Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
Op 24 mei 2010 veroorzaakte de verdachte een dodelijk verkeersongeval te Lith door een voetganger niet op te merken en niet te remmen of uit te wijken. De verdachte bestuurde zijn auto onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 465 microgram per liter uitgeademde lucht.
Het gerechtshof oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gehandeld en daarmee schuld had in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De Hoge Raad toetste in cassatie of deze schuld uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid en bevestigde het oordeel van het hof.
De Hoge Raad benadrukte dat schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 niet automatisch volgt uit de ernst van de gevolgen, maar moet worden vastgesteld aan de hand van het geheel van gedragingen en omstandigheden. Het hof had terecht geoordeeld dat de verdachte, mede door zijn alcoholgebruik, onvoldoende oplettend was op een overzichtelijke weg waar hij een voetganger had moeten zien.
Het cassatieberoep faalde en de Hoge Raad verwierp het beroep, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte schuld heeft aan het dodelijk verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen onder invloed van alcohol.