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen. Daarbij komt betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.
5.1.8.
De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt.
5.1.9.
De rechtbank overweegt het volgende.
5.1.10.
De klagers wordt ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan het maken van een gewoonte van het opzettelijk niet onverwijld melden van ongebruikelijke transacties aan FIU als bedoeld in artikel 16, eerste lid, Wwft. Zij worden tevens verdacht van schuldwitwassen, witwassen en/of witwassen in de uitoefening van een bedrijf of beroep als bedoeld in de artikelen 420bis, 420ter en/of 420quater Sr door te faciliteren in het opmaken van hypotheek- en leveringsakten waarbij de oorsprong van de gelden en/of de geldstromen van personen met criminele antecedenten wordt verhuld.
5.1.11.
De verdenking ziet op 409 verdachte transacties die door de klagers niet als ongebruikelijke transacties aan de FIU zijn gemeld, maar waarvan het vermoeden is dat de klagers deze wel hadden moeten melden. Het gaat bij deze transacties om verschillende zogenoemde ABC-transacties met groot onverklaarbaar prijsverschil, hypothecaire leningen met korte looptijd en tegen hoge rente en/of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden, terwijl bij deze transacties personen betrokken zijn die naar algemene bekendheid criminele antecedenten hebben. Acht van deze laatst genoemde personen lijken bemoeienis te hebben gehad met 350 transacties die in een periode van zes jaar ter waarde van tientallen miljoenen euro’s via de derdengeldenrekening van klaagster zijn verricht.
5.1.12.
De rechtbank acht op grond van de door de rechter-commissaris vastgestelde feiten en omstandigheden voldoende concrete aanwijzingen voor deze verdenking aanwezig en is van oordeel dat de kennisneming van de digitale gegevens uit de iPhone kan dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
5.1.13.
Het betreft een ernstige verdenking aangezien de klagers indien bewezen – kort gezegd – bewust, structureel en over een langere periode de bijzondere positie van de notaris hebben misbruikt en dit zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris raakt dat bij het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, hierdoor ernstig wordt geschaad.
5.1.14.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van de klagers. [3]
5.2.
Proportionaliteit
5.2.1.
Ook als sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, mag de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit. Daarbij moet zorg worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij het strafbare feit, onevenredig worden getroffen. [4]
5.2.2.
De verdediging heeft aangevoerd dat zij onlangs via kandidaat-notaris [notaris 1] toegang heeft gekregen tot de digitale dossiers en dat haar is gebleken dat in de dossiers veel gegevens en namen van cliënten zitten die geen subject zijn van het onderzoek en die niets met verweten gedragingen van doen hebben. De verdediging heeft in dit kader twee concrete dossiers betreffende een pand en een geldlening genoemd.
5.2.3.
De rechtbank dient na te gaan of zich tussen de gegevens ook gegevens van die derden bevinden en of die er niet uitgefilterd kunnen worden. Als dat laatste niet het geval is, moet worden afgewogen of bij verstrekking van de gegevens met die namen de desbetreffende cliënten onevenredig in hun belangen worden getroffen en of dit aan verstrekking in de weg staat.
5.2.4.
De rechtbank is van oordeel dat nu de klagers – na inzage te hebben gehad in de digitale dossiers – stellen concrete informatie te hebben dat onder de sporen ook gegevens zitten van cliënten die niets met de strafzaak te maken hebben, moet worden nagegaan of zich tussen de gegevens ook gegevens van die derden bevinden en of die er niet uitgefilterd kunnen worden. Als dat laatste niet het geval is, moet worden afgewogen of bij verstrekking van de gegevens met die namen de desbetreffende cliënten onevenredig in hun belangen worden getroffen en of dit aan verstrekking in de weg staat.
5.2.5.
Opgemerkt kan nog worden dat de onderbouwing van de stelling dat ook met betrekking tot de iPhone er informatie is die er toe leidt dat onder de sporen gegevens zitten van cliënten die niets met de strafzaak te maken hebben, vooralsnog niet de vereiste mate van concreetheid bezit, zodat met betrekking tot die iPhone voorstelbaar is dat reeds om die reden aanstonds een ongegrondverklaring zou moeten volgen. Gelet echter op de tussenbeslissing in de zaken met rekestnummers 25-027146 en 25-027147 inzake het kantoordomein moet voorkomen worden dat, mocht de aldaar bevolen nadere filtering nieuwe hits opleveren die zich ook op de telefoon bevinden, een en ander op ongewenste wijze uit elkaar gaat lopen. Voor de voornoemde ongegrondverklaring is dan ook thans nog geen plaats.
5.2.6.
De rechtbank stelt de zaak in handen van de rechter-commissaris opdat zij – in overleg met de verdediging – een nadere filtering kan laten plaatsvinden.
5.3.
Subsidiariteit
De rechtbank overweegt wat de subsidiariteit van het beslag betreft dat vaststaat dat de relevante gegevens van deze transacties, die zich onder geheimhouders bevinden, gelet op de aard van de stukken en gegevens, niet op een andere wijze kunnen worden verkregen en het ook niet aannemelijk is dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.
6.Beslissing
De rechtbank:
- heropent de behandeling van het klaagschrift en houdt de zaak voor onbepaalde tijd aan;
- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank om – in overleg met de verdediging – een nadere filtering te laten plaatsvinden op een door de rechter-commissaris te bepalen wijze;
- geeft de rechter-commissaris opdracht tot het opmaken van een proces-verbaal met betrekking tot die nadere filtering en eventueel nemen van een nadere beslissing;
- beveelt de oproeping van de klagers tegen een nader te bepalen dag en tijd;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door: mr. R.A. Overbosch, voorzitter,