Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin werd geoordeeld dat een causaal verband bestaat tussen de door verdachte verrichte behandeling met ibogaïne en de hartstilstand van het slachtoffer.
Het hof stelde vast dat verdachte zonder registratie in het BIG-register handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichtte door het behandelen van verslaafden met ibogaïne. De hartstilstand van het slachtoffer ontstond kort na de behandeling met ibogaïne, waarvan bekend is dat het ernstige bijwerkingen zoals hartritmestoornissen kan veroorzaken. Er was geen andere aannemelijke oorzaak voor de hartstilstand.
De Hoge Raad herhaalt de maatstaf voor toerekening van het gevolg aan de gedraging van verdachte en oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en het oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd dat de hartstilstand redelijkerwijs aan de behandeling met ibogaïne door verdachte kan worden toegerekend.