ECLI:NL:PHR:2026:95

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
24/03797
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met fatale afloop door onoplettendheid en snelheidsovertreding

In deze zaak gaat het om een verkeersongeval dat plaatsvond op 24 april 2020 op de Rijksweg in Reuver, waarbij een twaalfjarig meisje, dat achterop de fiets van haar moeder zat, om het leven kwam. De verdachte, die met een snelheid van minimaal 76 km/u reed, was afgeleid door het scherm van zijn autoradio. De moeder van het meisje, die ook betrokken was bij het ongeval, raakte zwaar gewond. De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 285 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, en kreeg een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor 30 maanden. Het cassatieberoep van de verdachte richtte zich tegen de bewezenverklaring van 'zeer onvoorzichtig en onoplettend' rijgedrag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door de bewezenverklaring te baseren op de omstandigheid dat de verdachte werd opgejaagd door een andere auto. De Hoge Raad concludeerde dat de verdachte door zijn gedrag, dat bestond uit te hard rijden en afgeleid zijn, een verkeersongeval heeft veroorzaakt.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03797

Zitting20 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001990-22) wegens "
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweehonderdvijfentachtig dagen, waarvan honderdtwintig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van dertig maanden. Het hof heeft ook beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

De zaak

3. Op 24 april 2020 vond een zwaar verkeersongeval plaats op de Rijksweg in Reuver. De verdachte veroorzaakte daar een aanrijding met een overstekende fietser met achterop haar twaalfjarige dochter, door binnen de bebouwde kom met minimaal 76 km per uur te rijden terwijl hij was afgeleid door het scherm van zijn autoradio. Als gevolg van de aanrijding heeft de fietser zwaar lichamelijk letsel bekomen en is haar dochter aan haar verwondingen overleden.

Het middel

4. Met het middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring van ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ rijgedrag. Het middel bevat drie deelklachten. De eerste daarvan houdt in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door aan deze bewezenverklaring een niet ten laste gelegde omstandigheid ten grondslag te leggen. De tweede en de derde deelklacht komen erop neer dat de bewezenverklaring van dit bestanddeel in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

De tenlastelegging, bewezenverklaring en de bewijsvoering

5. De verdachte was (na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep) ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 24 april 2020 te Reuver, in de gemeente Beesel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg (N271), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en/of een ander, te weten [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat
hij, verdachte, het T-kruispunt gevormd door voornoemde Rijksweg en de Julianastraat is genaderd en/of (daarbij) heeft gereden met een minimale snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, (zijnde) althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid, en/of
(daarbij) doende was aan (het scherm van) de radio en/of (daarbij) afgeleid was door wat hij deed aan (het scherm van) die radio, dan wel (daarbij) anderszins afgeleid was, zulks op het moment dat de bestuurder van een fiets (zijnde voornoemde [slachtoffer 2] ) met een passagier op de bagagedrager (zijnde voornoemde [slachtoffer 1] ) komende vanuit voornoemde Julianastraat, doende was die Rijksweg over te steken en/of
(vervolgens) niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en/of niet voldoende heeft uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie,
waardoor, althans mede waardoor, een botsing, althans een aanrijding, is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die fietser en/of die passagier, althans hun fiets;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 april 2020 te Reuver, in de gemeente Beesel, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg (N271),
het T-kruispunt gevormd door voornoemde Rijksweg en de Julianastraat is genaderd en/of
(daarbij) heeft gereden met een minimale snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid, en/of
(daarbij) doende was aan (het scherm van) de radio en/of (daarbij) afgeleid was door wat hij deed aan (het scherm van) die radio, dan wel (daarbij) anderszins afgeleid was, zulks op het moment dat de bestuurder van een fiets met een passagier op de bagagedrager, komende vanuit voornoemde Julianastraat, doende was die Rijksweg over te steken, en/of (vervolgens) niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en/of niet voldoende heeft uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie,
waardoor, althans mede waardoor, een botsing, althans een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die fietser en/of die passagier, althans hun fiets,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.”
6. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 24 april 2020 te Reuver als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg (N271), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en een ander, te weten [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke gedragingen zeer onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, het T-kruispunt gevormd door voornoemde Rijksweg en de Julianastraat is genaderd en daarbij heeft gereden met een minimale snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, zijnde een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en daarbij doende was aan het scherm van de radio en afgeleid was door wat hij deed aan het scherm van die radio, zulks op het moment dat de bestuurder van een fiets (zijnde voornoemde [slachtoffer 2] ) met een passagier op de bagagedrager (zijnde voornoemde [slachtoffer 1] ) komende vanuit voornoemde Julianastraat, doende was die Rijksweg over te steken en vervolgens niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en niet voldoende heeft uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die fietser en die passagier.”
7. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“In de volgende bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - steeds verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2471-2020063257, bevattende een verzameling van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal met bijlagen, sluitingsdatum 28 december 2021, doorgenummerd pagina 1 tot en met 83.
1.
Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 27 april 2020 (pg. 45-46), voor zover inhoudende als verklaring van slachtoffer [slachtoffer 2] :
Op 24 april 2020, omstreeks 21.15 uur, fietste ik op mijn damesfiets over de Julianastraat te Reuver (het hof begrijpt: gemeente Beesel) in de richting van de Rijksweg. Mijn dochter [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ), zat achter op de bagagedrager van mijn fiets.
Toen ik de T-kruising naderde, (toevoeging hof: ben ik) gestopt en heb ik naar links en naar rechts gekeken. Ik zag toen dat er vanaf het tankstation een auto mij tegemoet reed. [...] De auto die eraan kwam was nog zeer ver verwijderd van deze T-kruising.
Ik kon naar mijn idee op een veilige en verantwoorde wijze de Rijksweg over steken. Naar mijn mening was ik nog aan het opstappen c.q. steppen om vaart te maken. [...] [slachtoffer 1] zat nog steeds op de bagagedrager. Op dit moment keek ik en [slachtoffer 1] naar links en zagen [we] dat met hoge snelheid een personenauto op ons inreed. [slachtoffer 1] en ik hebben heel hard geschreeuwd en toen volgde de botsing. De personenauto die met ons in botsing kwam was een zwart glimmende Volkswagen Golf. Deze auto is na de botsing iets verderop gestopt. Deze reed met hoge snelheid. Ik zag dat deze bestuurder een ruk aan het stuur gaf en naar rechts uitweek.
Toen ik ging oversteken was deze Golf ongeveer ter hoogte van de Sint Barbarastraat te Reuver. Dus daaruit concludeerde ik dat er veilig overgestoken kon worden als men ten minste met de toegestane snelheid rijdt.
Ik heb een gecompliceerde breuk in mijn rechter onderbeen.
Een schriftelijk bescheid, te weten een (losse) geneeskundige verklaring (PL2300-2020063257-1) d.d. 14 februari 2022, opgemaakt door arts [naam onleesbaar] voor zover inhoudende:
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer 2]
Voornamen: [...] [...]
A. Uitwendig waargenomen letsel: Standsafwijking onderbeen rechts + klein wondje binnenkant been
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 25/04/2020
E. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel, e.d.):
Onderbeen gebroken waarvoor operatie
F. Geschatte duur van de genezing: 3-6 maanden
Ondertekend door [hof: naam onleesbaar] arts, Nijmegen 14-02-2022
Een schriftelijk bescheid te weten een (los) schouwverslag d.d. 30 april 2020, opgemaakt door arts [naam 1] , forensisch arts GGD Gelderland-Zuid, voor zover inhoudende:
Cliënt: [slachtoffer 1]
Voornamen: [...] [...]
Evaluatie [...]
Informatie van de behandelend kinderintensivist: algehele hersenschade, waardoor diffuus vocht in het hersenweefsel ontstond (hersenoedeem) waardoor oplopende zwelling van en druk in het hersenweefsel, waardoor verdergaande beschadiging van het hersenweefsel en de hersenstam, wat leidde tot de dood van het meisje. Tevens een botbreuk van de linker bovenarm en een botbreuk van het linker bovenbeen met een vleeswond.
Bij lijkschouw tekenen van medisch handelen, schaafwonden, de gemelde botbreuk van de linker bovenarm.
Conclusie: 12-jarig meisje, overleden aan hersenschade ten gevolge van een aanrijding op 24 april 2020, waarbij zij achter op een fiets zittende in de linker flank door een auto werd aangereden.
Een schriftelijk bescheid, te weten een (los) rapport van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in Reuver op 24 april 2020 d.d. 20 juli 2021 (hierna: het NFI-rapport), opgemaakt door ir. [naam 2] , doorgenummerd pagina 1 tot en met 22, voor zover inhoudende:
2 Vraagstelling
Het onderzoek is gericht op de vraag:
Wat was de snelheid van de betrokken personenauto, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken](het hof begrijpt: de door verdachte op 24 april 2020 bestuurde auto)
, bij aanvang van het aangetroffen bandenspoor? [...]
3 Onderzoek
Er is gekozen om de gevraagde snelheid te berekenen op basis van de afstand die de auto vanaf de aanvang van de sporen heeft afgelegd. De complexiteit daarbij ligt in het vaststellen van de remvertraging die de auto daarbij onderging. Er is sprake van een remming over verschillende soorten ondergrond, onder invloed van insturing en hoogteverschillen. Om inzicht in de remvertraging te krijgen is besloten om remproeven ter plaatse te houden.
[…]
Remproeven zijn uitgevoerd op drie locaties [...]:
A) De linkerwielen op het fietspad (rode betontegels) en de rechterwielen op het trottoir (grijze betontegels).
B) Het wegdek van de Rijksweg ter hoogte van de kruising met de Julianastraat (asfalt).
C) Het klinkertableau, waarbij in tegengestelde richting is gereden ten opzichte van het ongeval. [...]
4 ResuItaten
Uit de berekening voor de maximaal mogelijke snelheid volgt 105 km/u.
Uit de berekening voor de minimaal mogelijke snelheid volgt 76 km/u.
5 Conclusie
Bij aanvang van het aangetroffen bandenspoor lag de snelheid van de betrokken personenauto, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] , vermoedelijk tussen 76 en 105 km/u.
5.Het (los) proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse (BVH: 2020063257) d.d. 25 december 2021, doorgenummerd van pagina 1-36, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
1.2.
Beknopte ongevalsbeschrijving
Op 24 april 2020, omstreeks 21:21 uur, stak een moeder met haar fiets en haar dochter zittend op de bagagedrager, komende vanuit de Julianastraat de Rijksweg (N271) te Reuver over. Een Volkswagen Golf reed over die Rijksweg te Reuver komende uit de richting van Maasbracht en rijdend in de richting van Nijmegen. De slachtoffers werden, tijdens het oversteken van de Rijksweg, aangereden door de voor de slachtoffers van links komende Volkswagen Golf. Als gevolg van de aanrijding werden beide slachtoffers, zwaargewond naar het ziekenhuis vervoerd. De dochter overleed op 29 april 2020 omstreeks 21:10 uur, aan de gevolgen van de aanrijding. Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:
Voertuig 1, personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kleur blauw, kenteken [kenteken] . Voertuig 2, fiets, merk Gazelle, type Allure, kleur grijs, framenummer [...] .
2.2.2
Wegsituatie
[…]
Het ongeval vond gezien in de richting van Nijmegen plaats op een recht weggedeelte van de Rijksweg. De rijbaan had een breedte van ongeveer 5,9 meter. Ter hoogte van de Julianastraat, was de rijbaan, door middel van dubbele onderbroken witte strepen verdeeld in twee rijstroken. De rijstroken hadden een breedte van ongeveer 2,7 meter. Parallel aan de rijbaan lagen aan beide zijden parkeervakken, met daarnaast een verhoogd en door bord G12a van de Bijlage 1 van het RVV 1990 aangeduid aanliggend fiets/bromfietspad, voorzien van rode bestrating met daarnaast een verhoogd grijs bestraat voetpad. Gezien in de rijrichting van de Volkswagen lag, kort voorbij de aan de rechterzijde gelegen Julianastraat, een bushalte.
2.2.3
Verkeersmaatregelen ter plaatse
Wij zagen het volgende:
Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 50 km/h.
2.3.
Aangetroffen sporen
2.3.1
Sporen op het wegdek
Op de plaats van het ongeval troffen wij, op het wegdek, de volgende relevante sporen aan:
• Bandensporen, beginnend op het T-kruispunt en eindigend ongeveer 11,3 meter achter de Volkswagen.
• Een fiets, Gazelle, ongeveer 6 meter voorbij de aanvang van het bandenspoor, liggend op het wegdek.
• Bloed op de eindpositie van de moeder(het hof begrijpt: [slachtoffer 2] )
. [...]
2.2.6
Lichtgesteldheid
[...]
Volgens opgave van het KNMI, afdeling klimaatdata en advies, was, het tijdstip zonsondergang 20:54 uur, 24 april 2020 [...]..
3.2
Betrokken voertuigen
3.2.1
Voertuig 1
Merk: Volkswagen
Type: Golf
Kenteken: [kenteken]
Het voertuig verkeerde, voor zover kon worden vastgesteld, voor het ongeval rijtechnisch in voldoende staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken die eventueel de oorzaak van of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.
4.5.
Dynamische vermijdbaarheid aan de hand van het NFI-rapport. Bij het berekenen van de dynamische vermijdbaarheid heb ik, [verbalisant 1] , gebruik gemaakt van onderstaande gegevens:
[...] Een snelheid bij aanvang van het bandenspoor voor de Volkswagen van vermoedelijk tussen de 76 en 105 km/h, als beschreven in de rapportage van het NFI.
Eindconclusie:
In alle [...] onderzochte situaties had de bestuurster van de fiets de rijstrook van de Volkswagen veilig kunnen oversteken had er geen aanrijding plaatsgevonden, indien de bestuurder van de Volkswagen de maximumsnelheid van 50 km/h, bij nadering van het T-kruispunt, niet had overschreden.
Er was voldoende straatverlichting op het T-kruispunt, waardoor overstekend verkeer voor verkeer op de Rijksweg goed waarneembaar zou moeten zijn.
4.7.
Toedracht, oorzaak en gevolg
[...] De Volkswagen was [...] beduidend sneller op het T-kruispunt dan dat de bestuurster van de fiets kon en mocht verwachten. Met als gevolg dat, toen de bestuurster van de fiets begon met oversteken, de Volkswagen op het T-kruispunt aankwam terwijl de bestuurster van de fiets de rijstrook van de Volkswagen nog niet volledig was overgestoken. Hierdoor ontstond een aanrijding tussen de Volkswagen en de fiets.
6.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 april 2020 (pg. 23-25), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
V= vraag van verbalisanten
A= antwoord van verdachte
V= Wat is er vanavond(het hof begrijpt: op 24 april 2020)
gebeurd?
A= Ik was met de zwarte auto van mijn vader onderweg van het huis van mijn ouders in [plaats] , naar mijn eigen woning in [plaats] . Het is een zwarte Volkswagen Golf station beginnende met de letter G [...] Ik zat alleen in de auto. Ik was naar muziek aan het luisteren. Ik was op het beeldscherm van de radio iets aan het verzetten. Ik was op dat moment wat afgeleid van het verkeer. Toen ik weer van het beeldscherm naar de weg keek, zag ik opeens een fiets voor mij van rechts.
A= Ik heb toen ik die fietser zag uitgeweken naar rechts, toen ben ik tegen de trottoirband aangereden. Ik ben vervolgens het fietspad overgestoken, wederom tegen een trottoirband aangereden en toen nog een gedeelte het trottoir gevolgd. Ik ben vervolgens tot stilstand gekomen waar de auto werd aangetroffen.
A= Ik ben uitgestapt en ben in de richting van de kruising gelopen. Ik zag een meisje en een vrouw gewond op het wegdek liggen.
Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting van dé rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 17 augustus 2022, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Het klopt dat ik veel te hard heb gereden. Ik had zachter kunnen rijden, eerder kunnen remmen en naar links kunnen uitwijken.
Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik erken schuld. Ik heb het ongeluk veroorzaakt.
De Rijksweg te Reuver is één lange weg. Het begon donker te worden, schemerig. Er stonden huizen rechts en links van de weg waarop ik reed. De weg heeft een opstaande rand aan de zijkant. Ook stonden er auto’s aan de rechterkant van de weg geparkeerd. Ik reed aan de rechterkant van de weg.
Vanaf de rotonde kwam ik de Rijksweg op en daarna verloopt de weg alsmaar rechtdoor tot aan de volgende rotonde. Het gaat van een asfaltweg, naar een klinkerweg in het centrum, naar opnieuw een asfaltweg. Naast de weg liggen parkeerhavens. Als daar auto’s geparkeerd staan, kan dat het zicht naar rechts belemmeren.
Het is geen weg die zich leent voor een hogere snelheid dan 50 kilometer per uur. De weg ligt binnen de bebouwde kom en destijds stonden er plantenbakken langs de weg om de snelheid eruit te halen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 april 2020 (pg. 26 en 27), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Op 24 april 2020, omstreeks 21.15 uur volgens mij, maar het kan ook iets later zijn geweest, zat ik in de auto op de bijrijderszijde.
We kwamen uit de richting van de Keulseweg en reden in de richting van de Julianalaan(het hof begrijpt: Julianastraat)
. Toen we bijna afsloegen vanaf de Julianastraat de Rembrandstraat op, keek ik in de richting van de rijksweg. Ik zag toen dat twee donkergekleurde auto’s vlak achter elkaar rijden. Ik zag dat de afstand tussen beide auto’s zeker geen autolengte was.
Ik zag dat beide auto’s over de Rijksweg reden. Ik zag dat beide auto’s uit de richting van het centrum kwamen, Swalmen zeg maar, en reden in de richting van Venlo. Vervolgens zag ik dat de tweede auto begon te stuiteren. Ik dacht dat die auto de stoep geraakt had. Ik zag dat die auto in de richting van het bushokje stuiterde als het ware.
Ik had ook het idee dat de snelheid van beide auto’s hoger was dan 50 kilometer per uur.
Daar aangekomen zag ik een donkere auto, een VW station, op de bushalte staan. Ik zag dat de koplampen op stadslicht brandden en dat de voorruit aan bestuurderszijde kapot/gebroken was.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 mei 2020 (pg. 54 en 55), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [slachtoffer 2] :
Net voor de aanrijding heb ik gezien dat achter de zwarte Golf nog minimaal 1 (een) andere auto reed. Toen ik werd aangereden zag ik in een flits, ooghoek, dat een andere auto deze zwarte Golf aan de linkerzijde voorbij reed.
Het aanvullend proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, BVH-nummer: 2020063257-AV (pg. 3 en 17), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
1.1
Vraagstelling naar aanleiding van het verzoek tot aanvullend onderzoek
1. Onder punt B.1 en B.3, vervaardigen van een doorlopende, chronologische compilatie van relevante videobeelden, met name de twee voertuigen, onmiddellijk voorafgaand aan het verkeersongeval. Tevens hierin opnemen de vergelijking in het tijdsverschil tussen de bedoelde voertuigen en passerende voertuigen.
1.2
Beantwoording
Ad 1.: De videobeelden worden op een beelddrager digitaal ter beschikking gesteld aan het hof. Met een ‘stopwatch’ in beeld zijn opnames gemaakt van de relevante passerende voertuigen per locatie. De tijden van het in beeld komen en verlaten zijn in een Excel-bestand ogenomen. Hierin is zichtbaar dat de betreffende: twee auto’s beduidend sneller door het beeld gaan dan dat de overige passerende voertuigen (Screenshot Excel, rode tijden). Die vermeldt dat de lichtgrijze auto al sneller rijdt dan de overige voertuigen (Screenshot Excel, grijze vlakken).
Bijlagen
4 tekenbladen.
Beelddrager met videobeelden.
[…] [1]
Hetschriftelijk bescheidzijnde de als bijlage bij dit aanvullend proces-verbaal gevoegde tekenbladen (genummerd als (‘Overzicht’) 1, 2 en 3, alsmede één ongenummerd tekenblad (‘Totaal overzicht’) met daarop verkleind de drie voorgaande tekenbladen) waarop schematisch aangeduid het gedeelte van de Rijksweg N271 te Reuver met daarop weergegeven de geplaatste camera’s met bijbehorende beeldhoeken alsmede de botsplaats:
Het hof stelt aan de hand van het ongenummerde tekenblad en tekenbladen 1 en 2 vast dat de afstand tussen de plaats van de camera aangeduid als “Juwelier [...] " en de botsplaats 315 meter bedraagt.
De eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 27 september 2024, dat op de camerabeelden van de Rijksweg 111 (FI9900-EP) te zien is dat rechtsboven in beeld een voertuig te zien is dat stopt op de plek waar later de auto van de verdachte is aangetroffen. Het voertuig lijkt zijn knipperlichten aan te zetten. Een ander voertuig rijdt het stilstaande voertuig direct na het stoppen van dat eerdere voertuig, voorbij en keert even later terug in de tegenovergestelde richting. Het tweede voertuig stopt ter hoogte van het (eerdere) stilstaande voertuig.
13.De eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 27 september 2024, dat op de camerabeelden ‘Avia tankstation 2 pomp midden’ te zien is dat een BMW in beeld komt met het kenteken [kenteken] .
14.De eigen waarneming van dit hof van de camerabeelden ‘Juwelier [...] ’, gedaan ter terechtzitting van 15 september 2023 en 27 september 2024, inhoudende dat op de camerabeelden te zien is dat er vanaf 21:20:20 uur twee auto’s kort na elkaar van rechts naar links door het beeld rijden, waarvan de eerste auto donker gekleurd is en de tweede auto duidelijk lichter van kleur is, en dat na het tijdstip 21:20:20 uur pas om 21:26:02 uur weer een auto komende vanuit de richting van de ‘Klokrotonde’ door het beeld in de richting van de plaats van het ongeval rijdt.
8. Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:
Algemene bewijsoverweging
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bijzondere bewijsoverweging
De verdediging heeft in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde delictsbestanddelen ‘zeer onvoorzichtig’ en ‘zeer onoplettend’. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier uitsluitend kan worden vastgesteld dat de verdachte 76 kilometer per uur heeft gereden, en niet harder, daar waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold. Hij heeft niet buitensporig hard gereden. De mate waarin de maximumsnelheid is overschreden is onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW94). De verdachte reed op een voorrangsweg en was slechts kortstondig afgeleid door het verzetten van de radiozender waarbij niet is komen vast te staan hoe ver de verdachte op dat moment verwijderd was van de fietsster. Het verzetten van de radiozender kan volgens de verdediging derhalve niet bijdragen aan het vaststellen van causaal verband. Indien het hof anders oordeelt, kan hooguit worden gesproken van aanmerkelijke schuld gelet op vergelijkbare gevallen in de jurisprudentie. Ten slotte heeft de raadsman nog aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er op het moment van de aanrijding een tweede voertuig betrokken was. Gelet daarop kan dit aspect niet meegenomen worden bij de beantwoording van de schuldvraag.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of- en zo ja in hoeverre - voormeld ongeval aan verdachtes schuld te wijten is in de zin van artikel 6 WVW94.
Op grond van bestendige rechtspraak heeft het begrip ‘schuld’ in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 de betekenis van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid, ook wel omschreven als ‘aanmerkelijke schuld’. Eveneens kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat voor de beoordeling of de schuld van verdachte aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, de afweging gebaseerd dient te zijn op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat heeft tot gevolg dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, omdat, zoals gesteld, daarvoor ook andere factoren van belang zijn, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Echter, duidelijk is dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822/NJ 2005, 252; HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2208/NJ 2011, 172; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3105; HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:110 en HR 2 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:128).
Toepassing
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat fietsster [slachtoffer 2] met achterop de fiets haar dochter [slachtoffer 1] op 24 april 2020 rond 21.21 uur de Rijksweg (N271) te Reuver is overgestoken, komende vanuit de Julianastraat. Op dat moment reed de verdachte als bestuurder van een personenauto (Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken] ) over die Rijksweg te Reuver, komende uit de richting van Maasbracht en rijdend in de richting van Nijmegen. [slachtoffer 2] en haar dochter [slachtoffer 1] zijn, terwijl zij de Rijksweg aan het oversteken waren, door de verdachte in zijn personenauto aangereden. Ten gevolge van het ongeval is [slachtoffer 1] komen te overlijden en heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Ten aanzien van de mate van schuld overweegt het hof als volgt.
Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen staat voor het hof vast dat de verdachte, als bestuurder van de betreffende auto, het ongeval heeft veroorzaakt. Als de verdachte de toegestane maximale snelheid niet had overschreden en beter had opgelet, hadden [slachtoffer 2] en haar dochter met de fiets de weg veilig kunnen oversteken en had er geen aanrijding plaatsgevonden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij vanaf de zogenoemde ‘Klokrotonde’(het hof begrijpt: de rotonde waar de Rijksweg, de Bergerhofweg en de Heerstraat samen komen)
de Rijksweg op is gereden. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte vanaf de Klokrotonde richting het centrum eerst door een 30 km/u-zone is gereden en vervolgens, toen hij het centrum weer uit reed, door een 50 km/u-zone is gereden. Uit onderzoek van het NFI is echter gebleken dat de verdachte vlak voor het ongeval heeft gereden met een snelheid die tussen de 76 en 105 kilometer per uur lag, terwijl - als gezegd - de ter plaatse maximale toegestane snelheid 50 kilometer per uur was.
In dat kader wijst het hof ook nog op het nader onderzoek door de politie naar de camerabeelden die zijn opgenomen door een camera bij Juwelier [...] (gelegen aan de Rijksweg 55, ongeveer 315 meter voor de plaats van het ongeval). Uit het aanvullende proces-verbaal VOA blijkt dat er van 21:10:48 uur tot aan 21:18:11 vijf auto’s aan de camera Juwelier [...] voorbij komen gereden, waarbij deze gedurende een geklokte tijd variërend van 1,38 tot 1,83 seconden in beeld zijn. De politie heeft voorts geverbaliseerd dat om 21.18.11 uur een lichtgrijze auto door het beeld komt rijden, rijdende in de richting van de botsplek. Deze auto is 1,05 seconden in beeld van de camera. Vervolgens rijden er ongeveer twee minuten geen auto’s door het beeld.
Omstreeks 21.20.20 uur rijden er wederom twee voertuigen door het beeld, rijdende in de richting van de botsplek. Het eerste voertuig van deze twee voertuigen is 0,65 seconden in beeld en het tweede voertuig is 0,72 seconden in beeld. Het hof merkt daarbij op dat de twee laatste voertuigen aldus aanmerkelijk sneller voorbij zijn gereden aan Juwelier [...] dan het eerste voertuig. Na het passeren van die twee auto’s rijden er gedurende ruim 5 minuten geen andere uit de richting van de ‘Klokrotonde' komende auto’s aan de camera van Juwelier [...] voorbij. Gelet op de (geringe) afstand van de juwelier tot de botsplek, het tijdstip van de botsing (omstreeks 21:21 uur), het tijdstip dat de twee sneller rijdende voertuigen de camera van Juwelier [...] zijn gepasseerd en de omstandigheid dat er tussen 21.18.11 uur en 21.20.20 uur en vanaf 21.20.20 uur gedurende 5 minuten geen andere auto’s voorbij Juwelier [...] zijn gereden, concludeert het hof dat één van de twee snel voorbij rijdende auto’s de auto van de verdachte moet zijn geweest.
Uit het voorgaande leidt het hof voorts af dat de verdachte en de andere, onbekend gebleven bestuurder van de tweede auto, (in ieder geval) vanaf Juwelier [...] tot aan het moment van het ongeval (dicht) achter elkaar zijn blijven rijden. Bij die conclusie betrekt het hof ook nog de verklaringen van de getuige [getuige] en het slachtoffer [slachtoffer 2] , waaruit naar het oordeel van het hof volgt dat er een tweede auto betrokken is geweest bij het ongeval. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij die avond, vlak voor het ongeval, samen met [betrokkene 1] en [getuige] over de Rijksweg reed in de richting van de Julianalaan(het hof begrijpt: Julianastraat)
. Hij zag toen dat twee auto’s vlak achter elkaar over de Rijksweg reden, komende uit de richting van het centrum en rijdende in de richting van Venlo. Hij zag vervolgens dat een van de auto’s begon te stuiteren in de richting van het bushokje. Toen [getuige] en [betrokkene 1] vlak daarna terugreden naar Julianastraat zag [getuige] een donkerkleurige Volkswagen bij de bushalte staan, waarvan de voorruit aan de bestuurderszijde kapot/gebroken was. Voorts zag hij een vrouw op de stoep liggen bij de kruising tussen de Rijksweg en de Julianastraat.
Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij, net voor de aanrijding, heeft gezien dat achter de Volkswagen [..]Golf nog minimaal één andere auto reed. Zij zag voorts, toen zij werd aangereden, in een flits dat een andere auto de Volkswagen aan de linkerzijde voorbijreed.
Ten slotte betrekt het hof bij het oordeel dat er een andere auto betrokken is geweest de camerabeelden opgenomen door de camera bij Rijksweg 111. Op het filmpje (FI9900-EP) heeft het hof waargenomen dat op de plaats waar na het ongeval de Volkswagen van de verdachte is aangetroffen, te zien is dat er een voertuig stilstaat en zijn knipperlichten aanzet. Vervolgens is te zien dat een voertuig, naar later blijkt een BMW met het kenteken [kenteken] - welke BMW later ook is gesignaleerd op de plek van het ongeval -, het stilstaande voertuig voorbijrijdt, omkeert bij een tankstation, terugrijdt naar de plek waar het voertuig met de knipperlichten stilstaat, daar kort stopt en vervolgens weer doorrijdt. Het hof komt, gelet op het vorenstaande, tot de conclusie dat ten tijde van het ongeval een ander voertuig, te weten de BMW met kenteken [kenteken] , zeer dicht en aldus eveneens met hoge snelheid - en in die zin naar het hof voorkomt: opjagend - achter de verdachte aan heeft gereden.
Er is echter niet alleen sprake van een snelheidsovertreding. De verdachte reed bovendien veel te hard voor de aldaar bestaande weginrichting en snelheidsbeperkende maatregelen - immers betrof het een niet brede weg met zijwegen, plantenbakken en beperkt zicht door langs die weg geparkeerd staande auto’s - en hij had daarnaast (met die te hoge snelheid) niet continu zijn aandacht bij het verkeer doordat hij doende was met het scherm van zijn radio. Daardoor heeft hij ook niet kunnen anticiperen op de situatie in het verkeer en zijn snelheid op tijd kunnen aanpassen.
Voor wat betreft het verweer aangaande het ontbreken van oorzakelijk of causaal verband en dat - zo begrijpt het hof het verweer van de raadsman - zich in het bijzonder richt op het ontbreken van causaal verband tussen de aan de verdachte verweten gedraging en het verkeersongeval, is de vraag of het verkeersongeval in redelijkheid toe te rekenen is aan de voorafgaande gedraging van de verdachte (vgl. o.a. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362/NJ 2012, 301; HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491/NJ 2013, 194 en HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585/NJ 2017,470). Het hof acht van belang dat gezien het voorgaande het gedrag zoals begaan door verdachte zodanig gevaarzettend is geweest en dusdanige risico’s met zeer ernstige gevolgen in het leven heeft geroepen, dat het verkeersongeval in redelijkheid is toe te rekenen aan de verdachte. Het hof gaat derhalve uit van een causaal verband tussen het gedrag van verdachte en het veroorzaakte ongeval.
Op basis van het vorenstaande - te hard rijden op een weg die niet is ingericht op een dergelijke snelheid, terwijl de verdachte was afgeleid door een scherm in de auto en de verdachte bovendien werd opgejaagd door een andere auto - verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen en is het hof van oordeel dat de verdachte door zeer onoplettend en onvoorzichtig te rijden een verkeersongeval heeft veroorzaakt.”

De beoordeling van het middel

De eerste deelklacht
9. In de toelichting op het middel wordt met de eerste deelklacht naar voren gebracht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door de bewezenverklaring van het van ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ handelen mede te baseren op de niet ten laste gelegde omstandigheid dat de verdachte “
werd opgejaagd door een andere auto”.
Beoordelingskader: grondslagverlating
10. Verlating van de grondslag van de tenlastelegging doet zich voor indien de rechter een onjuiste betekenis toekent aan (een of meer onderdelen van) de tenlastelegging en daardoor vrijspreekt van of veroordeelt voor iets anders dan wat de tenlastelegging redelijkerwijs geacht moet worden in te houden. [2] De uitleg van de tenlastelegging is in principe aan de feitenrechter voorbehouden. Dit brengt met zich dat in cassatie een uitleg die niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging in stand zal worden gelaten. [3]
Het beoordelingskader: artikel 6 WVW
11. De tenlastelegging in de onderhavige zaak is toegesneden op artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (een gevolgsdelict [4] , hierna: artikel 6 WVW 1994). De kern van het verwijt bestaat uit het ‘culpoos handelen in het verkeer’. De bepaling luidt als volgt:

Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.”
12. De Hoge Raad heeft relatief recent twee arresten gewezen waarin nader wordt ingegaan op deze ‘culpa/schuld’ in het verkeer. [5] Daarvan zijn voor de beoordeling van het middel de volgende overwegingen uit HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398,
NJ2025/72 m.nt. Van Kempen, van belang (onderstrepingen mijnerzijds):

2.6.1. In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (vgl. over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4201).Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval(vgl. over schuld in de zin van artikel 308 Sr, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630). In het licht van de onder 2.5 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte “minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen”, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
2.6.2. In cassatie kan alleen worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 – in dit geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag – uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid.Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Verder verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin. (Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.)
2.6.3. In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen (vgl. onder meer HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800).De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als bijvoorbeeld in een voorrangssituatie aannemelijk is geworden dat hij daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt, kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond.Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.”
13. Voor een bewezenverklaring van het schuldbestanddeel moet zodoende sprake zijn van verwijtbaar en aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. [6] Ik teken daarbij aan dat in veel gevallen, zoals ook in de onderliggende zaak, niet zozeer het onderwerp van discussie is of het handelen in de zin van artikel 6 WVW 1994 (voorzienbaar) onvoorzichtig [7] of verwijtbaar [8] is, maar veeleer of de onvoorzichtigheid
aanmerkelijkis. [9] Met andere woorden, of sprake is van een dermate grove schuld (
culpa lata) dat aansprakelijkheid voor artikel 6 WVW 1994 gerechtvaardigd is. Bij die beoordeling komt het in elk geval aan op de manier waarop de schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd [10] en ook het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. [11] Daarnaast speelt bij deze beoordeling de zogenoemde ‘criteriumfiguur’ een belangrijke rol. Van de verdachte wordt namelijk verwacht dat zijn handelen in overeenstemming is met norm van de ‘gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid’. Ik meen, in lijn met het betoog van Van Kempen in zijn noot bij ECLI:NL:HR:2024:1398, [12] dat een tekortschieten ten opzichte van die criteriumfiguur voldoende kan zijn voor de vaststelling dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en dat dus niet een bepaald “
gekwalificeerd – bijvoorbeeld: aanmerkelijk – tekortschieten is vereist”. [13]
14. Tot slot heeft de Hoge Raad niet uitgesloten dat een enkele verkeersovertreding schuld in vorenbedoelde zin oplevert. Immers kunnen de omstandigheden van het geval en de aard van de verkeerssituatie zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
De bespreking van de eerste deelklacht
15. Ik keer terug naar de beoordeling van het middel. Mijns inziens heeft het hof door in zijn oordeel dat sprake is van ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen’ naast het (i) “
te hard rijden op een weg die niet is ingericht op een dergelijke snelheid”, (ii) “
terwijl de verdachte was afgeleid door een scherm in de auto” ook de omstandigheid te betrekken dat de verdachte (iii) “
werd opgejaagd door een andere auto” geen wezenlijk andere betekenis aan de tenlastelegging gegeven dan die haar in redelijkheid kan worden toegekend. Niet alle concrete omstandigheden die mede bepalend zijn voor het bewijsoordeel hoeven ten laste te worden gelegd. [14] Het hof mocht de in cassatie bestreden omstandigheid in zijn oordeel betrekken als relevante context van de ten laste gelegde gedraging.
16. De deelklacht faalt eveneens voor zover het bedoelt te klagen dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door met inachtneming van de onder (iii) genoemde omstandigheid te oordelen dat sprake is van “
ernstiger mate van schuld dan ‘aanmerkelijke schuld’”. Gelet op het vooropgestelde kader, berust dit standpunt onder meer op de onjuiste veronderstellingen dat daarmee de kern van het verwijt wordt aangetast en ook dat het hof zonder die omstandigheid niet tot een bewezenverklaring van ‘(meer dan) aanmerkelijke schuld’ had kunnen komen.
De tweede en de derde deelklacht
17. De tweede en de derde deelklacht komen er in de kern op neer dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het bewezen verklaarde ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ handelen, althans dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
18. In cassatie kan alleen worden onderzocht of schuld aan het verkeersongeval (als bedoeld in artikel 6 WVW 1994) uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
19. Die bewijsmiddelen wijzen het volgende uit. De verdachte reed in de avond van op 24 april 2020 in een zwarte Volkswagen Golf op de Rijksweg in Reuver (komend vanuit de richting Maasbracht) toen hij fietser [slachtoffer 2] (komend vanuit de Julianastraat) met haar twaalfjarige dochter zittend op de bagagedrager van de fiets aanreed, terwijl zij aan het oversteken waren. Als gevolg van deze aanrijding is de dochter aan haar verwondingen overleden [15] en heeft haar moeder een breuk in haar onderbeen opgelopen die operatief moest worden hersteld. [16]
20. Over het moment voor en van het ongeval verklaart de verdachte dat hij veel te hard heeft gereden. [17] Ook verklaart hij dat hij
“op het beeldscherm van zijn radio iets aan het verzetten [was]”,dat hij
“wat afgeleid [was] van het verkeer”en dat hij
“toen [hij] weer van het beeldscherm naar de weg keek” “opeens een fiets voor [zich zag] van rechts”,waarna hij is uitgeweken als gevolg waarvan hij
“tegen de trottoirband [is] aangereden”. [18] Over de omstandigheden ter plaatse blijkt uit de verklaring van de verdachte dat het schemerdonker was en dat aan de kant van de weg waar hij reed auto’s stonden geparkeerd die
“het zicht naar rechts [kunnen] belemmeren”. Hij verklaart ook dat het
“geen weg is die zich leent voor een hogere snelheid dan 50 km/u”,dat de “
weg ligt binnen de bebouwde kom”en dat er destijds
“plantenbakken langs de weg [stonden] om de snelheid eruit te halen”. [19]
21. De verkeersongevallenanalyse wijst uit dat de snelheid waarmee de verdachte reed tussen de 76 en 105 km/u betrof, waar 50km/u was toegestaan. Uit de analyse blijkt voorts dat in alle onderzochte situaties
“geen aanrijding [had] plaatsgevonden, indien de bestuurder van de Volkswagen de maximumsnelheid van 50 km/h (…) niet had overschreden”. [20]
22. Tot slot blijkt uit de getuigenverklaring van [getuige] dat vanaf de Julianastraat zichtbaar was dat over de Rijksweg – vanuit de richting van het centrum – twee auto’s met zeer hoge snelheid dicht, namelijk
“zeker geen autolengte”,achter elkaar aanreden. [21] Getuige [slachtoffer 2] verklaart dat zij vlak voor de aanrijding eveneens heeft gezien dat
“achter de zwarte Golf nog minimaal 1 (een) andere auto reed”. [22] Uit het aanvullend proces-verbaal verkeersongevallenanalyse blijkt dat
“de betreffende twee auto’s beduidend sneller door het beeld gaan dan de overige passerende voertuigen”. [23] Ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof op basis van camerabeelden van de Rijksweg als eigen waarneming vast dat
“een voertuig te zien is dat stopt op de plek waar later de auto van de verdachte is aangetroffen. (…) Een ander voertuig rijdt het stilstaande voertuig direct na het stoppen van dat eerdere voertuig voorbij en keert even later terug in de tegenovergestelde richting. Het tweede voertuig stopt ter hoogte van het (eerdere) stilstaande voertuig. [24] Voorts stelt het hof als eigen waarneming vast dat
“op de camerabeelden is te zien dat er vanaf 21:20:20 uur twee auto’s kort na elkaar van rechts naar links door het beeld rijden, waarvan de eerste auto donker gekleurd is en de tweede auto duidelijk lichter van kleur is, en dat na het tijdstip 21:20:20 uur pas om 21:26:02 uur weer een auto komende vanuit de richting van de ‘Klokrotonde’ door het beeld in de richting van de plaats van het ongeval rijdt. [25]
23. Op basis van de inhoud van deze bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte als bestuurder van de auto het verkeersongeval heeft veroorzaakt door te hard te rijden, namelijk met een minimale snelheid van 76 km/u waar 50 km/u was toegestaan, terwijl hij was afgeleid door een scherm in zijn auto. Het hof stelt ook, mijns inziens niet onbegrijpelijk, vast dat voorafgaand aan het ongeval achter de auto van de verdachte een tweede auto reed en dat deze situatie, gelet op de korte afstand tussen beide auto’s en de te hoge snelheid, een opjagend karakter had. Dat het hof gelet op deze omstandigheden heeft geoordeeld dat de verdachte ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ heeft gereden, waarmee sprake is van meer dan aanmerkelijke schuld aan het ongeval, acht ik, mede gelet op het hier vooropgestelde kader, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Daarbij acht ik van belang dat het hof bovendien heeft overwogen dat de verdachte veel te hard reed, gelet op de
“aldaar bestaande weginrichting”,namelijk
“een niet brede weg met zijwegen, plantenbakken en beperkt zicht door langs die weg geparkeerd staande auto’s”en de geldende
“snelheidsbeperkende maatregelen”.Voorts weeg ik mee dat het hof daarbij heeft betrokken dat de verdachte
“niet [heeft] kunnen anticiperen op de situatie in het verkeer en zijn snelheid op tijd heeft kunnen aanpassen”,omdat hij
“niet continue zijn aandacht bij het verkeer [had] doordat hij doende was met het scherm van zijn radio”.
24. Tot slot. Wat betreft de tegenstrijdigheid die de steller van het middel bespeurt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen die betrekking heeft op de omstandigheid dat de verdachte werd ‘opgejaagd door een andere auto’, merk ik op dat deze tegenstrijdigheid, voor zover daarvan al sprake is, niet afdoet aan het bewijs van het bewezen verklaarde. De steller van het middel heeft immers zelf betoogd dat
“op grond van voormelde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld” “dat er op een bepaald moment voordat de botsing plaatsvond een ‘lichtere’ auto met vergelijkbare snelheid als die van de verzoeker achter verzoeker aanreed.”
25. Het middel faalt.

Slotsom

26. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.D.A.: De screenshot van het Excelbestand dat hier in de bewijsmiddelen is opgenomen laat ik in deze weergave achterwege.
2.HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491,
3.Zie G.J.M. Corstens,
4.Zie daarover A.E. Harteveld & R. Roobroek,
5.HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405 (over ‘roekeloosheid’ als bedoeld in artikel 175 lid 2 WVW 1994), en ECLI:NL:HR:2024:1398 (over ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW 1994).
6.HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398. Culpa in het verkeer kent bovendien verschillende ‘gradaties’. Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, waarin de Hoge Raad onder meer overwoog dat roekeloosheid de zwaarste schuldvorm is.
7.In veel gevallen ligt namelijk in de vaststelling dat de verdachte een verkeersregel heeft overtreden besloten dat zijn gedrag voorzienbaar onvoorzichtig was. Dit is erin gelegen dat ons stelsel van verkeerswetgeving een zeer gedetailleerde nadere normering biedt van onvoorzichtig verkeersgedrag. Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
8.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
9.En ook over de ‘mate van schuld’, vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
10.Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
11.Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822,
12.HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398,
13.A-G Frielink merkte in zijn conclusie voorafgaand aan ECLI:NL:HR:2024:1398 op dat in de feitenrechtspraak
14.Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
15.Bewijsmiddel 3.
16.Bewijsmiddel 2.
17.Bewijsmiddel 7.
18.Bewijsmiddel 6.
19.Bewijsmiddel 8.
20.Bewijsmiddel 5.
21.Bewijsmiddel 9.
22.Bewijsmiddel 10.
23.Bewijsmiddel 11.
24.Bewijsmiddel 12.
25.Bewijsmiddel 14.