Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Utrecht,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
[verzoeker] te beslissen (vgl. art. 392 lid 1 Rv Pro).
4.Beslissing
20 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft de prejudiciële vragen over de rechtmatigheid van artikel 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder b, BW, dat werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt uitsluit van het recht op transitievergoeding. De verzoeker, een werknemer die zijn arbeidsovereenkomst beëindigde bij het bereiken van de AOW-leeftijd, vorderde betaling van een transitievergoeding.
De Hoge Raad onderzocht of deze uitsluiting in strijd is met de Europese richtlijn 2000/78/EG inzake gelijke behandeling op grond van leeftijd. De Hoge Raad concludeerde dat er sprake is van directe leeftijdsdiscriminatie, maar dat deze gerechtvaardigd is door een legitiem doel: voorkomen dat transitievergoedingen worden toegekend aan personen die niet langer op arbeid zijn aangewezen voor hun levensonderhoud.
De Hoge Raad benadrukte dat de regeling passend en noodzakelijk is, mede gezien de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en het doel van de Wet werk en zekerheid om het ontslagrecht eenvoudiger en minder kostbaar te maken. Bovendien is geen individuele toetsing vereist, omdat het abstracte en gestandaardiseerde karakter van de regeling praktische uitvoerbaarheid waarborgt.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de wettelijke uitsluiting van transitievergoeding bij het bereiken van de AOW-leeftijd en wijst de vordering van de verzoeker af.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke uitsluiting van transitievergoeding bij het bereiken van de AOW-leeftijd niet in strijd is met EU-richtlijn en wijst de vordering af.