Conclusie
werkgeverligt? Het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep gaat over de vraag of het hoger beroep tijdig is ingesteld, nu het appelschrift
nahet verstrijken van de appeltermijn is binnengekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden, na verwijzing door het hof Amsterdam (waar het beroepschrift binnen de appeltermijn was ingediend) op grond van art. 270 Rv Pro.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Het juridisch kader
Decor-beschikking besliste de Hoge Raad dat dat niet uitsluit dat de rechter bij zijn oordeelsvorming of sprake is van een van de ontslaggronden van art. 7:669 lid 3 BW Pro, acht slaat op de in deze oude regelgeving vervatte gezichtspunten. [6] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz valt immers af te leiden dat de in art. 7:669 lid 3 BW Pro omschreven ontslaggronden aan deze oude regelgeving zijn ontleend en dat op dat punt geen wijziging is beoogd, zo overwoog de Hoge Raad. [7] Om die reden zal ik bij de bespreking van de verschillende vereisten voor een ontslag wegens disfunctioneren ook steeds vermelden wat de voorheen geldende Beleidsregels daarover inhielden.
takendie in het functieprofiel zijn opgenomen. Het UWV omschreef taken in de Beleidsregels als activiteiten en handelingen, ofwel de kerntaken van de functie en het samenstel van werkzaamheden. [10] Het functieprofiel vermeldt daarnaast vaak welke
vaardighedenvereist zijn. In de Beleidsregels werden vaardigheden omschreven als
‘die functie-eisen die betrekking hebben op de bekwaamheid, handigheid of bedrevenheid die nodig is voor het uitoefenen van de functie’. [11] Vaardigheden worden verkregen door middel van kennis en ervaring. Soms zijn voor een functie ook
competentiesvastgesteld. Competenties werden door het UWV omschreven als
‘waarneembaar effectief gedrag’. [12] Het functieprofiel vermeldt soms ook de gewenste eigenschappen of gedragskenmerken, zoals karakter, houding en gedrag. [13] In sommige organisaties bevat het functieprofiel tot slot ook een overzicht van de resultaten die behaald moeten worden (bijvoorbeeld de te behalen targets).
De leden van de CDA-fractie merken op dat volgens het onderhavige voorstel een kantonrechter bij slecht functioneren van een werknemer het arbeidscontract niet kan ontbinden, als hij van oordeel is dat de werkgever hem onvoldoende tijd heeft gegund om zijn functioneren te verbeteren. Dit is aan het ambtenarenrecht ontleend, zo menen zij, waar ontslag wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte een aparte ontslaggrond is en waar naar vaste jurisprudentie een ontslag op deze grond slechts door de rechter in stand wordt gelaten indien de ambtenaar voldoende tijd voor verbetering is gegund. Algemeen wordt erkend dat dit in het ambtenarenrecht niet goed functioneert, waarom is hier dan toch voor gekozen? (…)
Zoals in de memorie van toelichting (pagina 43 en verder) en in de nota naar aanleiding van het verslag (pagina 43/44) toegelicht, zijn de criteria die gelden voor een rechtsgeldig ontslag wegens disfunctioneren ontleend aan het huidige Ontslagbesluit. Op grond hiervan geldt dat ontslag wegens onvoldoende functioneren mogelijk is als de werkgever de werknemer hier reeds eerder op heeft aangesproken en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer. Als aan deze voorwaarden niet is voldaan, zal de rechter de arbeidsovereenkomst niet kunnen ontbinden. Zou de rechter de arbeidsovereenkomst desondanks wel kunnen ontbinden dan worden deze voorschriften in feite loos en is er voor een werkgever ook geen enkele stimulans om te trachten verbetering aan te brengen in het functioneren van de werknemer, bijvoorbeeld door scholing, of tot verbetering van de arbeidsomstandigheden. De regering acht dat, mede gelet op het streven om werknemers duurzaam inzetbaar te houden, ongewenst.”
De werknemer mag niet door de ontslagaanvraag wegens disfunctioneren worden ‘overvallen’. Belangrijk is dan ook dat de werkgever hierover eerst met de werknemer heeft gesproken, en getracht, al dan niet via aanbod van een alternatieve functie, het functioneren te verbeteren.Hiermee wordt gedoeld op het derde criterium van artikel 5:1 lid 1 van Pro het Ontslagbesluit. Dat verplicht de werkgever voldoende contact te hebben met de werknemer om verbetering teweeg te brengen in zijn functioneren (eventueel ook door scholing aan te bieden). Dat contact moet gericht zijn op verbetering, en mag zich niet beperken tot het enkele “registreren” of “rapporteren” van het (gesteld) tekortschietende functioneren. (...) ”
schriftelijkmoet gebeuren. In theorie is het dus ook mogelijk dat de werkgever het disfunctioneren mondeling met de werknemer bespreekt. De werkgever die de mededelingen aan de werknemer dat hij niet goed functioneert niet of onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd, zal in de praktijk echter problemen ondervinden bij het aantonen van de verschillende eisen voor een ontslag op de d-grond. Schriftelijke vastlegging (‘dossieropbouw’) verdient dus zonder meer de voorkeur, zowel voor wat betreft het disfunctioneren, het tijdig in kennis stellen daarvan, als van de hierna te bespreken eis van gelegenheid geven te verbeteren. [23]
verbeteringvan de werknemer, en dus niet op een ‘enkele mededeling’ (‘rapporteren’) van onvoldoende functioneren. Ten slotte kan uit de aangehaalde passage worden afgeleid dat wát in een concreet geval van de werkgever kan worden gevergd, afhangt van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van de werkgever, de lengte van het dienstverband en de ervaring van de werknemer, en dat alle omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen.
eerste plaatsmoet vóór aanvang van het verbetertraject een plan van aanpak of verbeterplan worden opgesteld. In het verbeterplan moet de werkgever aan de hand van concrete voorbeelden op een inzichtelijke wijze toelichten waar het bij het functioneren van de werknemer precies aan schort, wat de werkgever precies van de werknemer in zijn functie verwacht en op welke wijze of met welke instrumenten de werkgever verwacht dat de beoogde verbetering moet worden bereikt. De werkgever draagt de eindverantwoordelijkheid voor het verbeterplan. In de
tweede plaatsgelden eisen ten aanzien van de houding ten opzichte van het verbetertraject, zowel van werknemer als van werkgever. Van de werknemer mag worden verwacht dat hij meewerkt aan een (redelijk) verbetertraject. Maar ook van de werkgever wordt een actieve houding verwacht: hij moet de werknemer de handvatten geven die nodig zijn om het functioneren op het gewenste niveau te krijgen. De werkgever moet de werknemer bovendien wel een eerlijke kans geven. In de
derde plaatsgelden er eisen ten aanzien van de lengte van het verbetertraject. De rechtspraak is op dit punt niet erg duidelijk, maar de lengte van het verbetertraject lijkt niet geheel los te staan van de lengte van het dienstverband. Ook de aard van de functie kan een rol spelen bij het bepalen van de lengte van het verbetertraject. In de
vierde plaatsgelden eisen ten aanzien van de evaluatie van het verbetertraject. Van de werkgever wordt verwacht dat er gedurende het verbetertraject met enige regelmaat een evaluatie plaatsvindt en aan het einde van het traject een eindevaluatie. Zowel bij de tussentijdse evaluaties als de eindevaluatie dient de werkgever aan de hand van de in het verbeterplan geformuleerde doelstellingen te beoordelen of het functioneren van de werknemer nu op het afgesproken en gewenste niveau is. Deze evaluaties van het verbetertraject dienen schriftelijk te zijn vastgelegd.
In een plan van aanpak zullen in principe eerst de geconstateerde tekortkomingen worden beschreven. In dat verband kan ook eenvoudigweg worden verwezen naar de beoordeling, waaruit deze tekortkomingen volgen. Verder zal er een helder tijdspad in staan: welke termijn wordt de werknemer gegeven om zijn functioneren te verbeteren? Dit moet een realistische termijn zijn. Ook moet de wijze van begeleiding hierin staan. Wie ondersteunt de
- een beschrijving van de tekortkomingen van de werknemer;
- een beschrijving van de concrete en specifieke doelstellingen die de werknemer dient te behalen;
- binnen welk tijdsbestek dat moet plaatsvinden;
- de wijze van begeleiding van de werknemer;
- concrete en meetbare doelstellingen die behaald moeten worden;
- wanneer de eindevaluatie plaatsvindt;
- wat de consequenties zijn als de werknemer de afgesproken einddoelen niet heeft behaald.
waaruit reeds blijkt dat de werkgever een werknemer niet wegens disfunctioneren kan ontslaan als de ongeschiktheid het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer”. De op de werkgever rustende verplichting tot het aanbieden van scholing, heeft dus een rechtstreekse relatie met het vierde vereiste bij een ontslag wegens disfunctioneren, namelijk dat het disfunctioneren niet het gevolg mag zijn van onvoldoende zorg voor scholing. Hieruit volgt dat de werknemer de gelegenheid moet krijgen om de voor de functie benodigde kennis en vaardigheden actueel te houden. Gedacht kan worden aan het bijhouden van technische ontwikkelingen, het behalen van verplichte opleidingspunten of het behalen van een noodzakelijk diploma. [44]
4.De bespreking van het principale cassatiemiddel
sales targetgepresteerd (rov. 4.8).
sales targetheeft gepresteerd – en haar presteren vanaf 2015 ook over het geheel als onvoldoende is beoordeeld – en dat er reeds in 2014 zorgen waren over haar manier van samenwerking/communicatie en de wijze waarop zij omging met feedback (rov. 4.9).
sales targetgaat halen, zij onvoldoende heeft aangegeven wat zij gaat veranderen in haar gedrag en hoe zij van plan is om te gaan met feedback op haar functioneren (rov. 4.11).
onderdeel 1geeft het in rov. 4.11 tot en met rov. 4.13 besloten liggende oordeel van het hof, dat Ecofys de Werkneemster in de omstandigheden van het geval in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van Ecofys voor scholing van de Werkneemster, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat het hof heeft miskend dat op de werkgever de primaire verantwoordelijkheid rust niet alleen (i) om die werknemer (schriftelijk) te informeren op welke punten dat functioneren tekort schiet, maar ook om te bepalen en (schriftelijk) vast te leggen (ii)
hoe, dat wil zeggen: met welke
maatregelen, het volgen van scholing daaronder begrepen, en met het oog op welke daarmee te bereiken
doelen, die werknemer dat tekortschieten dient te verbeteren en dat de werkgever die verplichting niet eenzijdig kan overdragen/opleggen aan de werknemer. Althans heeft subsidiair te gelden dat de werkgever die verantwoordelijkheid behoudens zwaarwegende, althans bijzondere – en dus in de motivering tot uitdrukking te brengen – omstandigheden niet eenzijdig kan overdragen/opleggen aan de werknemer (cassatieverzoekschrift onder 15).
follow-upvan dat plan. Ook zou dat aannemelijk maken waarom van de Werkneemster in maart 2017 kon worden gevergd ‘haar laatste verbeterplan’ op te stellen (zie overweging xx).
Het was uit de goedheid van zijn hart dat de General Manager de Werkneemsteronverplicht
nog een kans gaf”, zo wordt gesteld. Deze uitleg lijkt mij echter moeilijk te verenigen met overweging xx, waarin het hof de Werkneemster voorhoudt dat de door de Leidinggevende gegeven feedback zeer uitvoerig en concreet was, en dat de Werkneemster begin maart (dus ná februari 2017) een compilatie van alle feedback heeft gekregen voor ‘het opstellen en insturen van het laatste verbeterplan’. Uit de woorden waarmee deze zin beginnen (‘
Bij het voorgaande betrekt het hof …’) blijkt dat het hof dit
medeals argument gebruikt ter weerlegging van het direct daarvoor weergegeven betoog van de Werkneemster, dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad haar functioneren te verbeteren (zie overweging xix). Met andere woorden, de gang van zaken rond het tweede verbeterplan betrekt het hof bij zijn oordeel dat de Werkneemster voldoende gelegenheid heeft gehad haar functioneren te verbeteren. Hieruit kan moeilijk iets anders worden afgeleid dan dat de Werkneemster in de ogen van het hof een tweede verbeterplan had moeten opstellen; dat het hof haar tegenwerpt dat Ecofys dat onvoldoende vond, terwijl zij volgens het hof genoeg handvatten had om wel een goed plan op te stellen.
5.De bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
soepele mogelijkheden tot herstel van gemaakte fouten te bieden”. [55] Het procesrecht heeft een dienende functie en moet derhalve zo min mogelijk valkuilen bevatten, zo is in de memorie van toelichting te lezen. [56] De bepalingen passen daarmee in de deformalisering van het burgerlijk procesrecht.
in de stand waarin zij zich bij de verwijzing bevindt’ wordt voortgezet voor de rechter naar wie de zaak is verwezen.
in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechter, die haar in die stand behoort te berechten.’ Uit de memorie van toelichting bij art. 157a Rv (oud) blijkt dat de bepaling ziet op situaties waarin de rechter “
pas bij het wijzen van vonnis ambtshalve zijn onbevoegdheid en verwijzing naar een andere gewone rechter uitspreekt.” In dat geval “
geschiedt de verwijzing na het overleggen van de stukken voor vonnis en wordt zij in die stand verwezen.” [57] Kennelijk is met de bepaling dus beoogd te voorkomen dat in zo’n geval partijen weer van voren af aan zouden moeten beginnen met de procedure en opnieuw processtukken moeten indienen. Om dat te voorkomen, moet de rechter naar wie de zaak is verwezen, uitspraak doen op grond van de stukken die voor de eerste rechter zijn gewisseld, zo is te lezen bij Rutten. [58] Ook volgt uit de bepaling dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, niet mag terugkomen ‘op wat tevoren is geschied’. [59]
in hun ressort. Deze regel van relatieve bevoegdheid is van openbare orde, en moet ambtshalve door de appelrechter worden toegepast. [64] In 1984 besliste de Hoge Raad dat de regel met betrekking tot de relatieve bevoegdheid van de hoven gelijk gesteld moet worden met de in art. 72 en Pro 73 Rv bedoelde gevallen van absolute bevoegdheid. [65] Dat betekent dat het hof dat relatief onbevoegd is, zich zowel in verzoekschriftprocedures als in dagvaardingsprocedures ambtshalve onbevoegd moet verklaren.
bij hemtijdig – binnen de appeltermijn – is binnengekomen, maar moet uitgaan van de tijdige ontvangst bij de verwijzende rechter. Met andere woorden: de datum van de oorspronkelijke rechtsingang is beslissend. [66] Dit betekent dat het hof Arnhem-Leeuwarden zich terecht niet meer heeft afgevraagd of het beroepschrift bij dát hof tijdig was binnengekomen. Het beroepschrift was immers tijdig ingediend bij het hof Amsterdam en daar diende het hof Arnhem-Leeuwarden vanuit te gaan.