Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 februari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verkeersongeval op 25 augustus 2017 te Berg en Terblijt waarbij de verdachte, bestuurder van een personenauto, zonder richting aan te geven vanuit een parkeerhaven de Rijksweg N590 opreed en scherp naar links stuurde om te keren. Hierbij ontstond een botsing met een van links naderende motorrijder, die ter plaatse overleed, terwijl diens passagier ernstig letsel opliep.
Het hof stelde vast dat de verdachte de motorrijder niet had gezien, hoewel deze gedurende circa vier seconden zichtbaar had moeten zijn in de linkerbuitenspiegel. De verdachte handelde in strijd met de artikelen 54 en 55 van het RVV 1990 door geen richting aan te geven en het overige verkeer niet voor te laten gaan bij een bijzondere manoeuvre. Het hof oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gehandeld en daarmee schuld had in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
In cassatie onderzocht de Hoge Raad of het bewezenverklaarde schuldige gedrag voldoende was onderbouwd door het bewijsmateriaal. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de verdachte onvoldoende oplettendheid betrachtte en dat het oordeel niet berustte op een onjuiste rechtsopvatting. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval door onoplettend en onvoorzichtig keren zonder richting aan te geven, met dodelijke afloop.