Conclusie
Renewirespectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding en samenvatting
g-grond). Daarnaast komt het hof tot het oordeel dat de kantonrechter terecht het ontbindingsverzoek wegens disfunctioneren van de werknemer (art. 7:669 lid Pro 3, onder d, BW, ook wel
d-grond) heeft afgewezen. De verzoeken van de werknemer om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding worden toegewezen en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.
Ecofys-beschikking [1] van de Hoge Raad, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Mijns inziens is deze klacht tevergeefs voorgesteld. De voortbouwende klachten in onderdelen 2, 3 en 5 falen daarom ook.
Profoto-beschikking [2] van de Hoge Raad, art. 7:686a lid 6 BW van toepassing is indien de rechter
in hoger beroepvoornemens is te oordelen dat het ontbindingsverzoek van de werkgever ten onrechte is afgewezen, het voornemen heeft een tijdstip te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt en om een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten toe te kennen. Ik meen dat onderdeel 4 terecht is voorgesteld en concludeer op die grond tot vernietiging en verwijzing.
Profoto-beschikking is voorts uitgemaakt dat wanneer de kantonrechter een ontbindingsverzoek heeft toegewezen en de arbeidsovereenkomst reeds is ontbonden, maar het hof voornemens is dat verzoek op een andere grond (in die zaak: de i-grond) alsnog toe te wijzen en daaraan een vergoeding (in die zaak: een cumulatievergoeding) aan te verbinden, ook in die situatie – en dus in appel – de verzoeker de gelegenheid moet krijgen zijn verzoek in te trekken. In de literatuur is erop gewezen dat die overweging in de
Profoto-beschikking zowel wetssystematische als praktische bezwaren oproept. [3] Deze kwestie is aan de orde gesteld in de zaak met zaaknummer 25/03613 (als onderdeel 3 van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel), waarin A-G De Bock vandaag concludeert.
2.Feiten
'Voldoet aan het merendeel van de verwachtingen/eisen (= goed)' . Uit de gedurende deze jaren gevoerde beoordelingsgesprekken rijst het beeld dat [verweerder] zeer deskundig is, over veel kennis van de materie beschikt en zich maximaal inzet. Als terugkerende aandachtspunten worden genoemd: efficiënt en gestructureerd werken, te geringe snelheid waarmee PM-aanvragen worden verwerkt, overzicht houden en goed communiceren.
Onvoldoende, verbetering noodzakelijk.' Daarbij heeft Renewi aangegeven dat de communicatie beter moet. Als motivering voor de beoordeling (B) is verder gegeven: ‘
Als er iets fout gaat communiceer je niet goed. Dit is dit jaar gebeurd met (…) en (…). Dit moet veranderen, vandaar ook de score. Ondanks dat andere elementen echt zijn verbeterd. Ik vind dat ik een signaal 3.6. af moet geven.’
Performance Improvement Plan, hierna ‘
PIP') opgesteld, waarin onder meer is opgenomen dat [verweerder] gaat werken aan verbetering van zijn communicatie, het nakomen van werkafspraken, het beter plannen en organiseren van zijn werkzaamheden, het beter bereikbaar zijn voor stakeholders en het afronden van key controls binnen de gestelde termijnen.
Je krijgt moeilijk grip op je werk. Het kost je te veel kruim om alle ballen in de lucht te houden. Ook het beeld over jou binnen Sales heb je niet kunnen omdraaien. Ik heb onvoldoende vertrouwen gekregen dit jaar om verder met je te gaan. Hoe spijtig ik het ook vind.’ De conclusie van Renewi is dan ook dat zij, bij gebrek aan vertrouwen dat het beter zal gaan, niet met [verweerder] verder wil gaan.
3.Procesverloop
de kantonrechter) verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege disfunctioneren (d-grond) of een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), subsidiair vanwege de combinatiegrond (i-grond).
het hof). Renewi heeft verzocht dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen en dat het hof een tijdstip bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt.
de bestreden beschikking) heeft het hof bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 februari 2026. De grond voor die beëindiging is een verstoorde arbeidsverhouding, die echter is veroorzaakt door Renewi. De verzoeken van [verweerder] om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding worden toegewezen. Renewi is voorts opgedragen per einde dienstverband een afrekening te verstrekken over deze vergoedingen, de vakantietoeslag en de opgebouwde, maar niet-opgenomen vakantiedagen. Het hof heeft Renewi ook veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en heeft de andere verzoeken van [verweerder] afgewezen.
uiterlijk 4 maart a.s. om 14.00 uurvan u vernemen of uw cliënte hiermee kan instemmen?”
uiterlijk morgenochtend 10.00 uuruw reactie ontvangen?”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
d-grond) voordoet (rov. 3.12-3.20). De klacht richt zich met name tegen rov. 3.16 [7] waarin het hof ingaat op de wijze waarop de werkgever de werknemer in de gelegenheid moet hebben gesteld zijn functioneren te verbeteren en daarbij verwijst naar de
Ecofys-beschikking van de Hoge Raad, [8] de toetsing daarvan in het voorliggende geval (rov. 3.17-3.19) en de daarop gebaseerde beslissing dat [verweerder] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn functioneren te verbeteren (rov. 3.20). Ik citeer rov. 3.15-3.20:
verbetertraject
‘Beoordeling: Doelstelling onvoldoende gerealiseerd’. Dat is opmerkelijk want partijen zijn het erover eens dat [verweerder] twee van de vier verbeterpunten nu juist wél heeft gehaald (Key controls en VCA basis certificaat). Wat hier ook van zij, voor [verweerder] was in ieder geval niet duidelijk hoeveel en welke doelstellingen hij moest halen, wanneer een doelstelling als gehaald werd gekwalificeerd en wat het gevolg was als die niet zouden zijn gehaald. De HR businesspartner van Renewi ([betrokkene 2]) heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat tijdens de opstart van Renewi het PIP mondeling met [verweerder] is besproken dat hij vijf a zes verbeterpunten (waarbij zij kennelijk doelstellingen bedoelt) wel moest behalen en dat [verweerder] anders richting uitgang ging. [verweerder] heeft dit echter betwist en genoemde consequentie blijkt ook verder niet uit de processtukken, zodat het hof hier als onvoldoende onderbouwd aan voorbijgaat. Zoals in 3.15. is overwogen, moet het voor de werknemer ([verweerder]) duidelijk zijn wat de consequenties zijn als hij - een of meerdere, ook dat is onduidelijk gebleven - doelstellingen van een verbetertraject niet heeft gehaald. Aan dat vereiste is niet voldaan. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat het voor [verweerder] niet duidelijk was dat het gesprek van 16 april 2024 ook over het einde van zijn dienstverband zou gaan als hij niet alle dan wel meerdere doelstellingen heeft gerealiseerd. Het feit dat [verweerder] had moeten weten dat er een beoordelingsgesprek zou plaatsvinden omdat die gesprekken altijd rond die tijd (mei/april) plaatsvinden, zoals (de HR businesspartner van) Renewi tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, is iets anders dan dat [verweerder] had moeten begrijpen dat tijdens dat gesprek ook de consequentie van het niet met succes doorlopen van het verbetertraject (te weten einde dienstverband) aan hem zou worden meegedeeld.
Ecofys-beschikking en is ook onjuist, dat een werkgever een werknemer slechts dan voldoende de gelegenheid heeft geboden om zijn functioneren te verbeteren als het verbetertraject aldus is vormgegeven dat aan ieder van de door het hof in de laatste volzin van rov. 3.16 gestelde vier deelvereisten is voldaan. Het hof heeft miskend dat wat vereist is steeds afhangt van een genuanceerde weging van alle omstandigheden van het geval, aldus het middel.
onderstreping hier en in citaten hierna door mij toegevoegd; A-G):
de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld
en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeterenen de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer;
verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
de werkgever voldoende contact met de werknemer heeft gehad teneinde te trachten verbetering teweeg te brengen in diens functioneren, en
Ecofys [15] werd in cassatie geklaagd dat het hof had miskend dat op de werkgever de primaire verantwoordelijkheid rust om te bepalen en vast te leggen met welke maatregelen, het volgen van scholing daaronder begrepen, en met het oog op welke daarmee te bereiken doelen, de werknemer zijn tekortschieten diende te verbeteren (rov. 4.1.1). De Hoge Raad verwierp deze klacht en overwoog daartoe het volgende:
Ecofyswas niet alleen de vraag aan de orde
op wiede verantwoordelijkheid lag (primair op de werkgever, maar afhankelijk van de omstandigheden van het geval mag ook actief optreden van de werknemer worden verwacht), maar ook
watvan de werkgever in dat kader kan worden verwacht (het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval “welke hulp, ondersteuning en begeleiding in een concreet geval van de werkgever mag worden verwacht”) en
op welke wijze(het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval “
op welke wijze een en ander moet worden vastgelegd”).
Ecofys-arrest volgt dat de werkgever aan de werknemer serieus en reëel gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden, maar niet dat dit altijd moet zijn gedaan in de vorm van een
formeel verbetertraject.In het verlengde daarvan volgt uit rov. 4.1.4 dat moet worden vastgelegd welke hulp, ondersteuning en begeleiding bij de verbetering in een concreet geval aan de werknemer wordt geboden, [16] maar niet dat deze vastlegging altijd moet geschieden in de vorm van een
formeel verbeterplan.Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan een informeel verbetertraject volstaan. Weliswaar zal in de praktijk vaak een verbeterplan worden opgesteld, [17] maar een dergelijk plan is niet altijd een voorwaarde of startpunt voor een
verbetertraject. [18] De zaak
Ecofyszelf is daarvoor illustratief. De Hoge Raad lijkt daarin ervan uit te gaan dat het hof in die zaak had vastgesteld dat het verbetertraject in ieder geval vanaf september 2016 was aangevangen (rov. 4.1.5), terwijl het (eerste) verbeterplan pas op zijn vroegst medio november 2016 tot stand was gekomen (waarbij het bovendien de vraag was of dit verbeterplan toereikend was). [19]
verbeterplan, vindt steun in rov. 3.15. Onder het kopje ‘verbetertraject’ overweegt het hof dat in het PIP de verbeterpunten zijn vastgelegd. Dit is ook in lijn met de gedingstukken, waarin het verbetertraject door beide partijen het ‘
PIP traject’werd genoemd. [20] Daarbij komt dat de door het hof geformuleerde vereisten in het slot van rov. 3.16 overeenkomen met de vereisten voor een verbeterplan die in de literatuur zijn geformuleerd en die door A-G De Bock in haar conclusie in de zaak
Ecofyszijn aangehaald. [21] Ik lees het zo dat het hof kennelijk in het slot van rov. 3.16 de in de zaak
Ecofysgenoemde omstandigheden heeft willen belichten die specifiek relevant zijn voor de beoordeling van het verbeterplan.
In het beoordelingsgesprek van 16 april 2024 heeft Renewi aan [verweerder] meegedeeld dat niet te verwachten valt dat een verbetering alsnog gaat komen”; rov. 3.18: “
Renewi heeft de verwijten die zij [verweerder] maakt onvoldoende onderbouwd. De motivering bij de beoordelingen zijn enkel van constaterende aard en maken niet voldoende inzichtelijk waarom [verweerder] op die punten tekort is geschoten. (…) Waarom die punten nu (opeens) wel zo zwaar zijn gaan wegen waardoor het functioneren van [verweerder] een onvoldoende (B) is geworden, heeft Renewi onvoldoende onderbouwd toegelicht. (…) De e-mails zeggen kortom niets over de aard en mate van ongeschiktheid van [verweerder].”);
Daarvoor was des te meer reden nu het functioneren van [verweerder] vanaf 2017 tot aan de beoordeling van 20 april 2023 steeds met een C (goed) is beoordeeld. Plannen, organiseren en communiceren waren weliswaar steeds ‘aandachtspunten’, maar die stonden niet aan een C-beoordeling in de weg.”; 3.20: “
Gelet op (…) het feit dat kritiekpunten al eerder waren aangestipt maar nooit aanleiding voor een slechte beoordeling hebben gegeven, is het des te meer van belang om een duidelijk tijdpad met eindtermen en beoordelingssystematiek vast te stellen”);
Gelet op de duur van het dienstverband (…)”);
Vaststaat dat [verweerder] zich tijdens het verbetertraject goed heeft ingezet en dat hij een aantal doelstellingen heeft gehaald.”).
billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen
de hoogte van de billijke vergoeding
Juridisch kader
Ook in hoger beroep bestaat behoefte aan de regeling, dat de rechter, alvorens een ontbinding waaraan een schadevergoeding verbonden is, uit te spreken, partijen in kennis stelt van zijn voornemen, zodat de oorspronkelijke verzoeker zijn verzoek kan intrekken. Dit kan van belang zijn, wanneer de ontbinding door de kantonrechter is afgewezen en de rechtbank voornemens is deze uit te spreken. De overeenkomstige toepassing van het zevende lid voorziet hierin.”
De mogelijkheid om een verzoek tot ontbinding in te trekken, is ingegeven door de gedachte dat een werkgever mogelijk niet tot elke prijs ontbinding wil. Indien hij evenwel de beslissing over de schadevergoeding in hoger beroep opnieuw kan laten toetsen, is er minder reden dat hij daarnaast de bevoegdheid behoudt, in eerste of in tweede instantie, zijn verzoek tot ontbinding in te trekken. Schrapping van deze mogelijkheid betekent wel dat de procedure ex artikel 1639w voor de werkgever minder aantrekkelijk kan worden. Hij loopt immers het risico dat de rechter in hoger beroep een zelfde of hogere schadevergoeding toewijst als de kantonrechter in eerste instantie. Hij zal dat risico moeten afwegen alvorens het verzoek tot ontbinding in te dienen.”
partieelhoger beroep in het kader van de ontbindingsprocedure niet over te nemen in een nieuw wetsvoorstel. Een belangrijke overweging daarvoor was onder meer de gestelde verwevenheid van de beslissingen inzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de vergoeding, als onderdelen van een billijkheidsoordeel dat een eenheid behoort te vormen. Invoering van partieel hoger beroep zou op deze eenheid een inbreuk maken en aldus leiden tot inconsistente besluitvorming op ontbindingsverzoeken. [53] Daarmee was de eerder voorgestelde ontkoppeling van de ontbinding en de vergoeding definitief van de baan. Om goede redenen zou ik menen.
Wwz) [54] – die later is aangepast met de Wet arbeidsmarkt in balans (
Wab) [55] – is de ontbindingsprocedure van art. 7:685 (oud) BW komen te vervallen en is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever in art. 7:671b BW geregeld.
rechter in hogerberoep of na verwijzing in cassatie oordeelt dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen, hij de werkgever kan veroordelen
de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoedingtoe te kennen. [59] Het vijfde lid bepaalt dat, indien de rechter in hoger beroep of na verwijzing in cassatie oordeelt dat het ontbindingsverzoek van de werkgever of de werknemer ten onrechte is afgewezen, de rechter
bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
moet informeren en een termijn moet geven waarbinnen het ontbindingsverzoek kan worden ingetrokken.
in hoger beroep. Er is discussie ontstaan of de intrekkingsmogelijkheid ook in hoger beroep bestaat of niet. Op die vraag ga ik nu nader in.
een ontbinding uitspreekt. Krachtens art. 7:683 lid 5 BW Pro ontbindt de rechter de arbeidsovereenkomst niet indien hij in hoger beroep of na verwijzing in cassatie oordeelt dat het ontbindingsverzoek van de werkgever of de werknemer ten onrechte is afgewezen. Zoals wij zojuist zagen in 4.47, bepaalt de appelrechter (slechts) op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Ontbinden in strikte zin, dat doet alleen de kantonrechter. Daarbij komt dat art. 7:671b en 7:671c BW in dit vijfde lid wél van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in hoger beroep, maar art. 7:686a lid 6 BW niet wordt genoemd.
de i-grond) ontbindt. [74] Omwille van de rechtszekerheid is deze extra vergoeding gemaximeerd: zij bedraagt ten hoogste de helft van de transitievergoeding. Voor het overige heeft de rechter speelruimte om maatwerk te bieden. [75]
Mogelijkheid tot intrekking ontbindingsverzoek
BAM-beschikking van 2018 verduidelijkt dat de term ‘vergoeding’ in art. 7:686a lid 6 en 7 BW niet omvat de
transitievergoedingop de voet van art. 7:673 BW Pro. De Hoge Raad overwoog: [77]
billijke vergoedingwegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is opgenomen in deze bepaling(en), lijkt te kunnen worden aangenomen dat de intrekkingsmogelijkheid wél op de billijke vergoeding van toepassing is. Dit lijkt mij eveneens te volgen uit de hierboven weergegeven
BAM-beschikking en vindt steun in de literatuur. [78] Sagel heeft in dat kader betoogd dat het belang bij de intrekkingsmogelijkheid voor de werkgever bij de billijke vergoeding in de meeste gevallen groter is dan bij de cumulatievergoeding, omdat de billijke vergoeding niet gemaximeerd is en daarom vaak hoger uitvalt dan de cumulatievergoeding die ook alleen kan worden toegekend ingeval van een ontbinding op grond van de i-grond. [79]
omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden, de werkgever de gelegenheid krijgt om het verzoek in te trekken, binnen een door de rechter te noemen termijn.” In het dictum staat vervolgens dat de rechter de werkgever in de gelegenheid stelt om het verzoek uiterlijk op een bepaalde datum in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de wederpartij. Vervolgens staat in het dictum dat, voor het geval de werkgever het verzoek niet binnen de termijn intrekt, de rechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van een toekomstige datum ontbindt. [80] Een alternatieve werkwijze houdt in dat de arbeidsovereenkomst
wordtontbonden, maar in het dictum wordt opgenomen dat deze beslissing rechtskracht ontbeert indien het verzoek wordt ingetrokken binnen een bepaalde termijn. [81] Ik kan mij voorstellen dat de eerste route meer zekerheid biedt dan een ontbinding zonder rechtskracht. [82]
Profoto-beschikking, de intrekkingsmogelijkheid niet is toegepast. Een verklaring daarvoor kan zijn dat het steeds ging om gevallen waarin de arbeidsovereenkomst wél reeds door de kantonrechter was ontbonden en er geen ontbindingsverzoek meer lag dat kon worden ingetrokken zodat de intrekkingsmogelijkheid van art. 7:686a lid 6 BW praktisch belang miste. [85] Dit zijn wat ik hierna ‘type 2 zaken’ zal noemen.
Profoto-beschikking [86] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de intrekkingsbevoegdheid van toepassing is in hoger beroep bij toekenning van de cumulatievergoeding. In die zaak had de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van de e-grond en was de werknemer daartegen in hoger beroep gegaan. Het Hof Amsterdam oordeelde dat die grond niet voldragen was, maar liet de uitgesproken ontbinding niettemin in stand op basis van de i-grond en kende geen cumulatievergoeding toe als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW, omdat de werknemer daar in hoger beroep (anders dan in eerste aanleg) niet om had verzocht. In die feitelijke context oordeelde de Hoge Raad dat art. 7:686a lid 6 BW van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep.
Profoto-beschikking en voeg voor het leesgemak een alineanummering toe:
hij ingevolge art. 7:686a lid 6 BW partijen van zijn voornemen een extra vergoeding toe te kennen in kennis stellen en de werkgever in de gelegenheid stellen het verzoek in te trekken. [88]
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat dan ook art. 7:686a lid 6 BW van overeenkomstige toepassing is. Een ander brengt mee dat als de rechter in hoger beroep het voornemen heeft om te beslissen dat een in eerste aanleg afgewezen ontbindingsverzoek toewijsbaar is op de i-grond en om aan de bepaling van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt – al dan niet ambtshalve – de extra vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW te verbinden, hij partijen van zijn voornemen een extra vergoeding toe te kennen in kennis moet stellen en de werkgever gelegenheid moet geven zijn verzoek in te trekken.
het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen op grond van art. 7:669 lid Pro 3, onderdeel c, d, e, g of h, BW en dat het verzoek om ontbinding wel toewijsbaar was op de i-gronden die rechter het voornemen heeft aan de werknemer –
al dan niet ambtshalve– de extra vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW toe te kennen, moet hij partijen van zijn voornemen de extra vergoeding toe te kennen in kennis stellen en de werkgever gelegenheid geven zijn verzoek in te trekken. Indien de werkgever dat doet, kan de rechter met overeenkomstige toepassing van art. 7:683 lid 3 BW Pro de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen.”
eerste alineaoverweegt de Hoge Raad dat de rechter ambtshalve de i-grond moet toepassen op grond van art. 25 Rv Pro. Ook voor de toekenning van een cumulatievergoeding, die samenhangt met de ontbinding op de i-grond, is niet vereist dat de werknemer daarom heeft verzocht.
tweede alineabespreekt de Hoge Raad de intrekkingsmogelijkheid van art. 7:686a lid 6 BW in eerste aanleg. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wab (waarbij de i-grond en de cumulatievergoeding zijn ingevoerd) overweegt hij dat de intrekkingsmogelijkheid ook geldt indien de rechter voornemens is de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de i-grond onder toekenning van de cumulatievergoeding. Het valt op dat de Hoge Raad in de laatste volzin een van de wettekst van art. 7:686a lid 6 BW licht afwijkende formulering gebruikt. Zit daar wat achter? Ik denk het niet. Mij lijkt dat althans niet te duiden op een relevant verschil: als de rechter voornemens is om aan de beëindiging van een overeenkomst een cumulatievergoeding te verbinden moet de werkgever zijn verzoek binnen een bepaalde termijn kunnen intrekken. Wanneer de werkgever (en bij een werknemersontbinding de werknemer) in de gelegenheid wordt gesteld om zijn verzoek in te trekken, impliceert dit mijns inziens dat daarvoor een termijn wordt gegeven, en wel een termijn “ingevolge art. 7:686a lid 6 BW”. Daarin ligt mijns inziens besloten dat een termijn moet worden gesteld waarbinnen de intrekking kan plaatsvinden.
derde alineaoverweegt de Hoge Raad dat art. 7:686a lid 6 BW van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep, in het geval dat de appelrechter oordeelt dat een verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ten onrechte is afgewezen en alsnog toewijsbaar is op de i-grond en hij voornemens is de cumulatievergoeding toe te kennen. Ik spreek hierna van
type 1 zaken. De door de Hoge Raad genoemde grondslag van deze overeenkomstige toepassing is een ‘
redelijke wetstoepassing’. In het geval dat de appelrechter wordt verzocht te doen wat de kantonrechter verzocht was te doen maar niet heeft gedaan (door de verzochte ontbinding
nietuit te spreken) en indien appelrechter van oordeel is dat dit verzoek moet worden toegewezen (door een datum te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd), dan ligt het in de rede dat de appelrechter dezelfde procedure moet volgen als in eerste aanleg is voorgeschreven. Dit betekent dat indien de appelrechter van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst moet worden beëindigd maar tevens termen ziet om aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen, hij dit voornemen, onder opgave van de hoogte van de billijke vergoeding, aan partijen moeten meedelen en de werkgever de gelegenheid moeten geven zijn verzoek in te trekken. Indien de werkgever daarop zijn verzoek intrekt, kan de rechter slechts oordelen over de proceskosten. Hij kan niet het meegedeelde bedrag van de billijke vergoeding neerwaarts bijstellen. In type 1 zaken moet in hoger beroep daarom op een vergelijkbare manier als in eerste aanleg toepassing worden gegeven aan de intrekkingsmogelijkheid.
laatste alineavan rov. 3.4.3 gaat de Hoge Raad in op de situatie dat de rechter in hoger beroep oordeelt dat (i) het verzoek van de werkgever om ontbinding in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen op grond van art. 7:669 lid Pro 3, onderdeel c, d, e, g, of h, BW, (ii) dat het verzoek in hoger beroep niettemin op een andere grond toewijsbaar is, namelijk de i-grond en (iii) dat een cumulatievergoeding moet worden toegekend, ook als daar niet (in hoger beroep) om is gevraagd. Dat was de feitelijke situatie in de zaak
Profoto: de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding was terecht maar de daaraan ten grondslag gelegde gronden waren onjuist. [90] Ik noem een dergelijke situatie als gezegd een
type 2 zaak. Ook in dat geval moet de appelrechter partijen van zijn voornemen in kennis stellen en de werkgever de gelegenheid geven zijn verzoek in te trekken, aldus de Hoge Raad. Dat laatste ligt echter een stuk minder voor de hand dan in type 1 zaken, waarop de derde alinea betrekking heeft. Immers, de arbeidsovereenkomst was in
Profotoreeds door de kantonrechter ontbonden zodat ten tijde van de beslissing van het hof er van de werkgever geen verzoek meer lag dat deze kon intrekken. In
Profotowas het ook de werknemer die in hoger beroep was gegaan. [91]
Profototot de nodige hoofdbrekens leidt. Zij wijzen er verder op dat het voor de werkgever niet aantrekkelijk zal zijn te kiezen voor intrekking van het ontbindingsverzoek als dat betekent dat de werkgever op de voet van art. 7:683 lid 3 BW Pro een hoger bedrag aan loon (wegens het herstel van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht) of een billijke vergoeding moet betalen. Ook suggereren zij dat de rechter duidelijk moet maken wat de rechtsgevolgen op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro zullen zijn, zodat de werkgever een goede afweging kan maken of hij wil intrekken of niet. Vergelijkbare moeilijkheden komen op indien de
Profoto-beschikking moet worden doorgetrokken naar de billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten.
Bespreking van de klachten
wettelijke verplichtingvoor de rechter om de verzoeker die mogelijkheid te geven indien hij het voornemen heeft een ontbinding uit te spreken onder toekenning van deze vergoeding, waaronder een billijke vergoeding. Zoals gezegd (zie hiervoor 4.51) is het bepalen van een tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt (art. 7:683 lid 5 BW Pro) in wezen niets anders is dan het ontbinden van de arbeidsovereenkomst. Daarbij komt dat de ratio van de intrekkingsmogelijkheid (dat de verzoeker niet tegen elke prijs ontbinding wil) ook opgaat in hoger beroep. Echter, omdat het belang van de intrekkingsmogelijkheid met de opheffing van het rechtsmiddelverbod tegen de ontbindingsbeslissing minder groot is geworden en de intrekkingsmogelijkheid tegen in het kader van een gesloten stelsel van ontslaggronden voor kritiek vatbaar is, kan worden onderzocht of er gronden zijn om de toepassing van art. 7:686a lid 6 BW te beperken.
Profoto-lijn, zowel voor de type 1 zaken als voor de type 2 zaken, niet doorgetrokken moet worden naar de billijke vergoeding en dus alleen zou gelden voor de cumulatievergoeding (in welk geval onderdeel 4 zou falen). Aanknopingspunt voor dat standpunt zou kunnen zijn dat de Hoge Raad in
Profototelkens specifiek spreekt over de cumulatievergoeding. Deze inperking zou bepaalde van de in de literatuur gesignaleerde praktische complicaties kunnen voorkomen.
het type vergoeding. Indien de intrekkingsmogelijkheid van toepassing is bij het voornemen om een cumulatievergoeding toe te kennen, zou dat ook, mogelijk zelfs
a fortiori, moeten gelden voor de billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW. Die laatste vergoeding is, anders dan de cumulatievergoeding, namelijk niet gemaximeerd en kan zien op een (veel) hoger bedrag dan de cumulatievergoeding. Dat de werkgever geconfronteerd kan worden met een hoge vergoeding, waar hij geen rekening mee heeft gehouden, is zeker een relevante reden om de billijke vergoeding juist wel te laten vallen onder de reikwijdte van het intrekkingsrecht genoemd in art. 7:686a lid 6 BW. De ratio van de intrekkingsmogelijkheid is immers (financiële) verrassingen te voorkomen. Ik erken echter dat daarover ook anders kan worden gedacht. [98] Schrapping van het intrekkingsmogelijkheid in hoger beroep zou een radicaler maar mijns inziens wel een logischer alternatief zijn dan de reikwijdte ervan in te willen perken tot de – relatief weinig toegekende – cumulatievergoeding.
Profoto-beschikking in te perken. Die beschikking staat in de sleutel van de ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden (art. 25 Rv Pro). Ik heb mij daarom afgevraagd of aan het verrassingselement, dat inherent is aan ambtshalve toepassing, een grond is te ontlenen om in type 2 zaken
Profotoalleen van toepassing te achten als de appelrechter ambtshalve besluit een bepaalde ontbindingsrond toe te passen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen en een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW toe te kennen.
Profoto-beschikking kan worden beperkt is echter de vraag. Ten eerste had in de zaak
Profotode werknemer in de procedure bij de kantonrechter subsidiair om een cumulatievergoeding verzocht (waar de kantonrechter niet aan toe was gekomen) [99] en had hij dat subsidiaire verzoek in hoger beroep niet prijs gegeven. Ten tweede overweegt de Hoge Raad in
Profotoin de derde en de vierde alinea van rov. 3.4.3 dat het, met betrekking tot de cumulatievergoeding, geen verschil maakt of die vergoeding is verzocht of niet (“
al dan niet ambtshalve”). Anders gezegd, ook als de werknemer in het kader van zijn verweer expliciet heeft verzocht om de cumulatievergoeding (en de werkgever zich daartegen heeft kunnen verweren), dan dient de rechter nog steeds de werkgever de gelegenheid te bieden zijn verzoek in te trekken en hem daartoe een termijn te stellen. De intrekkingsmogelijkheid in hoger beroep willen beperken tot gevallen waarin de rechter
ambtshalveeen vergoeding wil toekennen lijkt daarom niet een manier om de reikwijdte van de
Profoto-beschikking af te bakenen en in te perken. Mogelijk biedt zaak 25/03613, een type 2 zaak, de Hoge Raad gelegenheid een verduidelijking te geven van de vierde alinea van rov. 3.4.3 van de
Profoto-beschikking. De onderhavige zaak, van het type 1, nodigt daar niet toe uit.