Conclusie
Nummer 24/03797
Inleiding
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweehonderdvijfentachtig dagen, waarvan honderdtwintig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van dertig maanden. Het hof heeft ook beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
De zaak
Het middel
De tenlastelegging, bewezenverklaring en de bewijsvoering
Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 27 april 2020 (pg. 45-46), voor zover inhoudende als verklaring van slachtoffer [slachtoffer 2] :
, bij aanvang van het aangetroffen bandenspoor? [...]
. [...]
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 april 2020 (pg. 23-25), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
gebeurd?
. Toen we bijna afsloegen vanaf de Julianastraat de Rembrandstraat op, keek ik in de richting van de rijksweg. Ik zag toen dat twee donkergekleurde auto’s vlak achter elkaar rijden. Ik zag dat de afstand tussen beide auto’s zeker geen autolengte was.
de Rijksweg op is gereden. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte vanaf de Klokrotonde richting het centrum eerst door een 30 km/u-zone is gereden en vervolgens, toen hij het centrum weer uit reed, door een 50 km/u-zone is gereden. Uit onderzoek van het NFI is echter gebleken dat de verdachte vlak voor het ongeval heeft gereden met een snelheid die tussen de 76 en 105 kilometer per uur lag, terwijl - als gezegd - de ter plaatse maximale toegestane snelheid 50 kilometer per uur was.
. Hij zag toen dat twee auto’s vlak achter elkaar over de Rijksweg reden, komende uit de richting van het centrum en rijdende in de richting van Venlo. Hij zag vervolgens dat een van de auto’s begon te stuiteren in de richting van het bushokje. Toen [getuige] en [betrokkene 1] vlak daarna terugreden naar Julianastraat zag [getuige] een donkerkleurige Volkswagen bij de bushalte staan, waarvan de voorruit aan de bestuurderszijde kapot/gebroken was. Voorts zag hij een vrouw op de stoep liggen bij de kruising tussen de Rijksweg en de Julianastraat.
De beoordeling van het middel
werd opgejaagd door een andere auto”.
Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.”
NJ2025/72 m.nt. Van Kempen, van belang (onderstrepingen mijnerzijds):
2.6.1. In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (vgl. over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4201).Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval(vgl. over schuld in de zin van artikel 308 Sr, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630). In het licht van de onder 2.5 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte “minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen”, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
aanmerkelijkis. [9] Met andere woorden, of sprake is van een dermate grove schuld (
culpa lata) dat aansprakelijkheid voor artikel 6 WVW 1994 gerechtvaardigd is. Bij die beoordeling komt het in elk geval aan op de manier waarop de schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd [10] en ook het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. [11] Daarnaast speelt bij deze beoordeling de zogenoemde ‘criteriumfiguur’ een belangrijke rol. Van de verdachte wordt namelijk verwacht dat zijn handelen in overeenstemming is met norm van de ‘gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid’. Ik meen, in lijn met het betoog van Van Kempen in zijn noot bij ECLI:NL:HR:2024:1398, [12] dat een tekortschieten ten opzichte van die criteriumfiguur voldoende kan zijn voor de vaststelling dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en dat dus niet een bepaald “
gekwalificeerd – bijvoorbeeld: aanmerkelijk – tekortschieten is vereist”. [13]
te hard rijden op een weg die niet is ingericht op een dergelijke snelheid”, (ii) “
terwijl de verdachte was afgeleid door een scherm in de auto” ook de omstandigheid te betrekken dat de verdachte (iii) “
werd opgejaagd door een andere auto” geen wezenlijk andere betekenis aan de tenlastelegging gegeven dan die haar in redelijkheid kan worden toegekend. Niet alle concrete omstandigheden die mede bepalend zijn voor het bewijsoordeel hoeven ten laste te worden gelegd. [14] Het hof mocht de in cassatie bestreden omstandigheid in zijn oordeel betrekken als relevante context van de ten laste gelegde gedraging.
ernstiger mate van schuld dan ‘aanmerkelijke schuld’”. Gelet op het vooropgestelde kader, berust dit standpunt onder meer op de onjuiste veronderstellingen dat daarmee de kern van het verwijt wordt aangetast en ook dat het hof zonder die omstandigheid niet tot een bewezenverklaring van ‘(meer dan) aanmerkelijke schuld’ had kunnen komen.
“op het beeldscherm van zijn radio iets aan het verzetten [was]”,dat hij
“wat afgeleid [was] van het verkeer”en dat hij
“toen [hij] weer van het beeldscherm naar de weg keek” “opeens een fiets voor [zich zag] van rechts”,waarna hij is uitgeweken als gevolg waarvan hij
“tegen de trottoirband [is] aangereden”. [18] Over de omstandigheden ter plaatse blijkt uit de verklaring van de verdachte dat het schemerdonker was en dat aan de kant van de weg waar hij reed auto’s stonden geparkeerd die
“het zicht naar rechts [kunnen] belemmeren”. Hij verklaart ook dat het
“geen weg is die zich leent voor een hogere snelheid dan 50 km/u”,dat de “
weg ligt binnen de bebouwde kom”en dat er destijds
“plantenbakken langs de weg [stonden] om de snelheid eruit te halen”. [19]
“geen aanrijding [had] plaatsgevonden, indien de bestuurder van de Volkswagen de maximumsnelheid van 50 km/h (…) niet had overschreden”. [20]
“zeker geen autolengte”,achter elkaar aanreden. [21] Getuige [slachtoffer 2] verklaart dat zij vlak voor de aanrijding eveneens heeft gezien dat
“achter de zwarte Golf nog minimaal 1 (een) andere auto reed”. [22] Uit het aanvullend proces-verbaal verkeersongevallenanalyse blijkt dat
“de betreffende twee auto’s beduidend sneller door het beeld gaan dan de overige passerende voertuigen”. [23] Ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof op basis van camerabeelden van de Rijksweg als eigen waarneming vast dat
“een voertuig te zien is dat stopt op de plek waar later de auto van de verdachte is aangetroffen. (…) Een ander voertuig rijdt het stilstaande voertuig direct na het stoppen van dat eerdere voertuig voorbij en keert even later terug in de tegenovergestelde richting. Het tweede voertuig stopt ter hoogte van het (eerdere) stilstaande voertuig.” [24] Voorts stelt het hof als eigen waarneming vast dat
“op de camerabeelden is te zien dat er vanaf 21:20:20 uur twee auto’s kort na elkaar van rechts naar links door het beeld rijden, waarvan de eerste auto donker gekleurd is en de tweede auto duidelijk lichter van kleur is, en dat na het tijdstip 21:20:20 uur pas om 21:26:02 uur weer een auto komende vanuit de richting van de ‘Klokrotonde’ door het beeld in de richting van de plaats van het ongeval rijdt.” [25]
“aldaar bestaande weginrichting”,namelijk
“een niet brede weg met zijwegen, plantenbakken en beperkt zicht door langs die weg geparkeerd staande auto’s”en de geldende
“snelheidsbeperkende maatregelen”.Voorts weeg ik mee dat het hof daarbij heeft betrokken dat de verdachte
“niet [heeft] kunnen anticiperen op de situatie in het verkeer en zijn snelheid op tijd heeft kunnen aanpassen”,omdat hij
“niet continue zijn aandacht bij het verkeer [had] doordat hij doende was met het scherm van zijn radio”.
“op grond van voormelde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld” “dat er op een bepaald moment voordat de botsing plaatsvond een ‘lichtere’ auto met vergelijkbare snelheid als die van de verzoeker achter verzoeker aanreed.”