Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Feiten t.a.v. niet ondertekenen
wordt ondertekenden ter griffie wordt ingediend.
uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De officier van justitie is wegens technische redenen niet in staat dit verzoekschrift te ondertekenen. Dit verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de [officier van justitie].”
3.Het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontbrekende handtekening onder het verzoekschrift.
Onderdeel 2komt op tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer dat het verzoekschrift te laat is ingediend. Het middel sluit in
onderdeel 3af met een voortbouwklacht.
kernklachtvan onderdeel 1 is uitvoerig toegelicht. Van deze uitvoerige toelichting wijs ik in het bijzonder op de procesinleiding, onder 14. Daar wordt aangevoerd dat in feite de vraag aan de orde wordt gesteld of vanwege de technische problemen waarmee het Openbaar Ministerie een aantal weken in de zomer van 2025 heeft geworsteld, het voor verzoekschriften geldende ondertekeningsvereiste opzij kon worden gezet, althans kon worden vervangen door het onderaan het verzoekschrift geplaatste tekstblok (zoals hiervoor onder 2.2 geciteerd). In dat kader wordt erop gewezen dat deze vraag ook op de zitting door de advocaat van betrokkene met zoveel woorden aan de orde is gesteld, waarbij is betoogd dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. De daartoe aangevoerde gronden zijn dat (a) de zogenaamde technische problemen geen reden (kunnen) zijn om niet te voldoen aan het wettelijk vereiste van ondertekening van het verzoekschrift, (b) de officier van justitie voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om het gebrek (onder meer op de zitting) te herstellen en ten slotte dat (c) de bestreden handelwijze, althans het ontbreken van de ondertekening, in strijd met artikel 6 EVRM Pro moet worden geacht. Ook in cassatie dient de vraag, op de hiervoor aangevoerde gronden, ontkennend te worden beantwoord, aldus het onderdeel.
overige puntenop (procesinleiding, onder 8-9). Aangevoerd wordt dat zowel door (de advocaat van) betrokkene als door de rechtbank aandacht is besteed aan de zogenaamde ICT-storing waarmee het Openbaar Ministerie een aantal weken in de zomer van 2025 is geconfronteerd. De officier van justitie heeft bij de indiening van zijn verzoek hieraan geen nadere aandacht besteed, behalve de opmerking dat technische redenen hem verhinderen het verzoekschrift te ondertekenen, maar dit dient als volstrekt onvoldoende te worden beschouwd. Immers, juist de officier van justitie moet als de meest gerede partij worden aangemerkt die dienaangaande de nadere informatie verstrekt, omdat hij geacht kan worden over alle relevante informatie betreffende de (gevolgen van de) ICT-storing te beschikken. Hij heeft dit echter achterwege gelaten en (zelfs) geen enkele nadere informatie verstrekt. Mede ten gevolge hiervan heeft geen beoordeling kunnen plaatsvinden van de vraag of en in hoeverre de ICT-storing van invloed is geweest op de behandeling van de onderhavige zaak. Het is bekend dat ten gevolge van de ICT-storing het Openbaar Ministerie een bepaalde periode niet of moeilijk digitaal bereikbaar is geweest, waarbij zij genoteerd dat betrokkene niet bekend is met de details dienaangaande en zich daarbij uitsluitend heeft kunnen baseren op algemene informatie, al of niet van het Openbaar Ministerie. In ieder geval ontbreekt iedere informatie, algemeen en of in detail, met betrekking tot de onderhavige procedure, temeer nu de officier van justitie heeft nagelaten hieromtrent nader te verklaren.
Verder wordt aangevoerd dat de officier van justitie met zijn verwijzing naar “technische redenen” in het tekstblok onderaan het verzoekschrift kennelijk het oog heeft op de ICT-storing bij het OM. Deze vermelding van “technische redenen” is niet toegelicht en dat moet als volstrekt onvoldoende worden beschouwd als verklaring of redengeving voor het niet-ondertekenen van het verzoekschrift, aldus de toelichting.
4.Onderdeel 1
I. Juridisch kader
Met het ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ is, als ik het goed zie, sprake van de hiervoor bedoelde koppeling tussen de systemen van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de Rechtspraak. [20]
Eerste lid, onderdeel a
Het systeem moet de rechterlijke instanties in staat stellen eenieder die via het webportaal toegang verkrijgt te identificeren (wie is de gebruiker), diens identiteit te kunnen controleren (authenticeren: nagaan of de gebruiker is wie hij zegt te zijn), alsmede te controleren of deze persoon gerechtigd is om toegang te krijgen tot de stukken. (…)
Gelet op de wijze waarop de toegangscontrole is vormgegeven kan bij gebruik van het aangewezen systeem als hoofdregel worden volstaan met een gewone elektronische handtekening.Daarbij valt te denken aan een ingescande natte handtekening op een papieren drager (zie Kamerstukken II 2000/01, 27 743, nr. 3, p. 2). Uit de definitie van de gewone elektronische handtekening volgt dat deze moet zijn gehecht aan of logisch verbonden met het stuk dat moet worden ondertekend. In geval van twijfel kan het originele fysieke stuk worden opgevraagd. (…)”
Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 2 vermelde regels. (…)
Bij veilig mailen zijn er waarborgen getroffen voor de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van de verbinding waarlangs de elektronische communicatie verloopt maar is er – anders dan bij gebruik van het aangewezen systeem – geen controle op de identiteit van de afzender. Dit maakt dat de stukken na mailverzending alsnog fysiek moeten worden aangeboden.”
Als stukken langs andere weg dan via het aangewezen digitale systeem elektronisch aan de rechterlijke instanties worden verzonden (bijvoorbeeld via de fax of door middel van beveiligd emailverkeer), dan zal nazending van de fysieke stukken noodzakelijk zijn om de stukken op te nemen in het procesdossier.(…)”
moetbieden. Uit de toelichting op de bepaling blijkt echter dat het niet om een verplichting tot het bieden van een herstelmogelijkheid gaat. Die toelichting op artikel 33 lid 6 Rv Pro, die deels is ontleend aan een samenvatting van de toelichting op de voorloper, artikel 30c lid 6 KEI-Rv, luidt dienaangaande: [44]
kanverklaren in zijn verzoek. De rechter heeft dus ook de mogelijkheid heeft om die sanctie achterwege te laten, en mijns inziens ook zonder het eerst bieden van een herstelmogelijkheid, wanneer herstel niet zinvol is.
- 8 augustus 2025, rechtbank Rotterdam: niet-ontvankelijk, omdat het verzoekschrift niet is ondertekend;
- 11 augustus 2025, rechtbank Den Haag (de bestreden beschikking): ontvankelijk, omdat het gebrek van de ontbrekende handtekening
voldoende hersteldis door het tekstblok van de officier van justitie in zijn verzoekschrift;
- 22 augustus 2025, rechtbank Rotterdam: ontvankelijk, omdat de rechtbank
geen gevolgenverbindt aan het niet ondertekend zijn van het verzoekschrift.
niet-digitaalprocederen, is hier echter niet gevolgd. De inhoud van het verzoekschrift is direct opgenomen in het e-mailbericht, en er is niet een scan (in Pdf-formaat) van het verzoekschrift met daarop een originele ‘natte’ handtekening als bijlage bijgevoegd. Het e-mailbericht bevat overigens ook niet een elektronische handtekening. In plaats van een handtekening is in het e-mailbericht een tekstblok opgenomen waarin is verklaard dat de officier wegens technische redenen niet in staat is het verzoekschrift te ondertekenen alsmede dat het verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de met naam genoemde officier van justitie. [50]
De vergelijking met
digitaal procederenbiedt inzicht. Van een verplichting tot nazending is daar geen sprake. De controle op de identiteit die daar bij de toegang tot het digitale systeem voor gegevensverwerking plaatsvindt, maakt dat met de ingescande natte handtekening kan worden volstaan. Het is daar dus een optelsom van waarborgen, te weten waarborgen die zijn gelegen in controle ‘aan de poort’ en die zijn gelegen in ondertekening door middel van een gewone elektronische handtekening.
kernklacht(hiervoor samengevat weergegeven onder 3.2 en 3.3) van het middel is dat de rechtbank de officier van justitie vanwege het niet-voldoen aan het wettelijke vereiste van ondertekening niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
overige puntenop (zie de procesinleiding onder 8-9; hiervoor onder 3.4 samengevat weergegeven). Hierbij wordt, kort gezegd, betoogd dat, doordat de officier van justitie geen nadere informatie heeft verstrekt over de (gevolgen van de) ICT-storing, geen beoordeling heeft kunnen plaatsvinden van de vragen hoe en in hoeverre de ICT-storing van invloed is geweest op de behandeling van de onderhavige procedure en evenmin waarom “technische redenen” de ondertekening hebben verhinderd.
5.Onderdeel 2
Voor de beoordeling van dit onderdeel kan echter in het midden blijven op welke datum de burgemeester de genoemde stukken aan de officier van justitie heeft verzonden en op welke datum de officier van justitie de stukken heeft ontvangen. Ik ben namelijk van oordeel dat de klachten van dit onderdeel hoe dan ook niet kunnen slagen, zoals ik hierna zal toelichten.
onverwijldeen afschrift van deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende medische verklaring te zenden aan – onder meer – de officier van justitie (art. 7:2 lid 2 Wvggz Pro). [57]
uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van deze stukken die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet is,bij de rechter een verzoekschrift in voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene.
NJ2015/218).”
maximaleduur is, maar een vaste duur – is in dit geval dus wel bekorting van de duur denkbaar. [68]
voortzettingvan de crisismaatregel kan worden verleend, omdat er dan geen crisismaatregel meer is die kan worden voortgezet, zodat niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie of afwijzing in een dergelijk geval in de rede ligt. [69] Ik deel deze opvatting.
onderdeel 2.