Uitspraak
wonende te [woonplaats],
kantoorhoudende te Rotterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
Beroepsgrond 1, de crisismaatregel was in strijd met het wettelijk systeem
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
20 november 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de toepassing van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) centraal, met name de vraag of een burgemeester procesbevoegd is in beroep tegen een crisismaatregel en of het mogelijk is om een nieuwe crisismaatregel te nemen tijdens de geldigheidsduur van een eerdere machtiging tot voortzetting.
De feiten betroffen een eerste crisismaatregel genomen op 17 januari 2020 en een daaropvolgende machtiging tot voortzetting door de rechtbank. Vervolgens nam de burgemeester op 23 januari 2020 een tweede crisismaatregel met aanvullende vormen van verplichte zorg. Betrokkene stelde beroep in tegen deze tweede maatregel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de tweede crisismaatregel de eerdere voortzetting verving en dat niet-naleving van bepaalde procedurele verplichtingen niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidt.
De Hoge Raad bevestigde dat de burgemeester procesbevoegd is en dat cassatieberoep openstaat tegen de beslissing van de rechter over de crisismaatregel. De Hoge Raad oordeelde dat het nemen van een nieuwe crisismaatregel tijdens de geldigheidsduur van een eerdere voortzetting toelaatbaar is en dat de niet-naleving van de verplichting tot bijstand van een advocaat binnen 24 uur en het niet-afgeven van een afschrift niet de rechtmatigheid van de crisismaatregel aantast. Wel kan in geval van niet-naleving een schadevergoeding worden toegekend. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tweede crisismaatregel wordt als rechtmatig bevestigd.