ECLI:NL:PHR:2026:293

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/00667
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 226g SvArt. 44a SrArt. 6 EVRMArt. 3 EVRMArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie in megazaak Eris over kroongetuigeovereenkomst, vormverzuimen en levenslange gevangenisstraf

In de megazaak Eris, waarin meerdere liquidaties en voorbereidingen daarvan centraal staan, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord en andere ernstige feiten. Het onderzoek betrof een criminele organisatie die liquidaties uitvoerde en gebruikte PGP-telefoons voor communicatie.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. De middelen betroffen onder meer de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst, de sanctionering van vormverzuimen bij onderzoek aan elektronische gegevensdragers en verkeers- en locatiegegevens, het afzien van het oproepen van een niet-verschenen getuige, de bewijsvoering omtrent de identiteit van de verdachte achter een PGP-account, de bewezenverklaring van medeplegen van uitlokking van moord, en de oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

De Hoge Raad bevestigt dat de kroongetuigeovereenkomst rechtmatig is gesloten en dat de verlaging van de strafeis binnen de beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie valt. Vormverzuimen bij het onderzoek aan gegevensdragers en verkeers- en locatiegegevens zijn vastgesteld, maar leiden niet tot bewijsuitsluiting of strafvermindering omdat de belangen van de verdachte niet concreet zijn geschaad en het onderzoek noodzakelijk was gezien de ernst van de feiten.

Het hof mocht afzien van het oproepen van een niet-verschenen getuige omdat deze niet binnen een aanvaardbare termijn kon worden getraceerd en het proces als geheel eerlijk was. De bewijsvoering omtrent de identiteit van de verdachte achter de PGP-account is voldoende gemotiveerd en begrijpelijk. De bewezenverklaringen van medeplegen van uitlokking van moord zijn gebaseerd op uitgebreide bewijsmiddelen, waaronder chatberichten, verkeersgegevens en getuigenverklaringen.

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM Pro, mede vanwege de waarborgen in de herbeoordelingsprocedure en rechtsbescherming door de burgerlijke en penitentiaire rechter. Alle middelen falen, en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de levenslange gevangenisstraf wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer25/00667

Zitting24 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-003038-22) wegens:
- Ten aanzien van het deelonderzoek Charon (16-706595-19)
Subsidiair: “
medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord
- Ten aanzien van het deelonderzoek Eend (16-659027-20)
Primair: “
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord
- Ten aanzien van de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif, Spreeuw, Barbera en Arford (16-659137-19)
Feit 1, nog meer subsidiair: “
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord
Feit 2, primair: “
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord, meermalen gepleegd
Feit 3, primair: “
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord, meermalen gepleegd
Feit 4, primair: “
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord
Feit 5, meer subsidiair: “
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord, meermalen gepleegd
Feit 6, meer subsidiair: “
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord, meermalen gepleegd
- Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659033-20)

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Daarnaast heeft het hof een, niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissing genomen over het beslag, en over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00542, 25/00537, 25/00524, 25/00579, 25/00690, 25/00689, 25/00688, 25/00659 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic en L.M.M. Weyers, beiden advocaat in Amsterdam, hebben zeven middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. [1] In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen.
5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde:
(1). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst;
(2). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Prokuratuur’ en ‘Landeck’;
(3). de beslissing af te zien van het oproepen van een niet-verschenen getuige;
(4). de identificatie van de persoon die schuilging achter PGP-account ‘ [accountnaam 1] ’;
(5). de bewezenverklaring van medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord in deelonderzoek Charon;
(6). de bewezenverklaring van medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord in deelonderzoek [slachtoffer 5] ;
(7). de oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

Het eerste middel

Inleiding
6. Het middel komt op tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en tegen de verwerping van een daarmee verband houdend niet-ontvankelijkheidsverweer. Geklaagd wordt dat het OM bij het bepalen van de strafeis is uitgegaan van een gevangenisstraf van
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld.
Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis
7. De door de rechter-commissaris rechtmatig bevonden overeenkomst hield in dat het OM zonder de afspraken met de kroongetuige een gevangenisstraf zou hebben geëist van vierentwintig jaren en dat die strafeis zou worden verminderd met 50% wanneer de kroongetuige zijn afspraken onverkort zou nakomen. De verlaging van de basisstrafeis van vierentwintig naar twintig jaren brengt, aldus de stellers van het middel, met zich dat deze afspraak is komen te vervallen. De gewijzigde afspraak is niet onderworpen geweest aan toetsing door de rechter-commissaris. Dit betekent dat de gewijzigde afspraak niet kan gelden als een rechtmatige afspraak tussen het OM en een kroongetuige als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr.
8. De wijziging van de vi-regeling die ingevolge de Wet straffen en beschermen is ingetreden, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die een afwijking van de door de rechter-commissaris getoetste afspraak rechtvaardigt omdat die wijziging (naar het oordeel van de Hoge Raad) geen verzwaring oplevert van de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was (als bedoeld in artikel 7 EVRM Pro en artikel 15 IVBPR Pro), maar slechts een wijziging van de executie ervan. De vermindering van de geëiste straf met méér dan de helft van de basisstrafeis van vierentwintig jaar, was dan ook ontoelaatbaar. ‘s Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
9. Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gewijzigde overeenkomst niet betrokken of de extra korting van vier jaar gevangenisstraf (nog) proportioneel is. De extra korting past niet binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het OM toekomt en het (impliciete) oordeel van het hof dat die strafeis niet zodanig onbegrijpelijk laag is dat zij moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
10. Ook het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige door het verlagen van de basisstrafeis zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad, achten de stellers van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De wetsgeschiedenis wijst uit dat een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde moet worden geschoven wanneer “
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.

Het juridisch kader

11. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604 (
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:

3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
De verdachte aan wie een toezegging wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om als getuige een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte, wordt in het vervolg van deze voorafgaande beschouwing aangeduid als 'de getuige'.
3.4.
Art. 44a Sr, waarnaar wordt verwezen in art. 226g, eerste lid, Sv, houdt in dat de rechter in de strafzaak tegen de getuige op vordering van de officier van justitie na een op grond van art. 226h, derde lid, Sv gemaakte afspraak de straf die hij overwoog op te leggen, kan verminderen. Het tweede lid van art. 44a Sr omschrijft waarin deze strafvermindering kan bestaan. Het gaat bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf om een vermindering met maximaal de helft. De rechter houdt bij de strafvermindering ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven.
Het Wetboek van Strafvordering bevat voorts voorschriften met betrekking tot onder meer de rechtsbijstand aan de getuige (art. 226h, eerste lid, Sv), de toetsing door en de beschikking van de rechter-commissaris (art. 226h, tweede en derde lid, Sv en art. 226i Sv), het horen van de getuige in de strafzaak tegen de andere verdachte (art. 226j Sv) en de maatregelen tot bescherming van de getuige (art. 226l Sv). Deze voorschriften komen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, hieronder nader aan de orde.
(…)
3.12.
De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat enerzijds de toetsing door de rechter-commissaris en anderzijds de toetsing door de zittingsrechter.
3.13.
Art. 226g, derde lid, Sv houdt in dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak toetst. Het gaat daarbij om de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde door de officier van justitie voorgenomen afspraak die overeenkomstig de (vorm)voorschriften van art. 226g, tweede lid, Sv op schrift is gesteld. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). De rechter-commissaris geeft een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv).
De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Tot die gegevens behoort ook, voor zover daarvan in het concrete geval sprake is, het proces-verbaal dat de officier van justitie heeft opgemaakt op grond van art. 226g, vierde lid, Sv. Tevens dient, zoals onder 3.10 is vermeld, de rechter-commissaris in het door art. 226g, eerste lid, Sv bestreken geval te zijn geïnformeerd over de eventuele totstandkoming en de inhoud van een schikking als bedoeld in art. 511c Sv met de getuige.
De rechter-commissaris legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
3.14.
Ook in zaken waarin een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv bij de processtukken is gevoegd, geldt dat het is voorbehouden aan de (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Ten aanzien van deze beslissing gelden, indien die verklaring voor de bewijsvoering wordt gebruikt, geen andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde.
Evenmin gelden in cassatie met betrekking tot de toetsing van de beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal bijzondere regels. Dat betekent dat in cassatie kan worden onderzocht of door de feitenrechter de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde voorschriften zijn nageleefd, maar niet of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden, ook voor zover deze zijn ontleend aan de verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv, juist zijn. Dat laatste geldt tevens voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD3530).
3.15.
Op grond van art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht.
De in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv. In het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, ligt al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.)
De rechter is bovendien gehouden, indien hij afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat vanwege onregelmatigheden bij de totstandkoming van de afspraak de verklaring van de getuige niet betrouwbaar kan worden geacht, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM Pro – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden .”

Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof

12. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:

2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
2.3
Indien de resultaten van nader onderzoek aanleiding geven tot het vaststellen van een lagere basisstrafeis dan 24 jaren, bijvoorbeeld omdat een feit naar het oordeel van de zaaksofficier van justitie niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan zal de officier van justitie bij onverkorte nakoming door de getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, de strafeis navenant verminderen door de bijgestelde basisstrafeis te matigen met 50%.”
13. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen: [2]

“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst

Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn.
Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging.
Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen.
Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk?
Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.
Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst?
Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie.
Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen.
Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard.
Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen.
Overeenkomst proportioneel?
Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.
Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen.
In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.
Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing.
Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld.
Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast.
Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook [medeverdachte 1] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 1] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [vader kroongetuige] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden.
Netto strafeis disproportioneel?
Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen.
Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.
Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig.
Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf.
Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
(…)
Samenvatting en conclusie
De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet.”

De bespreking van het eerste middel

14. Het hof heeft de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst beoordeeld en daarbij onder meer vastgesteld dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hadden op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Tevens heeft het hof geoordeeld dat het OM het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot de overeenkomst te komen. Een en ander wordt in cassatie niet bestreden.
15. Het hof heeft op het punt van de wijziging van de basisstrafeis vastgesteld dat het OM bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft aangekondigd een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd, en dat het OM daadwerkelijk in afwijking van de overeenkomst een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Het hof heeft vastgesteld dat het OM als reden daarvoor heeft opgegeven dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen het vorderen van een gevangenisstraf van twaalf jaren (50% van de in de overeenkomst opgenomen basisstrafeis) voor [kroongetuige] zou leiden tot een netto gevangenisstraf van tien jaren, terwijl de netto gevangenisstraf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst acht jaren zou bedragen. Het OM legde de overeenkomst volgens het hof zo uit dat de inhoud van de overeenkomst ruimte bood om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren gevangenisstraf moest ondergaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd, dat het OM de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis heeft gemotiveerd en dat de rechtbank die motivering heeft beoordeeld en de strafeis heeft overgenomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof geoordeeld dat er geen aanleiding is (a) om de kroongetuigeovereenkomst onrechtmatig te achten, en (b) om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
16. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof, anders dan de stellers van het middel, er niet van uitgaat dat de kroongetuigeovereenkomst van 13 november 2018 is komen te vervallen, maar dat de door de rechter-commissaris als rechtmatig beoordeelde overeenkomst nog steeds geldt. Deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het betoog van het OM kennelijk aldus opgevat dat het van oordeel was dat gewijzigde omstandigheden – i.c. de wijziging van de vi-regeling die door de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is ingegaan – reden gaven om uit te gaan van een andere basisstrafeis. De aangepaste basisstrafeis strekt ertoe dat de getuige onder de vigerende vi-regeling eenzelfde gevangenisstraf ondergaat als waartoe de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren (onder de vi-regeling die gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst) strekte, te weten effectief acht jaren gevangenisstraf. [3] Het OM heeft zich dus geconformeerd aan ‘de geest’ van de overeenkomst. Het hof acht dit toelaatbaar. Het OM mocht van het hof aan de overeenkomst een uitleg gegeven die strookt met de bedoelingen van de partijen zoals die naar buiten toe zijn gebleken. [4] Ik meen dat zulks niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
17. Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad – volgens de stellers van het middel – zou hebben geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling “
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [5]
18. Voor zover het middel berust op de opvatting dat geen sprake meer is van een afspraak tussen het OM en een kroongetuige, als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr, die aan een rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris is onderworpen geweest, faalt het derhalve.
19. Ook faalt het middel voor zover wordt aangevoerd dat de vermindering van de gevorderde straf met méér dan de helft niet toelaatbaar zou zijn. Immers, er is geen sprake van een vermindering van de basisstrafeis met meer dan 50%: het OM is uitgegaan van een lagere basisstrafeis die het vervolgens met 50% heeft verminderd om tot de strafeis in de zaak van de kroongetuige te komen. Ik wijs erop dat het de rechter – en dus ook het OM – vrijstaat om bij de strafoplegging c.q. de eis rekening te houden met de manier waarop de straf ten uitvoer zal worden gelegd. [6]
20. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het heeft geoordeeld dat de gewijzigde basisstrafeis niet zo laag is dat deze niet anders kan worden beschouwd dan als een ‘verkapte tegenprestatie’ voor het afleggen van verklaringen. In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren niet disproportioneel was, in cassatie niet is bestreden en gelet op de omstandigheid dat de gewijzigde basisstrafeis als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen leidt tot eenzelfde netto-detentietijd die de kroongetuige moest ondergaan, is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij bovendien op dat de gewijzigde basisstrafeis zonder 50% korting als gevolg van de gewijzigde vi-regeling zelfs tot een langere netto-detentietijd zou leiden dan de oorspronkelijke basisstrafeis (achttien jaren ten opzichte van zestien jaren).
21. Gelet op het voorgaande was ten slotte geen nadere motivering vereist van ’s hofs oordeel dat er geen reden was om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Alle klachten falen.

Het tweede middel

22. Het middel is gericht tegen de beslissing om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan ‘elektronische gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken’ (hierna kortweg: gegevensdragers) [7] en het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). De constatering van vormverzuimen heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaken
Prokuratuur [8] en
Landeck [9] .

De overwegingen van het hof

23. Het arrest bevat de volgende overwegingen:

“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens

In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan.
Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens.
Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan.
Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens.
Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens).
In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.
De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4).
Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken.
Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.)
In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding.
Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving.
Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan.”

Een nadere omschrijving van het tweede middel

24. Het middel komt met (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen drie onderdelen van de beslissing van het hof om als reactie op de vastgestelde vormverzuimen te volstaan met de (ambtshalve) constatering ervan. Dat betreft de volgende oordelen:
(a). de vormverzuimen leveren in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting op;
(b). in geval van toegang tot PGP-toestellen is de kans om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken gering, omdat het voornamelijk gaat om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven;
(c). aangenomen wordt dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en naar verkeers- en locatiegegevens toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
25. De stellers van het middel tekenen tot slot aan dat het feit dat ter zitting op dit punt geen verweer is gevoerd, niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, omdat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad pas ná het bestreden arrest is gewezen.

Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck

26. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht. [10] Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, [11] onder andere in de zaak
Prokuratuur. [12] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [13] over Richtlijn 2016/680. [14]
27. In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. [15] Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) [16] bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit. [17]
28. De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [18] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [19] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [20]
29. Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [21] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [22]
30. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). [23] Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. [24] Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. [25] De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren. [26]
31. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. [27] Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel. [28]
32. Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025.
33. In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak
Landeck. [29] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [30] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [31]

De bespreking van het tweede middel

34. In deze zaak is het hof ambtshalve ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens. Het hof overweegt dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek Eris [32] door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar gegevensdragers in beslag zijn genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin opgeslagen gegevens, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een schriftelijke machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat daarbij nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Ook gaat het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan van verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) die de officier van justitie heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar deze situaties zich hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan.
35. Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen:
(i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager opgeslagen gegevens als dit een kans geeft om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
(ii). Waar onderzoek is gedaan aan gegevens in PGP-toestellen gaat het voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-toestellen alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om op basis daarvan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken, is gering.
(iii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Het onderzoeken van de inhoud van de in beslag genomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden waren niet voorhanden. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd.
(iv). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
36. Het onder (i) genoemde oordeel dat de vormverzuimen die aan de orde zijn in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting opleveren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie mijn opmerkingen onder randnummers 29 en 30). In de afwezigheid van een verweer waarmee het tegendeel is bepleit, vind ik de onder (ii) weergegeven overwegingen van het hof evenmin onbegrijpelijk. Deze getuigen bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. [33] Datzelfde geldt voor de onder (iii) en (iv) beschreven overwegingen van het hof (zie in het bijzonder nog randnummers 31, 32 en 33).
37. Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
38. Het tweede middel faalt.

Het derde middel

39. Met het derde middel wordt opgekomen tegen de beslissing om af te zien van het oproepen van de niet-verschenen [getuige 1] , en tegen het oordeel dat (desondanks) sprake is van een eerlijk proces.

Het procesverloop, het getuigenverzoek en de beslissing van het hof

40. Op de zitting van het hof van 22 november 2023
waar de [medeverdachte 2] als getuige werd gehoord
is namens de raadsman van de [medeverdachte 3] , mr. [betrokkene 1] , het verzoek gedaan om (onder meer) [getuige 1] als getuige te horen. [34] Dit verzoek hield volgens het proces-verbaal van die zitting in:

De getuige[DA: tevens [medeverdachte 2] ]
verklaart vandaag over een cruciaal punt in de zaak van mijn cliënt[DA: [medeverdachte 3] ]
, namelijk over de vraag wie er schuilgaat achter het account ‘Storing’. Er zijn aanknopingspunten om de identiteit van [betrokkene 2] te achterhalen. Volgens de getuige heeft ene ‘ [Bijnaam getuige 1] ’ – mogelijk is dat ene [getuige 1] – hem met [betrokkene 2] in contact gebracht. Het lijkt mij noodzakelijk om in elk geval die [Bijnaam getuige 1] / [getuige 1] daarover te bevragen. Hem kunnen dan ook vragen worden gesteld over de identiteit van [betrokkene 2] .
41. Op de zitting van 8 december 2023 heeft het hof naar aanleiding van het voornoemde getuigenverzoek als volgt beslist (onderstreping mijnerzijds):

De voorzitter deelt mede:
Het hof wijst het verzoek tot het horen van (…) en [getuige 1] (“ [Bijnaam getuige 1] ”), geboren op [geboortedatum] 1968,toe in de zaken van alle verdachten in het dossier Eris.De verhoren zullen worden opgedragen aan een gedelegeerd raadsheer-commissaris, zodat we flexibel kunnen inspringen op de aanwezigheid van de getuigen.
42. Op 2 februari 2024 heeft de raadsheer-commissaris het hof, over de stand van zaken met betrekking tot het verhoor van (onder meer) [getuige 1] , als volgt bericht:

“ [getuige 1] (‘ [Bijnaam getuige 1] ’):

Ter terechtzitting op 8 december 2023 is door de meervoudige strafkamer van het hof bepaald dat [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1968, op wordt geroepen als getuige in de zaak tegen voornoemde verdachten.

Uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat [getuige 1] per 21 juni 2022 staat geregistreerd als ONBEKEND RNI.
De griffier heeft vervolgens aan het Openbaar Ministerie gevraagd het adres van getuige te achterhalen. Het Openbaar Ministerie heeft op 2 januari 2024 aan het kabinet raadsheer‐commissaris laten weten dat zij de politie gevraagd hebben onderzoek te doen naar de verblijfplaats van [getuige 1] . Zowel het Openbaar Ministerie als de politie beschikt helaas niet over informatie over de verblijfplaats van voornoemde getuige.
De informatie van de politie die het kabinet op 2 januari 2024 van het OM ontving luidde voor zover relevant als volgt.
1. De moeder van [getuige 1] heeft aangegeven dat [getuige 1] af en toe bij haar langs komt, af en toe bij zijn vriendin in België verblijft, maar dat zij niet bekend is met een verblijfadres of telefoonnummer.
2. De politie is langs geweest bij twee broers van [getuige 1] . De politie heeft geen van de broers gesproken en van een van de twee is onduidelijk of hij verblijft op het adres dat bekend is bij de politie.
3. De beide zussen van [getuige 1] hebben aangegeven geen adres of telefoonnummer van [getuige 1] te hebben. [35]
43. Vervolgens is het getuigenverzoek (opnieuw) aan de orde geweest tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep d.d. 25 maart 2024. Dit proces-verbaal houdt, voor zover thans relevant, in:

Nadat mr. [betrokkene 3] pagina 134 van de pleitnota heeft voorgedragen, vraagt de voorzitter aan de raadslieden:
Het hof heeft het horen van getuigen (…) [getuige 1] (‘ [Bijnaam getuige 1] ’) ambtshalve toegewezen in de zaak van verdachte [medeverdachte 2] en heeft zijn zaak daarvoor verwezen naar de raadsheer-commissaris. Dienen die verhoren wat u betreft nog plaats te vinden?
Mr. [betrokkene 3] antwoordt:
(…) Wij willen [getuige 1] nog wel horen. Hij zou de verklaring van cliënt — inhoudende dat [Bijnaam getuige 1] cliënt met [betrokkene 2] in contact heeft gebracht — kunnen ondersteunen. Dat is dus nog wel relevant.
44. Op 13 mei 2024 heeft de advocaat-generaal over de verrichtingen om [getuige 1] op te roepen bij de raadsheer-commissaris het volgende te kennen gegeven:

Geachte raadsheer-commissaris,
Wij hebben informatie ingewonnen bij de politie over de getuigen (…) [getuige 1] . Wij hebben de politie gevraagd te checken of de getuige(n) inmiddels ergens staan ingeschreven of dat zij een adres of telefoonnummer hebben opgegeven bij de (toevallige) controle of dat er andere informatie over een van deze getuigen bekend is geworden. (…) [getuige 1] staat niet meer ingeschreven in Nederland sinds 2022. Van [getuige 1] is geen verblijfadres bekend en er zijn geen nieuwe registraties/mutaties opgemaakt waarin [getuige 1] voorkomt. (…)
45. Een maand later heeft de raadsheer-commissaris de voorzitter van het hof het volgende bericht:

Ten aanzien van de getuigen (…) [getuige 1] bericht ik u als volgt.
Op maandag 13 mei jl. kwam naar aanleiding van een verzoek van mijn zijde om nader geïnformeerd te worden een bericht binnen bij het kabinet met betrekking tot de getuigen (…) [getuige 1] . Uit het bericht volgt dat bij de politie in de systemen geen nieuwe informatie bekend is geworden met betrekking tot een verblijfplaats van de getuigen. Het bericht treft u voor de goede orde als bijlage aan. Uit het bericht is door één van de medewerkers van het kabinet de naam van een advocaat-generaal verwijderd.
Op woensdag 12 juni jl. heeft een medewerker van het kabinet ten aanzien van alle drie getuigen nogmaals het BRP en SKDB bevraagd. Dit leverde geen nieuwe informatie op.
Overigens is er met betrekking tot de betreffende getuigen geen informatie binnengekomen bij het kabinet.
De raadsheer-commissaris beschikt gezien het bovenstaande nog immer niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van de genoemde drie getuigen. (…)
46. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 juni 2024 houdt, voor zover thans relevant, in:

Het hof heeft op 13 juni 2024 twee e-mails ontvangen van de raadsheer-commissaris. Uit de eerste e-mail volgt dat er geen nieuwe informatie bekend is geworden over de verblijfplaatsen van getuigen (…) [getuige 1] . De raadsheer-commissaris beschikt daarom nog steeds niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van deze getuigen.”
47. Op 12 februari 2025 heeft het hof arrest gewezen. Het bestreden arrest houdt, met betrekking tot het verzoek tot het horen van [getuige 1] , het volgende in (onderstrepingen van mijn hand):

Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 1] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij via [getuige 1] in contact is gekomen met een zekere [betrokkene 2] . [getuige 1] zou het contact van [medeverdachte 2] met [betrokkene 2] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [betrokkene 2] .Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord.
Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken.Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 1] niet als getuige is gehoord.De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [medeverdachte 2] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [medeverdachte 2] ten laste gelegde feiten. [36]

Een nadere omschrijving van het derde middel

48. Het middel komt met motiveringsklachten op tegen het oordeel dat
“het onaannemelijk is dat de getuige ( [getuige 1] ) binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen”, en dat – ondanks dat deze getuige niet ter zitting is gehoord – het strafproces ‘eerlijk’, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is geweest.
49. Volgens de toelichting op het middel had van het hof en het OM mogen worden verwacht dat zij meer hadden gedaan om de [getuige 1] te traceren. Zo zijn niet álle mogelijke stappen (met name de inzet van politie en aanvullende controles) onderzocht of besproken. [37] Dit geldt temeer nu [getuige 1] van wezenlijk belang was om het door de verdachte naar voren gebrachte (alternatieve) scenario over het bestaan van ‘ [betrokkene 2] ’ van een nadere onderbouwing te kunnen voorzien, aldus de stellers van het middel. [38]

De bespreking van het derde middel

50. Nadat het hof op de zitting van 8 december 2023 ambtshalve had bepaald dat [getuige 1] óók in de zaak van de verdachte als getuige moest worden gehoord, heeft het hof (op de zitting van 12 februari 2025) afgezien van het oproepen van de niet-verschenen getuige op de grond dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn – in het bijzijn van de verdediging en met gelegenheid tot het stellen van vragen – kan worden gehoord. Het hof heeft in zijn oordeel betrokken (i) dat van de getuige geen verblijfplaats bekend is geworden, nu hij is uitgeschreven uit de BRP onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is geworden waarheen, (ii) dat het raadplegen van de politiesystemen niet heeft geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige, (iii) dat de verdediging geen informatie heeft verschaft en ook anderszins geen informatie naar voren is gekomen waaraan kan worden ontleend dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.
51. Ik acht het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, niet onbegrijpelijk. [39] Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat (onder leiding van de raadsheer-commissaris) uiteenlopende inspanningen zijn verricht om een ondervragingsmogelijkheid van de [getuige 1] te realiseren. Daartoe is de politie ook gevraagd na te gaan of zij beschikte over andere (niet in de BRP en SKDB opgenomen) informatie die van belang kon zijn voor het achterhalen van de woon- of verblijfplaats van de getuige (zie onder randnummers 42, 44 en 45). De [getuige 1] is echter – ondanks herhaalde pogingen daartoe – niet traceerbaar gebleken. De verdediging heeft verder geen informatie verschaft over de vindplaats van deze getuige, terwijl ook het dossier geen (andere) aanknopingspunten biedt voor de woon- of verblijfplaats van de getuige. [40]
52. Verder acht ik ook het oordeel dat het proces – ondanks dat de [getuige 1] niet in aanwezigheid van de verdediging kon worden gehoord – als geheel ‘eerlijk’ is geweest, niet onbegrijpelijk. Het hof mocht hierbij de relevantie en het belang van de verklaring van [getuige 1] betrekken. Het hof heeft in dit verband mogen aannemen dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige (een zogeheten
defence witness) uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
53. Het derde middel faalt.

Het vierde middel

54. Het vierde middel bevat een klacht over (de motivering van) de bewezenverklaring en de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het bewijs. In het bijzonder wordt opgekomen tegen de vaststelling dat de verdachte degene is geweest die schuilging achter de PGP-accountnaam ‘ [accountnaam 1] ’. [41]
De overwegingen van het hof voor zover relevant voor de bespreking van het vierde middel
55. Het hof heeft de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, als volgt nader gemotiveerd:

“6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging van [verdachte] heeft verzocht hem van alle ten laste gelegde feiten vrij te spreken. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van het hof.

6.3.
Het oordeel van het hof
6.3.1.
Conclusies veredelingen en identificaties
Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld.

[verdachte]

[verdachte] is degene die schuilgaat achter de PGP-accountnaam ‘ [accountnaam 1] ’. In het chatgesprek tussen [medeverdachte 2] (onder de naam ‘ [accountnaam 2] ’) en ‘ [accountnaam 1] ’ van 22 februari 2017 maken ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 1] ’ als het ware kennis met elkaar, althans zij tasten elkaars werkelijke identiteit af. [medeverdachte 2] stelt daarbij expliciet dat hij “ [bijnaam medeverdachte 2] ” is, baas van de [groep] en een grote motorclub. ‘ [accountnaam 1] ’ zegt dat hij “ [betrokkene 4] ” is, op dat moment 34 jaar oud. Hij bevestigt dat hij “ [stadswijk] is”, dat hij een “rover” is en hij noemt een groot aantal familienamen en namen van personen met wie “hij is”. In het berichtenverkeer met ‘ [accountnaam 2] ’ somt ‘ [accountnaam 1] ’ veel familienamen op. Op grond daarvan gaat het hof ervan uit dat het begrip “familie” ruim moet worden begrepen en dat het begrip zich in dit verband niet alleen beperkt tot personen die naar burgerlijk recht als bloed- of aanverwant kunnen worden beschouwd. Bij nagenoeg elke in de chat genoemde naam heeft de politie een relatie met [verdachte] of diens directe familie kunnen vaststellen.
Deze omstandigheden zijn – zoals uit de bewijsmiddelen volgt – in overtuigende mate passend bij, maar ook onderscheidend voor [verdachte] . Dit geldt ook voor de omstandigheid dat ‘ [accountnaam 1] ’ stelt dat hij in de periode oktober 2016 in Suriname was. Het hof ziet verdere ondersteuning in de omstandigheid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (met de accountnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’) spreken over “ [accountnaam 1] ”, die blijkbaar in Spanje verblijft op dat moment, terwijl [verdachte] in Spanje is aangehouden, en de omstandigheid dat [getuige 2] verklaart dat [verdachte] bekendstaat als ‘ [betrokkene 4] ’.
De verdediging van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de bewijsmiddelen weergegeven chatgesprekken niet tot het bewijs kunnen bijdragen, omdat niet zou vaststaan dat het gefilmde PGP-chatgesprekken zijn en dat ook de mogelijkheid bestaat dat de beelden op allerlei manieren zijn gemanipuleerd. Dit betoog gaat echter voorbij aan wat uit de bewijsmiddelen voortvloeit. Vaststaat dat [medeverdachte 2] met een mobiel telefoontoestel foto’s maar ook (bewegende) filmbeelden heeft gemaakt van op dat moment, of kort daarvoor, via een PGP-dienst gevoerde chats. Hieruit volgt al dat daadwerkelijk via PGP-toestellen gevoerde correspondentie door [medeverdachte 2] in beeld is gebracht en door [medeverdachte 2] is bewaard. Dat het hier niet om fictieve chatgesprekken gaat, leidt het hof af uit de omstandigheid dat er daadwerkelijk mensen zijn geliquideerd, waarbij de omstandigheden van deze liquidaties aansluiten bij de gevoerde chatgesprekken. Dat aan de toestellen waarmee deze correspondentie is gevoerd geen nader (contra-)onderzoek meer kan worden verricht, doet hier niets aan af. Ook de omstandigheid dat slechts een beperkt deel van waarschijnlijk uitvoerigere communicatie op deze manier bewaard is gebleven, brengt nog niet mee dat het bewijs als zodanig niet bruikbaar is.
Voor zover de verdediging betoogt dat niet voldoende vaststaat dat [verdachte] schuilgaat achter het account van ‘ [accountnaam 1] ’, geldt dat uit de bewijsmiddelen juist het tegendeel volgt.” [42]

De bespreking van het vierde middel

56. Klaarblijkelijk heeft het hof het verweer, waarin wordt betwist dat de PGP-naam ‘ [accountnaam 1] ’ aan de verdachte kan worden gekoppeld, begrepen als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. [43] Het hof heeft het verweer expliciet weerlegd met een aanvullende overweging waarin het heeft uiteengezet dat en waarom het – gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en conclusies, zoals opgenomen in bijlage 3 van het bestreden arrest – van oordeel is dat de verdachte degene is geweest die schuilging achter de voornoemde PGP-accountnaam.
57. Ik acht ’s hofs (feitelijke) oordeel – dat erop neerkomt dat de i.c. vastgestelde feiten en omstandigheden in overtuigende mate passen bij, maar ook onderscheidend zijn voor, de verdachte – niet onbegrijpelijk, en bovendien toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof zijn oordeel heeft gegrond op meerdere processen-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat door verbalisanten onderzoek is gedaan naar de identiteit van de PGP-accountnaam ‘ [accountnaam 1] ’, dat daarin de overeenkomsten tussen de betreffende accountnaam en de verdachte worden beschreven, en dat de politie nagenoeg in álle in het berichtenverkeer genoemde namen een relatie met de verdachte of diens familie heeft kunnen vaststellen. [44] Bovendien heeft het hof in zijn oordeel meegewogen dat ‘ [accountnaam 1] ’ heeft gesteld dat hij in oktober 2016 in Suriname was (toen ook de verdachte zich in Suriname bevond [45] ), dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (met de accountnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’) hebben gesproken over ‘ [accountnaam 1] ’ die in Spanje verbleef (terwijl de verdachte in Spanje werd aangehouden), en dat de [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte bekendstaat als ‘ [betrokkene 4] ’ (een naam die ook ‘ [accountnaam 1] ’ zichzelf toeschreef [46] ).
58. Kortom, nu het hof toereikend heeft gerespondeerd op het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging, [47] en ‘s hofs oordeel dat de verdachte schuilging achter de PGP-naam ‘ [accountnaam 1] ’ bovendien voldoende met redenen is omkleed, meen ik dat het vierde middel moet falen.

Het vijfde middel

59. Het vijfde middel komt op tegen het oordeel dat de verdachte zich (in deelonderzoek Charon) schuldig heeft gemaakt aan
“medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord”.

Het verweer van de verdediging inzake deelonderzoek Charon

60. De verdediging heeft wat betreft deelonderzoek Charon vrijspraak bepleit. Betoogd is dat uit de PGP-gesprekken die aan de verdachte worden gekoppeld niet kan worden afgeleid dat de verdachte derden heeft uitgelokt om de moord op [slachtoffer 2] te begaan. [48] Ten overstaan van het hof heeft de verdediging in het bijzonder het volgende naar voren gebracht:
- niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij de ‘organisatie’ van de moord
voorafgaandaan de moord op 31 januari 2017;
- het aan de verdachte gekoppelde account van ‘ [accountnaam 1] ’ kwam pas op 4 februari 2017, dus enkele dagen na de moord, in contact met het account dat aan [medeverdachte 2] wordt gekoppeld;
- uit dat contact blijkt dat de verdachte eerder geen contact heeft gehad met [medeverdachte 2] ;
- een gesprek waarin wordt gesproken over
“doodstraf voor driver”dateert van eind februari 2017, terwijl de moord is gepleegd eind januari 2017;
- ‘26500’ waarover in een gesprek van 23 februari 2017 wordt gesproken, is geen aanwijzing voor betalingen die verband houden met een liquidatie, aangezien de gangbare bedragen daarvoor volgens de kroongetuige zo'n € 80.000 bedragen;
- de omschrijving
“blanke rat”en het bieden van
“70 voor hem en me neefje”kan niet passen bij [slachtoffer 2] . [49]

De overwegingen van het hof

61. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] . De bewijsoverwegingen van het hof houden, voor zover thans relevant, in (onderstrepingen van mijn hand):

“6.3.2.CHARON

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

6.3.2.1. De liquidatie van [slachtoffer 2]

Op 31 januari 2017 omstreeks 22.30 uur is [slachtoffer 2] in [geboorteplaats] neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden.Het onderzoek in deze zaak onder de naam 13Penseel leidde niet tot vervolging van verdachten en werd afgesloten. Nadat [kroongetuige] verklaringen had afgelegd als kroongetuige is het onderzoek voortgezet.
(…)
Het staat vast dat [medeverdachte 2] in opdracht van een andere organisatie de liquidatie van [slachtoffer 2] heeft georganiseerd. Dat blijkt uit de verklaringen van [kroongetuige] , PGP-gesprekken, het feit dat [betrokkene 5] in opdracht van [medeverdachte 2] de vluchtauto in brand heeft gestoken en uit de contacten met de opdrachtgevers. Daarom kan ook worden aangenomen dat alle hierna beschreven activiteiten van [medeverdachte 2] verband houden met de moord op [slachtoffer 2] .

6.3.2.3. Tijdlijn

Het hof zal hierna aan de hand van een tijdlijn vaststellen welke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de periode van 12 januari 2017 tot en met 23 februari 2017. Daarbij zal het zoveel mogelijk duiding geven aan de verschillende gebeurtenissen. Het vaststellen van de tijdlijn acht het hof van belang voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Donderdag 12 januari 2017
Zoals hiervoor overwogen, neemt het hof als uitgangspunt dat [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] enerzijds en [slachtoffer 2] anderzijds op 12 januari 2017 als respectievelijk schutters en bestuurder betrokken zijn geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 3] , de zogenoemde vergismoord in [plaats] . Het beoogde doelwit van deze liquidatie bleek [slachtoffer 4] te zijn.
[medeverdachte 3] en [betrokkene 6] zijn onherroepelijk veroordeeld voor deze liquidatie.
Vrijdag 13 januari 2017
Op 13 januari 2017 treffen [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] voorbereidingen om het beoogde doelwit [slachtoffer 4] alsnog te vermoorden. [slachtoffer 2] is daar opnieuw bij betrokken. Tijdens de verkenning van de plek waar de beoogde liquidatie moet plaatsvinden, zit ook [getuige 3] in de auto.
Het hof stelt aan de hand van de verklaring van [getuige 3] vast dat [slachtoffer 2] zich tijdens de voorbereiding voor de beoogde moord op [slachtoffer 4] heeft teruggetrokken. Op enig moment was er een discussie met [slachtoffer 2] en toen is hij weggelopen. Dat er een discussie met [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [getuige 4] . Hij heeft verklaard dat hij van [slachtoffer 2] heeft gehoord dat hij niet meer wilde meedoen aan de liquidatie van [slachtoffer 4] . Als [slachtoffer 2] niet meer mee zou gaan, zou het ophouden voor hem, zo heeft hij kennelijk aan [getuige 4] verteld.
Zaterdag 14 januari 2017
Met het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , dat in gebruik is bij [verdachte] , wordt contact gezocht met de telefoonnummers van [betrokkene 7] en [betrokkene 6] . Ook in de periode vóór 14 januari 2017 is er regelmatig contact tussen de telefoonnummers van [verdachte] en [betrokkene 6] .
Vrijdag 20 januari 2017
[getuige 4] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] hem op vrijdag 20 januari 2017 heeft verteld dat hij samen met [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] betrokken is geweest bij de liquidatie in [plaats] waarbij de verkeerde was neergeschoten. Volgens [getuige 4] zou [slachtoffer 2] met meer mensen hebben gesproken over de vergismoord.
Woensdag 25 januari 2017
Op 25 januari 2017 vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 2] en ‘ [bijnaam 1 medeverdachte 5] ’. Dat blijkt uit een chat tussen beiden van die dag. Het hof concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat [bijnaam 1 medeverdachte 5] (net als [bijnaam 2 medeverdachte 5] ) een bijnaam is van [medeverdachte 5] , de vader van [medeverdachte 3] . Dat er op 25 januari 2017 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen hem en [medeverdachte 2] , past bij de verklaring van [kroongetuige] dat [bijnaam 2 medeverdachte 5] in de periode na de vergismoord naar [medeverdachte 2] is gegaan om hulp te vragen.
Donderdag 26 januari 2017
Op 26 januari 2017 vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] , waarbij ook [medeverdachte 3] aanwezig is.
Vrijdag 27 januari 2017
Op vrijdag 27 januari 2017 vindt er weer een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Uit de inhoud van de chats, in combinatie met de historische verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] , volgt dat er in [plaats] rond 22.00 uur wordt afgesproken, waarna [medeverdachte 3] rond 23.30 uur met de trein vanaf [station] richting [geboorteplaats] reist.
Zaterdag 28 januari 2017
Op 28 januari 2017 vinden er meerdere chats plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . Deze chats kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] die dag op zoek zijn geweest naar [slachtoffer 2] en dat [medeverdachte 3] daarover communiceerde met zijn vader, die de informatie vervolgens doorgaf aan [medeverdachte 2] .
[medeverdachte 3] en [betrokkene 6] zijn op zoek naar hem langs zowel de moeder als de vriendin van [slachtoffer 2] gegaan. Uiteindelijk vinden ze hem ’s avonds bij zijn vader, [getuige 4] . Tijdens dit bezoek is er kennelijk gesproken over iets nieuws dat [slachtoffer 2] moest gaan doen. Daarvoor moest hij ook telefonisch bereikbaar zijn. [getuige 4] heeft daarom een Lyca-kaartje voor een telefoon van het merk Alcatel aan [slachtoffer 2] gegeven.
De informatie over de zoektocht naar, en vervolgens het bezoek aan, [slachtoffer 2] is kennelijk relevant voor [medeverdachte 2] , nu dit direct met hem wordt gedeeld. In de berichten wordt gezegd dat [medeverdachte 2] “paraat was en dat hij het even moet cancelen”, wat erop duidt dat er iets stond te gebeuren dat niet door kon gaan.
[medeverdachte 2] wordt niet alleen direct geïnformeerd over de zoektocht naar, en uiteindelijk het vinden van, [slachtoffer 2] , maar na afloop van het bezoek geeft [medeverdachte 3] via [medeverdachte 5] ook aan snel contact met [medeverdachte 2] te willen. Direct daarop maken [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] onderling een afspraak om elkaar de volgende dag te treffen in [geboorteplaats] .
Zondag 29 januari 2017
Op 29 januari 2017 stuurt [medeverdachte 3] even na middernacht een bericht naar [medeverdachte 2] . Kennelijk wil [medeverdachte 3] hem die dag voor 12.00 uur ontmoeten, wat wordt bevestigd in een whatsappgesprek tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] diezelfde nacht.
Uit het vervolg van het whatsappgesprek tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] blijkt dat er daadwerkelijk rond 12.00 uur een afspraak heeft plaatsgevonden tussen (wederom) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in [geboorteplaats] aan de [a-straat] .
Even voor 13.00 uur vindt een whatsappgesprek plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 5] laat aan [medeverdachte 2] weten dat “dat ding vandaag geregeld moet worden” en dat die mannen druk zetten. Ook zegt hij: “Morgen heeft het gevolgen voor die mannen”. [medeverdachte 2] maakt duidelijk dat vandaag niet kan en dat hij “die man heeft uitgelegd” dat hij één dag moet hebben, omdat “wij” anders fouten maken.
Dat “het gevolgen kan hebben voor die mannen” past bij de verklaring van [kroongetuige] dat [bijnaam 2 medeverdachte 5] hulp heeft gezocht bij [medeverdachte 2] om ervoor te zorgen dat zijn zoon, die in de problemen zat door de vergismoord, niets zou overkomen. Het hof concludeert op basis van deze gesprekken dat er kennelijk druk werd uitgeoefend op (het team van) [medeverdachte 2] .
Uit de verklaring van [getuige 4] volgt dat dezelfde dag ook een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 3] , [betrokkene 6] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] moest zich in [geboorteplaats] in de middag melden om 15.00 uur of 17.00 uur. Dit is na de ontmoeting tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , die rond 12.00 uur plaatsvond. [slachtoffer 2] was over deze ontmoeting gebeld op het telefoonnummer behorend bij zijn Lycakaartje. [slachtoffer 2] had aan [getuige 4] verteld dat het om dezelfde jongens ging. Dit vindt bevestiging in de verklaring van [betrokkene 6] , die heeft verklaard dat ze voor die dag via het telefoonnummer behorend bij het Lyca-kaartje een afspraak met [slachtoffer 2] hadden gemaakt en dat [slachtoffer 2] rond 16.00 uur naar de lounge in [geboorteplaats] is gekomen. [slachtoffer 2] is na ongeveer twee uren weggegaan, wat past bij de verklaring van [getuige 4] dat hij rond 19.30 uur weer thuiskwam. [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] zijn in de lounge gebleven.
Maandag 30 januari 2017
De dag begint om 00.07 uur met een chat tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] , waarin [medeverdachte 5] aangeeft dat die jongen een manier heeft gevonden om dat ding uit te stellen tot morgen. Het hof concludeert dat met “die jongen” wederom [medeverdachte 3] wordt bedoeld. Dat volgt uit de rest van de chat. Daarin wordt afgesproken dat [medeverdachte 2] hem de dag erna op dezelfde plek als “vandaag” zal ontmoeten. Zoals hiervoor vastgesteld, heeft op 29 januari 2017 rond 12.00 uur een ontmoeting plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan de [a-straat] in [geboorteplaats] . Gelet op het tijdstip van de chat in combinatie met de inhoud gaat het hof ervan uit dat met “vandaag” 29 januari 2017 wordt bedoeld. Op basis van het vervolg van het gesprek stelt het hof vast dat op 30 januari 2017 uiteindelijk rond kwart voor twee ’s middags er opnieuw een afspraak tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aan de [a-straat] in [geboorteplaats] is geweest.
In de middag van 30 januari 2017 is er weer een ontmoeting in [geboorteplaats] tussen [medeverdachte 3] , [betrokkene 6] en [slachtoffer 2] . Dat volgt niet alleen uit de verklaring van [getuige 4] , maar ook uit de verklaring van [betrokkene 6] . Deze ontmoeting gaat in de avond en nacht door. Vanaf ongeveer 18.00 uur tot 20.00 uur en vanaf ongeveer 22.30 uur heeft het nummer eindigend op * [telefoonnummer 2] , dat zoals blijkt uit de bewijsmiddelen aan [medeverdachte 3] kan worden toegeschreven, zendmasten aangestraald in de buurt van café [A] in [geboorteplaats] . Het hof leidt hieruit en ook uit de verklaring van [betrokkene 6] af dat de ontmoeting opnieuw in dat loungecafé heeft plaatsgevonden.
Tussen [medeverdachte 3] , [betrokkene 6] en [slachtoffer 2] is die dag afgesproken dat ze elkaar de volgende dag, 31 januari 2017, weer zullen ontmoeten.
Uit een whatsappgesprek tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] volgt dat er die avond ook nog een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Om 20.18 uur stuurt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 2] : “Same place”. Om 20.23 uur zegt hij: “3 à 4 min is hij er”. Zo lijken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] elkaar rond 20.26 à 20.27 uur te zien. De historische gegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] laten zien dat zijn toestel die avond in ieder geval om 21.12.31 uur een zendmast heeft aangestraald in de directe omgeving van de [a-straat] te [geboorteplaats] , waar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] elkaar twee keer eerder hebben ontmoet. Dat duidt erop dat [medeverdachte 3] zijn ontmoeting met [slachtoffer 2] in [A] die avond heeft onderbroken voor wederom een ontmoeting met [medeverdachte 2] .
De telefoons van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] stralen vanaf 19.32 uur aan in [geboorteplaats] . In ieder geval [betrokkene 9] kan worden gerekend tot de organisatie van de opdrachtgever. Om 20.10 uur wordt de Renault Clio met het valse [kenteken] geregistreerd door een camera op de [snelweg] . Van deze gestolen auto zijn het originele kenteken en kentekenbewijs in februari 2017 aangetroffen in een loods in [plaats] die ook in gebruik was bij de organisatie van de opdrachtgever. Hetzelfde voertuig wordt op 4 februari 2017 uitgebrand gevonden bij [B] .
Opvallend is dat de contactnaam ‘ [accountnaam 1] ’, die op basis van de processen-verbaal van veredeling aan [verdachte] kan worden toegeschreven, die avond om 20.29 uur in een PGP-toestel is geplaatst met een nummer eindigend op * [telefoonnummer 3] . Dit PGP-toestel heeft die dag een reisbeweging gemaakt van [plaats] naar [geboorteplaats] . Bij het eerste gebruik straalde deze PGP een zendmast aan in de directe omgeving van de woning van [betrokkene 9] in [plaats] . Bij hem thuis is administratie aangetroffen van meerdere simkaarten van PGP-toestellen, die onder meer te relateren zijn aan [medeverdachte 2] en de accounts ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’. Het eerste deel van de reisbeweging van [plaats] naar [geboorteplaats] heeft de PGP ook samen met [betrokkene 9] gemaakt. Dat blijkt uit de zendmasten die de telefoon van [betrokkene 9] tijdens die reisbeweging heeft aangestraald. Op enig moment, vanaf 20.21 uur, lopen de reisbeweging van [betrokkene 9] enerzijds en die van de PGP anderzijds uiteen. Dat betekent dat een overdracht van de PGP aan een ander heeft plaatsgevonden.
Het moment dat de contactnaam ‘ [accountnaam 1] ’ in het PGP-toestel werd gezet, is rondom het moment van de ontmoeting tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] die avond in [geboorteplaats] aan de [a-straat] . Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat tijdens deze ontmoeting het PGP-toestel met daarin de naam ‘ [accountnaam 1] ’ aan [medeverdachte 2] moet zijn overgedragen. Dat vindt bevestiging in de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] van 31 januari 2017, waarin [medeverdachte 2] om 11.34 uur zegt: “Ik ga zo op dat ding” in combinatie met de datasessie van dit PGP-toestel om 12.41 uur. Dat [medeverdachte 3] betrokken is bij de overdracht van deze PGP blijkt uit het bericht om 17.11 uur van [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 2] : “Hij zei dat hij je een nieuwe telefoon heeft gegeven”, “hij zegt dat die mannen zien dat je leest maar dat je niet reageert op zijn berichten” en “dat vragen ze aan hem waarom jij niet reageert”. Ook wordt [medeverdachte 3] er kennelijk op aangesproken als [medeverdachte 2] niet reageert op berichten op dit PGP-toestel. Dat met “hij” in de chats [medeverdachte 3] wordt bedoeld, leidt het hof af uit het vervolg van datzelfde gesprek waarin [medeverdachte 2] laat weten: “die jongen van jou moet veel leren”.
Ongeveer een uur na de ontmoeting tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 30 januari 2017 beginnen er whatsappgesprekken tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 10] en [medeverdachte 2] en [betrokkene 11] . [medeverdachte 2] zegt dan onder meer dat hij in de Burger King in [plaats] is. Het PGP-toestel met nummer * [telefoonnummer 3] straalt op dat moment aan op een zendlocatie in [plaats] .Het hof ziet hierin bevestiging dat het PGP-toestel met nummer * [telefoonnummer 3] die avond aan [medeverdachte 2] is overgedragen.
Dinsdag 31 januari 2017
Op 31 januari 2017 om 01.02 uur straalt de telefoon van [betrokkene 10] een mast aan de [snelweg] in de buurt van [plaats] aan. Dit past bij aanwezigheid van [betrokkene 10] vlak daarvóór in [plaats] . Ook vindt vanaf ongeveer 01.00 uur opnieuw contact plaats tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 11] . [medeverdachte 2] geeft aan [betrokkene 11] [b-straat 1] door. Dat is het adres van een vriendin van [medeverdachte 2] met de [bijnaam 1] . Rond 01.30 uur meldt [betrokkene 11] dat hij er is. [medeverdachte 2] is daar op dat moment blijkbaar ook aanwezig en vraagt [betrokkene 11] om boven te komen.
Dezelfde nacht, om 04.19 uur, komt [slachtoffer 2] terug van zijn ontmoeting met in ieder geval [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] . [medeverdachte 3] kwam die ochtend ook pas rond 05.00 uur thuis, zo blijkt uit een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] rond 11.30 uur. Ook [betrokkene 6] heeft verklaard dat zij op 31 januari 2017 tot vroeg in de ochtend in [geboorteplaats] zijn geweest.
[slachtoffer 2] laat bij thuiskomst aan [getuige 4] zien dat hij een PGP-telefoon heeft gekregen. Gelet op het feit dat hij de PGP-telefoon meteen na thuiskomst laat zien, na een lange ontmoeting met in ieder geval [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] , concludeert het hof dat [slachtoffer 2] die PGP tijdens die ontmoeting heeft ontvangen.
Later die ochtend vertelt [slachtoffer 2] aan [getuige 4] dat er die avond iets gaat gebeuren. Hij moet een laatste klusje doen. Uit zijn gebaar met zijn hand langs zijn keel maakt [getuige 4] op dat er iemand dood moest. Het hof concludeert dat het voor [slachtoffer 2] duidelijk moet zijn geweest dat er die avond nog een liquidatie zou plaatsvinden. Dat hij een PGP heeft ontvangen, past daarbij.
Rond 16.00 uur vindt er weer chatcontact plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 5] bericht: “Hoe laat vraagt ie” en “zou je op zijn schrijven kunnen reageren”. [slachtoffer 2] vertrekt rond 17.00 uur die dag richting [geboorteplaats] . Hij ontmoet [medeverdachte 3] , [betrokkene 6] en een vierde man op [station] . [medeverdachte 3] , [betrokkene 6] en die vierde man waren daarvóór al samen in de stad geweest. In de buurt van [C] lopen ze vervolgens met zijn vieren rond. Daarna gaan zijn ze enige tijd uit elkaar. [slachtoffer 2] en de vierde man gaan de ene kant op en [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] de andere kant (naar huis). [medeverdachte 3] heeft zich toen omgekleed. Dat was tussen 20.00 uur en 21.00 uur. In die tussentijd, om 20.35 uur, bericht [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 2] dat hij moet texten, want die jongen wacht op hem. Het hof concludeert dat [medeverdachte 3] op dat moment wacht op een bericht van [medeverdachte 2] .
Eerder die avond, om 18.55 uur, laat [betrokkene 11] in een chat aan [medeverdachte 2] weten dat hij die dag niet mee kan. Dezelfde avond stuurt [medeverdachte 2] aan [bijnaam 1] de volgende berichten: “Heb je doek en tas voor dat”, “Regel dat voor me. En schoon. Dus oppassen” en “Doe je tomtom erbij”. Kort daarop vraagt [medeverdachte 2] aan [betrokkene 12] , zijn broer, of hij nog met [betrokkene 13] is. Ook vraagt hij of ze [betrokkene 14] halen. “ [betrokkene 13] weet. Ze moeten iets daar ophalen. Bij sport. Daarna [bijnaam 1] en dan kom ik naar sport”, zegt hij erbij. Met “sport” wordt de sportschool van [medeverdachte 2] broer [betrokkene 12] in [plaats] bedoeld.
Om 20.30 uur appt [medeverdachte 2] aan [bijnaam 1] : “kom maar brengen. Ben er”. [bijnaam 1] antwoordt: “ik kom. Achter”. Het hof duidt de activiteiten en contacten in het kader van de voorbereiding van de liquidatie. In die contacten gaat het erom dat men iets moet ophalen bij “sport” en wordt ook [bijnaam 1] genoemd. In het licht van de overige bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat met “schoon” wordt bedoeld vrij van sporen en dat bij [bijnaam 1] het moordwapen was gestald.Uit latere PGP-gesprekken die [medeverdachte 2] heeft gevoerd met ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ blijkt dat de organisatie van de opdrachtgever doorgaans zorgde voor “yzers en fietsen”, oftewel wapens en auto’s. De conclusie van het hof is dat rond 30 januari 2017 een of meer PGP-telefoons, auto’s en wapens zijn overgedragen vanuit de organisatie van de opdrachtgever aan [medeverdachte 2] en anderen die nauw met hem in contact stonden.
[medeverdachte 3] , [betrokkene 6] , de vierde man en [slachtoffer 2] treffen elkaar later die avond weer op de [c-straat] . Na wat rondlopen komen ze op [d-straat] . [slachtoffer 2] loopt op dat moment voorop. [medeverdachte 3] loopt daarachter en [betrokkene 6] en de vierde man lopen daar weer achter. [medeverdachte 3] ziet op dat moment een man op hen afkomen en hij hoort schoten. Hij rent weg, maar ziet bij het omkijken nog dat [slachtoffer 2] in elkaar zakt. [slachtoffer 2] is doodgeschoten.
In de directe omgeving van [slachtoffer 2] worden meerdere hulzen aangetroffen. Op drie daarvan wordt DNA aangetroffen met dezelfde kenmerken als het DNA-profiel van [betrokkene 10] (bijnaam: [betrokkene 13] ).
De telefoon van [betrokkene 10] straalde om 18.29 uur een mast in [plaats] aan en om 19.53 uur een mast in [plaats] . De eerstvolgende geregistreerde verbinding van de telefoon van [betrokkene 10] is na de liquidatie om ongeveer 00.34 uur (op woensdag 1 februari 2017). Rond hetzelfde tijdstip wordt een aan [betrokkene 15] toegeschreven telefoon geregistreerd. De door beide toestellen daarbij gebruikte masten staan aan of in de buurt van de [b-straat] in [plaats] . Verder is gebleken dat een contact van [betrokkene 10] geprobeerd heeft hem te bereiken maar dat er geen verbinding tot stand kwam. Dat kan erop wijzen dat het toestel geen bereik had of uitgeschakeld is geweest.
Van het op 30 januari 2017 aan [medeverdachte 2] overhandigde PGPtoestel * [telefoonnummer 3] zijn mastgegevens geregistreerd. Het toestel straalde om 17.42 uur een mast bij de woning van [medeverdachte 2] in [plaats] aan. Later op de avond werd er met het toestel een datasessie gestart. Daarbij wordt in ieder geval om de twee uren een mast geregistreerd. Dat is een mast die in de twee uur vóór de registratie binnen bereik is geweest van het toestel. Daaruit blijkt dat het toestel is gesignaleerd op een mast nabij de snelweg bij [plaats] en later (tussen 22.16 uur en 00.16 uur op 1 februari 2017) op een mast bij [plaats] . Dat past bij een rit van [plaats] naar de plaats van de liquidatie in [plaats] en bij een rit van [plaats] naar de plek waar de vluchtauto later uitgebrand is aangetroffen. Het PGPtoestel * [telefoonnummer 3] is op 30 januari 2017 aan [medeverdachte 2] overhandigd, maar dat wil nog niet zeggen dat het toestel ook in de nabijheid van [medeverdachte 2] is geweest gedurende die nacht. Uit het dossier blijkt dat het toestel met dit nummer diverse keren door anderen is gebruikt. Zo is het toestel begin februari 2017 in gebruik geweest bij [betrokkene 15] en op 17 maart 2017 onder [betrokkene 10] aangetroffen bij de aanhouding van [betrokkene 10] , [betrokkene 5] en [betrokkene 15] in [geboorteplaats] (onderzoek Arford).
Woensdag 1 februari 2017
Om 03.39 uur zoekt [medeverdachte 2] op zijn telefoon naar berichten over de liquidatie in [geboorteplaats] . Op 1 februari 2017 chatten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] weer over “die jongen”. [medeverdachte 5] kan hem kennelijk niet bereiken. Om 20.52 uur zegt [medeverdachte 5] tegen [medeverdachte 2] dat hij kan komen. [medeverdachte 2] noemt het adres [e-straat 1] . Om 22.10 uur zegt [medeverdachte 5] dat hij voor het hotel staat.
Uit een uitnodiging van [betrokkene 16] volgt dat hij die avond een feest geeft in een restaurant aan de [e-straat 1] in [plaats] . Gelet op het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] concludeert het hof dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] elkaar bij het restaurant waar het feest werd gehouden, hebben ontmoet.
Op een telefoon van [betrokkene 10] zijn diverse foto’s aangetroffen. Op een van de foto’s zijn onder andere [betrokkene 11] , [betrokkene 5] en [betrokkene 10] te zien. Die foto is genomen op de locatie van het feest, zodat het hof concludeert dat de hiervoor genoemde personen ook op het feest in het restaurant aan de [e-straat 1] in [plaats] aanwezig waren.
Op een andere foto die op de telefoon van [betrokkene 10] is gevonden, is een stapel bankbiljetten in een toiletruimte te zien. De foto is genomen of verzonden op 1 februari 2017 om 23.36.57 uur. Gelet op het tijdstip van de foto concludeert het hof dat deze foto ook tijdens hetzelfde feest is genomen. Kennelijk beschikte [betrokkene 10] op dat moment over een grote hoeveelheid contant geld.
Vrijdag 3 februari 2017
Op vrijdag 3 februari 2017 is er chatcontact tussen [medeverdachte 3] en zijn vader, [medeverdachte 5] . Op de vraag van zijn vader hoe het met hem gaat, antwoordt [medeverdachte 3] : “Ja relaxed ff”. [medeverdachte 5] vraagt in de chat of [medeverdachte 3] al voor hem heeft wat hij hem zou geven: “a djing djing”. “Nog niet”, reageert [medeverdachte 3] , maar “komt goed”.
Zaterdag 4 februari 2017
Op 4 februari 2017 vindt om 01.27 uur een PGP-chat plaats tussen de gebruiker van PIN ‘ […] ’ en het account ‘ [accountnaam 1] ’, in gebruik bij [verdachte] . Op basis van de processen-verbaal van veredeling kan PIN ‘ […] ’, dat is gekoppeld aan de gebruikersnaam ‘ [accountnaam 2] ’, worden toegeschreven aan [medeverdachte 2] . In deze PGP-chat laat [verdachte] aan [medeverdachte 2] weten dat hij het “deze dagen” “ff” met hem moet doen. [medeverdachte 2] reageert door te zeggen dat hij dit heeft begrepen. Hij zegt: “Zet hem op scherp, want ze gaan willen doorzagen”. Ook zegt hij: “Maar vervelend voor onze mensen”. Daarop zegt [verdachte] : “Ja tuurlijk [bijnaam 2] , we willen niemand missen die aan onze kant staat”.
Het hof concludeert op basis van dit gesprek dat er even geen contact meer kan zijn tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , dat het contact nu rechtstreeks moet plaatsvinden met [verdachte] en dat er gesproken wordt over het verhoor van [medeverdachte 3] bij de politie een dag later op 5 februari 2017.Dit vindt bevestiging in een gesprek tussen [medeverdachte 2] en ‘Storing’, die direct aansluitend aan de hiervoor vermelde chat plaatsvindt. Het hof schrijft op basis van de processen-verbaal van veredeling het account ‘Storing’ toe aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] laat in dit gesprek onder andere blijken dat hij verwacht een tijdje vast te zitten. Hij zegt ook: “Al die dingen kan je aan die andere man vragen, deze man neemt het over”.Dat sluit aan bij de conclusie dat [medeverdachte 2] een tijdje rechtstreeks contact moet hebben met [verdachte] .Verder wordt in de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] besproken hoe hij, [medeverdachte 3] , het moet uitleggen. [medeverdachte 2] zegt: “Je handelde in paniek toch, zo moet je het uitleggen, en jullie wilden een ruzie bijleggen, jij ging mee maar was bang, paar Afrikanen waren geript, dichtbij waarheid blijven”.
Het hof concludeert dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met elkaar afstemmen wat [medeverdachte 3] de volgende dag tegen de politie zal zeggen over zijn aanwezigheid op de plaats delict. Dat vindt bevestiging in de verklaring zoals [medeverdachte 3] die heeft afgelegd bij de politie op 5 februari 2017, die past in het door [medeverdachte 2] geschetste scenario. [medeverdachte 3] heeft toen verklaard dat hij die avond met [slachtoffer 2] mee was vanwege een conflict met Marokkanen naar aanleiding van een drugsdeal.
In hetzelfde gesprek met [medeverdachte 2] zegt [medeverdachte 3] ook: “Laat die mannen geen druk op je zetten”. [medeverdachte 2] vraagt vervolgens: “En hoe weet ik wat de prijzen echt zijn?”. Daarop reageert [medeverdachte 3] met de woorden: “Hij is correct met u die hele orga is correct met u. Prijzen zijn altijd real”. [medeverdachte 2] zegt vervolgens: “Ik bestel nu bij hem wat ik nodig heb”. Daarop reageert [medeverdachte 3] met: “Na elke actie kan j meer en meer eisen stellen en pgps vragen. Regel er één voor vaders”.
Het hof concludeert dat hier wordt gesproken over de overname van de werkzaamheden van [medeverdachte 3] door [medeverdachte 2] , waarover [kroongetuige] heeft verklaard.
Dat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] vraagt er één voor vaders te regelen, nadat hij heeft gezegd “na elke actie kan j meer en meer eisen stellen en pgps vragen”, sluit aan bij de chat die [medeverdachte 3] een dag eerder met ‘pap’, ( [medeverdachte 5] ) heeft gevoerd. Daarin vraagt ‘pap’: “Heb je dat al wat je mij zou geven, a djing djing”.
Het hof concludeert dat het hier om een telefoon gaat. Dit draagt eveneens bij aan de conclusie van het hof dat de gebruikersnaam ‘Storing’ aan [medeverdachte 3] kan worden gekoppeld. Dat ‘djing djing’ een telefoon is, volgt ook uit een ander [medeverdachte 4] van deze chat.
Voordat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wordt besproken hoe [medeverdachte 3] het moet uitleggen, vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] : “En nog iets. Had je je normale djong djing op de spot”, waarop [medeverdachte 3] antwoordt: “Nee zeer zeker niet”. Door de ‘normale’ telefoon van [medeverdachte 3] zijn in de avond van 31 januari 2017 ook geen zendmasten aangestraald.
In de chat van 4 februari 2017 tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] komt verder naar voren dat een betaling niet goed is gegaan. [medeverdachte 3] vraagt om niet meer te praten over het geld dat laatst ontbrak, “die 7,5K”. [medeverdachte 2] zegt dat hij het zal regelen met de grote man. De precieze omvang van dit geldbedrag komt later terug in een chat van 23 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 2] hoeveel hij “die dag” heeft gekregen, waarop [medeverdachte 2] aangeeft dat hij geld miste doordat [medeverdachte 3] teveel geld had gepakt als mazzel. [medeverdachte 2] bericht aan [verdachte] : “Hij vroeg me ook om er niet over te praten met jou of jullie. Maar ik miste 4500. Ik nam aan en telde het niet omdat ik blind op hem ging. Gaf hem en zijn vader nog 3000. Als mazzel. En de rest aan head. Toen ik thuis ging tellen was 4500 tekort”. [verdachte] geeft aan dat hij persoonlijk € 26.500,- heeft afgegeven en dat [medeverdachte 2] wordt genaaid door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] stuurt verder: “Zat op club. Was druk. Hij kwam met die tas. Ik telde niet. Toen vroeg hij of hij een mazzel mocht, hij en zijn pa. Ik zei eigenlijk niet want het is voor head. Maar toen zei ik ok wat willen jullie. Zei hij geeft jij maar (toen vond ik ’t al raar). Daarna zei ok ga na wc en pak 3 eraf. Toen gingen ze weg”.
Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] vanuit de organisatie van de opdrachtgever betaald heeft gekregen, dat hij op zijn beurt de schutter heeft betaald en dat [betrokkene 10] die avond over een stapel briefgeld beschikte. Omdat de betaling heeft plaatsgevonden na de liquidatie van [slachtoffer 2] , maar vóór 4 februari 2017 op een avond die [medeverdachte 2] omschrijft als “clubavond”, is duidelijk dat het de feestavond van 1 februari 2017 betreft, waarop twee aan [motorclub] verbonden personen hun verjaardag vierden.
In een chat van 4 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] wordt ten slotte vanaf 03.44 uur gesproken over “lichterlaaie tussen [plaats] en [plaats] ”. [medeverdachte 2] zegt: “Eén van mijn mensen is zelfs bijna verbrand”. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] een auto in brand heeft gestoken in [B] . [kroongetuige] heeft ook verklaard dat hij heeft begrepen dat [betrokkene 5] een auto in brand heeft gestoken.
Het hof concludeert dat het hier om de auto gaat die is gebruikt bij de liquidatie in deze zaak. Het tijdstip van het in brandsteken, een paar dagen na 31 januari 2017, en de locatie passen daarbij.
Woensdag 22 februari 2017
[medeverdachte 2] en [verdachte] maken in een chat van 22 februari 2017 nader kennis met elkaar.[medeverdachte 2] zegt onder meer: “Heb zat soldaten”. Dat past bij zijn rol binnen de [motorclub] . Daar is hij de baas en er is een groot aantal leden dat werkzaamheden voor hem verricht. Ook kan de inhoud van de chat niet anders worden uitgelegd dan dat hierin wordt gesproken over de vergismoord in [plaats] en dat daarbij fouten zijn gemaakt, zoals het met angst laten rondlopen van een “driver” die “sprak”. In deze chat zegt [medeverdachte 2] op enig moment: “Mooiste is, die kleine kwam met zijn pa (zit ook in mijn club) om me werk te geven hahaha. Ik zei ok maar geef die bv over als ik je help. Hij was zo in paniek en zei ja”. Ook zegt hij in deze chat: “Ik praat nu met [bijnaam medeverdachte 4] ”.
Deze woorden sluiten (opnieuw) aan bij de verklaring van [kroongetuige] dat [bijnaam 2 medeverdachte 5] , [medeverdachte 5] , hulp is gaan vragen bij [medeverdachte 2] om zijn zoon te beschermen, omdat hij betrokken was bij een vergismoord. Daarvoor moest hij een represaille uitvoeren. Als die was geslaagd, zou [medeverdachte 2] het stokje overnemen van de zoon van [bijnaam 2 medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] . Ook sluiten deze woorden aan bij de gebeurtenissen die het hof eerder heeft vastgesteld. Een van de personen die betrokken waren bij de vergismoord is geliquideerd door (het team van) [medeverdachte 2] , waarmee de represaille was geslaagd. Daarna zijn conform de afspraak de werkzaamheden van [medeverdachte 3] overgedragen aan [medeverdachte 2] .
Het uitvoeren van de represaille door [medeverdachte 2] kan worden opgevat als de hulp die hij aan [medeverdachte 3] zou bieden en daarmee ook aan zijn vader. Dat [medeverdachte 2] dat zelf ook zag als hulp volgt uit het gesprek van 29 januari 2017 tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] , waarin [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 5] , de vader van [medeverdachte 3] , zegt: “Ik doe het voor jou”.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat aan de woorden “geef die bv over als ik je help” in het gesprek van 23 februari 2017 geen andere betekenis kan worden toegekend dan dat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] heeft gevraagd zijn werkzaamheden (voor zijn opdrachtgever) aan hem over te dragen, als hij ervoor zou zorgen dat [medeverdachte 3] niets zou overkomen. Dat [medeverdachte 2] vervolgens in rechtstreeks contact komt te staan met de organisatie van de opdrachtgever blijkt uit de chat van 4 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] .
Het hof concludeert dat [verdachte] , waarmee [medeverdachte 2] praat over de overname, onderdeel uitmaakte van de organisatie van de opdrachtgever. Het past bij het overnemen van de werkzaamheden voor de opdrachtgever dat [medeverdachte 2] in contact kwam te staan met andere belangrijke personen uit de organisatie van de opdrachtgever, waarvan [kroongetuige] zegt van [medeverdachte 2] te hebben gehoord dat het [betrokkene 17] was. Daarbij past ook het [medeverdachte 4] van het gesprek op 22 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , waarin [verdachte] zegt: “Die ik je doorstuur af en toe [accountnaam 3] . Dat is [betrokkene 17] !!”. Het hof leest hierin dat [verdachte] berichten van ‘ [accountnaam 3] ’, volgens ‘ [accountnaam 1] ’ dus [betrokkene 17] , zal doorsturen naar [medeverdachte 2] .
Donderdag 23 februari 2017
Het hof leidt uit de inhoud van het chatgesprek van 23 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] af dat het geven van “die 3000” aan “hem en zijn vader” in relatie staat tot het geven van “de rest aan head”, de betaling aan de schutter voor de liquidatie van [slachtoffer 2] . Het hof heeft hiervoor geconcludeerd dat de betaling aan de schutter ( [betrokkene 10] ) heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017, een dag na de liquidatie.Ook concludeert het hof uit dit gesprek dat [medeverdachte 3] degene is geweest die het geld dat door de organisatie van de opdrachtgever voor de liquidatie is betaald naar [medeverdachte 2] heeft gebracht.
Zoals het hof hiervoor al heeft geconcludeerd, wordt met “hem en zijn vader” [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] bedoeld.
Het hof concludeert dat [medeverdachte 2] naast de betaling aan de schutter een betaling heeft gedaan aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] voor de liquidatie van [slachtoffer 2] in deze zaak.
(…)

6.3.2.7. De rol van [verdachte]

Uit het dossier blijkt niet dat er wat betreft de uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 2] sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de feitelijke uitvoerders van de liquidatie, dat sprake is van medeplegen. Anders dan het openbaar ministerie stelt, kan in dit verband uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] , de tijdlijn die volgt uit historische verkeersgegevens, camerabeelden van de Haarlemmerstraat in [geboorteplaats] , onderzoek naar trambewegingen en de camerabeelden van café [D] niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het [verdachte] was die die avond samen met [slachtoffer 2] op stap is geweest en aanwezig was toen [slachtoffer 2] werd doodgeschoten. Het hof zal [verdachte] daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Wel blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] . Zoals hiervoor overwogen, kwam de opdracht voor de liquidatie van [slachtoffer 2] uit de organisatie van de opdrachtgever, waarvan [verdachte] , zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, [medeverdachte 4] uitmaakte. Dat [verdachte] bij het verstrekken van de opdracht een rol speelde, blijkt allereerst uit het feit dat voorafgaand aan de uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 2] de PGP-accountnaam van [verdachte] , ‘ [accountnaam 1] ’, in de aan [medeverdachte 2] verstrekte PGP is toegevoegd. Verder is van belang het gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] over de liquidatie van [slachtoffer 3] en het voorbereiden van de liquidatie van [slachtoffer 4] waarin [verdachte] te kennen geeft dat deze gang van zaken aanleiding heeft gegeven tot de “doodstraf voor driver”, waarvan het hof heeft vastgesteld dat dit [slachtoffer 2] is. Aan [verdachte] werd verantwoording afgelegd over het in brand steken van de vluchtauto die is gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . Tot slot blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] geld in het vooruitzicht heeft gesteld voor de liquidatie door “hem” “70” te bieden voor “hem” en “me neefje” en dat hij ook een rol heeft gespeeld bij het verstrekken van het geld aan [medeverdachte 2] . Uit al deze feiten en omstandigheden blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen (van uitlokking) te rechtvaardigen.
Uit het voorgaande volgt dat er bij [verdachte] als medepleger van het uitlokken van het medeplegen van moord ook sprake is geweest van het opzet op de voorbedachte raad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. [50]

De bespreking van het vijfde middel

62. Met het middel wordt in de kern opgekomen tegen (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander inlichtingen heeft verschaft aan [medeverdachte 2] door aan [medeverdachte 2]
“aan te geven dat [slachtoffer 2] degene was die geliquideerd moest worden en een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”. [51]
63. Het hof heeft de verdachte aangemerkt als medepleger van de uitlokking van de medegepleegde liquidatie van [slachtoffer 2] , en heeft daartoe (onder meer) het volgende vastgesteld.
i. [medeverdachte 2] heeft in opdracht van een andere (criminele) organisatie – de organisatie waarvan de verdachte [medeverdachte 4] uitmaakte – de liquidatie van [slachtoffer 2] georganiseerd. [52]
ii. Voorafgaand aan de liquidatie, rond 30 januari 2017, zijn één of meer PGP-toestellen, auto’s en wapens vanuit de organisatie van de verdachte overgedragen aan [medeverdachte 2] en anderen die nauw met [medeverdachte 2] in contact stonden, en is de PGP-accountnaam van de verdachte (‘ [accountnaam 1] ’) [53] , als contact toegevoegd in een aan [medeverdachte 2] verstrekte PGP-toestel. [54]
iii. In een PGP-gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 2] (van eind februari 2017) heeft de verdachte te kennen gegeven dat de gang van zaken rondom de vergismoord op [slachtoffer 3] en voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 4] , aanleiding heeft gegeven tot de
“doodstraf voor driver”, waarmee volgens het hof [slachtoffer 2] wordt bedoeld.
iv. De [medeverdachte 2] heeft via cryptocommunicatie (op 4 februari 2017) aan de verdachte verantwoording afgelegd voor het in brand steken van de vluchtauto die is gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 2] .
v. Uit PGP-berichten (van eind februari 2017) blijkt dat de verdachte aan [medeverdachte 2] geld in het vooruitzicht heeft gesteld voor de liquidatie van [slachtoffer 2] door
“hem” “70”te bieden voor
“hem”en
“me neefje”, en dat de verdachte ook een rol heeft gespeeld bij het verstrekken van het geld aan [medeverdachte 2] .
64. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander (de opdrachtgever) inlichtingen heeft verschaft aan [medeverdachte 2] , en zodoende een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de uitlokking van de liquidatie van [slachtoffer 2] en het aanzetten van een ander – de schutter, [betrokkene 10] – tot het plegen van die liquidatie, ook in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. [55] De in de schriftuur aangedragen argumenten, [56] waaruit zou moeten blijken dat de verdachte bij deze liquidatie géén betrokkenheid heeft gehad, noopte het hof niet tot een ander oordeel. Anders dan de stellers van het middel menen, doet aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel bovendien niet af dat de [medeverdachte 2] (kennelijk) pas nádat de moord was gepleegd in rechtstreeks contact kwam te staan met (de organisatie van) de verdachte. [57] Verweven als het oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dat oordeel in cassatie geen plaats.
65. Aldus moet het vijfde middel het lot van de voorgaande middelen delen.

Het zesde middel

66. Het zesde middel komt op tegen het oordeel dat de verdachte zich (in deelonderzoek Duif) schuldig heeft gemaakt aan
“medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord”op [slachtoffer 5] .

De overwegingen van het hof inzake deelonderzoek Duif

67. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] . De bewijsoverwegingen van het hof houden, voor zover thans relevant, in (onderstrepingen van mijn hand):

“6.3.4.1. De aangetroffen chats

Op 18 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ […] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 1] ’, veredeld als [verdachte] . [medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] : “Wie zoek je” en “Wat staat op (…) hoofd [bijnaam 2] !!”. [verdachte] antwoordt dat hij “70 de hoofd geeft” met “onze yzers en fietsen”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘70 de hoofd’ € 70.000,- per liquidatie wordt bedoeld en dat met ‘yzers’ en ‘fietsen’ vuurwapens en auto’s worden bedoeld. [medeverdachte 2] antwoordt aan [verdachte] dat hij de service van de organisatie goed vindt. Verder wordt nog besproken dat [medeverdachte 2] “niets aan vijanden verkoopt alleen de dood. Alleen de dood” en dat hij “wist dat er oorlogskast was”, waarop [verdachte] antwoordt dat “die kast leeg moet op hun allemaal” en dat de kas(t) “nog laaaaaaang niet leeg is”. [verdachte] noemt dat ze “ratten moeten bestrijden broer” en vraagt “we zijn 1 team toch [bijnaam 2] ?”. [medeverdachte 2] antwoordt hierop: “Jaaa” en “Meer dan 1”.
Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] en [verdachte] via de chat aan het verkennen zijn wat zij voor elkaar kunnen betekenen en dat het daarbij om het liquideren van personen gaat. Ook leidt het hof uit het gesprek af dat [verdachte] zorgt voor vuurwapens en auto’s en dat hij geld in het vooruitzicht stelt.Uit het chatgesprek van 19 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] blijkt dat een ‘soldaat’ van [medeverdachte 2] ook daadwerkelijk een ‘yzer’ bij [verdachte] heeft opgehaald. [medeverdachte 2] geeft hiervan een ontvangstbevestiging aan [verdachte] .
(…)
Vervolgens gaat het in het gesprek over “ [rapformatie] ” waarover [medeverdachte 2] zegt “zijn rappertjes”. [verdachte] antwoordt hierop dat “die rappertje op zijn neefje heeft geschoten” en dat hij “dus ook een prijs voor hem heeft!”. [medeverdachte 2] vraagt hierop “welke rapper wil je?” en zegt “ik geef je”. [verdachte] zegt: “ [bijnaam slachtoffer 5] liefst maar die komt niet voorlopig die oen! Dan z’n maatje [bijnaam 2 slachtoffer 5] . Die moet zo vrij komen”.[medeverdachte 2] geeft aan dat het geen probleem is, want hij heeft “mensen binnen” [het hof begrijpt: in de gevangenis], die “hitte em daar als ik het zeg” en “zeg me prijzen en is aan”. [verdachte] wil “1T” [het hof begrijpt: één ton, € 100.000,-] geven als [medeverdachte 2] “ [bijnaam slachtoffer 5] binnen kan doen”. [medeverdachte 2] zegt hierop “ok”.
Met de politie concludeert het hof in deelonderzoek Duif dat met ‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’ en ‘ [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] worden bedoeld.Dit zijn twee rappers van de [rapformatie] die op dat moment allebei vastzitten. [bijnaam 2 slachtoffer 5] zit een gevangenisstraf van achttien jaren uit, wat overeenkomt met de opmerking in het chatgesprek dat [bijnaam slachtoffer 5] voorlopig niet komt. In het chatgesprek wordt gezegd dat ‘ [bijnaam 2 slachtoffer 5] ’ binnenkort vrijkomt. Het chatgesprek is gevoerd op 18 februari 2017 en [slachtoffer 5] zat een gevangenisstraf uit tot 23 februari 2017.
Dat ook deze chats gaan over voorgenomen liquidaties vanuit de criminele organisatie van een opdrachtgever die onder meer gebruikmaakt van het account ‘ [accountnaam 3] ’ en dat dus sprake is van medeplegen, concludeert het hof mede op grond van de bij de chats in deelonderzoek Mus gegeven uitleg. In het bijzonder wijst het hof daarbij op de chat van 19 februari 2017.

6.3.4.2. De rol van [verdachte]

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat geprobeerd is [medeverdachte 2] in de zaken (…) Duif en (…) uit te lokken tot het plegen van moord op respectievelijk (…) [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] (…). Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] daarbij het volgende.
De chats tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn niet anders uit te leggen dan dat [verdachte] aan [medeverdachte 2] heeft laten weten dat deze personen geliquideerd moesten worden, waarbij in deze reeks van berichten ook concreet over het betalen van geld voor liquidaties is gesproken, terwijl [verdachte] over (…) [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] aan [medeverdachte 2] inlichtingen heeft verstrekt voor het uitvoeren van deze beoogde liquidaties.
Over het bewezen verklaarde medeplegen overweegt het hof dat [verdachte] niet in zijn eentje heeft gehandeld bij het uitlokken van [medeverdachte 2] , maar dat hij op zijn beurt handelde voor en rapporteerde aan de opdrachtgever. Deze werkwijze blijkt uit de chatberichten van 19 februari 2017. Deze berichten hebben weliswaar betrekking op [betrokkene 18] als beoogd slachtoffer (deelonderzoek Mus), maar het hof leidt uit deze chats af dat [verdachte] ook in geval van de beoogde slachtoffers (…) [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] en [betrokkene 19] handelde voor (de organisatie van) de opdrachtgever. Deze chats van 19 februari 2017 volgen kort op de chats van 18 februari 2017 en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de uitlokking op grond van de berichten van 18 februari 2017 in een andere context zijn te plaatsen. In deze fase van de samenwerking verliep de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] nog niet rechtstreeks, maar via ( [medeverdachte 4] en) [verdachte] , zodat [verdachte] een belangrijke schakel was in het contact met de opdrachtgever. Op grond daarvan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de opdrachtgever waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad.Omdat de moorden destijds niet zijn uitgevoerd, acht het hof op grond van het bovenstaande het aan [verdachte] ten laste gelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op (…) [betrokkene 19] en [slachtoffer 5] (…) wettig en overtuigend bewezen.

Een nadere omschrijving van het zesde middel

68. Met het middel wordt in de kern opgekomen tegen ’s hofs interpretatie van het bericht:
“ [bijnaam slachtoffer 5] liefst maar die komt niet voorlopig die oen! Dan z’n maatje [slachtoffer 5] . Die moet zo vrij komen”. [58] Betoogd wordt dat de zender van het bericht kennelijk de intentie heeft gehad om ‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’ vermoord te zien, maar dat in de passage
“Dan z’n maatje [slachtoffer 5] ”, een voorwaardelijk karakter besloten ligt, namelijk uitsluitend als ‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’ ( [betrokkene 19] ) niet gedood kon worden, zou z’n maatje ‘ [slachtoffer 5] ’ ( [slachtoffer 5] [59] ) worden vermoord.
69. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, achten de stellers van het middel het oordeel dat de zender van het bericht – de verdachte [60] – (óók) kan worden veroordeeld voor het medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] , niet begrijpelijk.
Het juridisch kader: verschillen tussen het opzet van de uitlokker en dat van de uitgelokte
70. De uitlokker (als bedoeld in artikel 47 lid 1 onder Pro 2° Sr) is degene die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit
opzettelijkuitlokt. Dit opzet is tweeledig, en bestaat uit opzet op de deelnemingshandeling en opzet op het grondfeit. Voorwaardelijk opzet op het grondfeit volstaat.
71. Aangenomen wordt dat de uitlokker niet voor méér aansprakelijk kan worden gesteld dan waarop zijn opzet was gericht. [61] Dat wil echter niet zeggen dat het opzet van de uitlokker geheel en al dient samen te lopen met, of congruent moet zijn aan het opzet van de uitgelokte. [62] Geringe verschillen tussen het plan van de uitlokker en de uitvoering door de uitgelokte zullen de verantwoordelijkheid van de eerste namelijk niet opheffen. [63] Bovendien hoeft het opzet van de uitlokker niet op een bepaalde wijze van uitvoering van het delict gericht te zijn. [64]
72. Een uiteenlopende vorm van opzet tussen de uitlokker en de uitgelokte kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de uitgelokte tot de moord van A is aangezet, en een geweer op A richt, maar B onverhoopt wordt getroffen doordat het schot door een van buiten komende oorzaak elders inslaat dan de bedoeling van de uitgelokte was. De uitlokker kan dan nog steeds verantwoordelijk zijn voor de dood van B, mits zijn voorwaardelijk opzet op die gebeurtenis aanwezig was. [65] Ook wanneer de uitlokker een bepaald slachtoffer voor ogen had, maar de persoon die door de uitgelokte van het leven wordt beroofd niet de persoon is op wie de uitlokker het oog had (
error in persona), zoals bij zogeheten ’vergismoorden’, kan de uitlokker verantwoordelijk zijn, mits de vergissing van de uitvoerder in de persoon die hij trof door voorwaardelijk opzet van de uitlokker wordt gedekt. [66] Hetzelfde geldt als het opzet van de uitlokker was gericht op levensberoving van A, wetende dat die persoon in het gezelschap van B ter plaatse zou verschijnen en de uitlokker de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de uitgelokte ook B als getuige niet in leven zou laten. Ook dan is de uitlokker strafbaar aan uitlokking van de levensberoving van B. [67]
73. De rechtspraak laat zien dat de omstandigheid dat het feit uiteindelijk iets anders verloopt dan de opdrachtgever heeft beoogd, niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van opzet op de uitlokking van dit feit, zeker niet als de uitvoering op niet-essentiële punten afwijkt van het opzet van de uitlokker, zolang het (voorwaardelijk) opzet van de uitlokker maar gericht is geweest op de kern van de bestanddelen van het misdrijf. [68] Immers, de uitlokker laat het begaan van het strafbare feit immers aan anderen over, en kiest zodoende voor een teruggetrokken positie. [69] Aan deze positie is, aldus a-g Harteveld, inherent dat de daadwerkelijke uitvoerders – naar gelang de zaak zich ontwikkelt – bepaalde, voor de verdere uitvoering noodzakelijke acties zullen ondernemen. Voor zover die acties vallen binnen wat naar algemene ervaringsregels te verwachten valt in het kader van de
“criminele onderneming”, zullen die aan het opzet van de deelnemer kunnen worden toegerekend. [70] Ook Knigge verdedigt de stelling dat het uit handen geven van de zaak met zich kan brengen dat de uitgelokte naar eigen inzichten handelt en anders te werk gaat dan de uitlokker wellicht zelf zou hebben gedaan. Wie anderen “
voor zijn criminele karretje spant”, neemt een zeker risico, omdat hij de zaak niet meer in eigen hand heeft. [71]

De bespreking van het zesde middel

74. De vraag die in het middel centraal staat, is of het plan van de verdachte om A, en als dit niet lukte dan B, te laten vermoorden, voldoende is voor de aanname van het hof dat de verdachte daarmee (minst genomen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard de moord op B te hebben uitgelokt.
75. Het hof heeft geoordeeld dat de chats tussen de verdachte en [medeverdachte 2] niet anders zijn uit te leggen dan als uitlokking van moord op (A) [bijnaam 2 slachtoffer 5] én (B) [slachtoffer 5] , dat de verdachte daartoe geld in het vooruitzicht heeft gesteld, en ook inlichtingen heeft verstrekt voor het uitvoeren van de beoogde liquidaties. Het hof heeft in zijn overwegingen geen onderscheid gemaakt tussen het uitlokken van de moord op [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] .
76. Het hof heeft bovendien geoordeeld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het heeft geen separate overwegingen gewijd aan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de moord op hetzij [bijnaam 2 slachtoffer 5] , hetzij [slachtoffer 5] .
77. Gelet op het hiervoor door mij (onder randnummers 70-73) uiteengezette beoordelingskader, meen ik dat het middel moet falen. Daarbij heb ik in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte – met zijn opdracht om A, dan wel B te vermoorden – de ‘beslissing’ welke van de twee personen (A of B: [bijnaam 2 slachtoffer 5] of [slachtoffer 5] ) zou worden geliquideerd, bij de uitgelokte heeft gelaten. Door zijn opdracht op deze wijze (en zonder voorbehouden) te formuleren, aan [medeverdachte 2] inlichtingen te verschaffen over zowel [bijnaam 2 slachtoffer 5] als [slachtoffer 5] , en de verdere uitvoering van zijn opdracht aan [medeverdachte 2] over te laten, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat – in zijn opdracht – [slachtoffer 5] werd gedood.
78. Tegen deze achtergrond, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] , allerminst onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere toelichting.
79. Het zesde middel faalt.

Het zevende middel

80. Met het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM Pro.
81. De stellers van het middel beroepen zich in de kern op de kritiekpunten over de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en de herbeoordelingsprocedure die door mijn voormalig ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 8 april 2025 uiteen zijn gezet. [72]
Het juridisch kader: de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM Pro
82. In HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de conclusie van Spronken algemene beschouwingen gewijd aan de verenigbaarheid van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf met de eisen van artikel 3 EVRM Pro in het licht van de huidige herbeoordelingsprocedure. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177, heeft de Hoge Raad die overwegingen herhaald. Voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, kan deze rechtspraak als volgt worden samengevat.
83. De Hoge Raad maakt onderscheid tussen (i) de kwestie of de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt en (ii) de kwestie of de oplegging van die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
84. De waarborgen die het Nederlandse stelsel in dat kader biedt, kunnen allereerst worden gevonden in de motiveringseisen die aan de negatieve gratiebeslissing zijn verbonden. Indien de minister (ambtshalve of op verzoek) beslist geen gratie te verlenen, dient hij deze beslissing deugdelijk te motiveren. Dat geldt temeer indien de negatieve ambtshalve gratiebeslissing afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Daarnaast voorzien de burgerlijke rechter en de penitentiaire rechter in de noodzakelijke rechtsbescherming. Zo kan de veroordeelde de negatieve gratiebeslissing van de minister ter beoordeling aan de burgerlijke rechter voorleggen. Als de minister afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, toetst de burgerlijke rechter of de minister redenen voor het afwijken daarvan heeft opgegeven en of die redenen de afwijkende beslissing kunnen dragen. Daarnaast kan de burgerlijke rechter beoordelen of de motivering van de beslissing over de gratieverlening blijk geeft van toetsing aan de criteria die zijn genoemd in artikel 4 lid 4 Besluit Pro Adviescollege levenslanggestraften en aan de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt. Als de burgerlijke rechter vaststelt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is, kan hij de staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bovendien kan de burgerlijke rechter de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf verbieden als hij – na een daartoe strekkende vordering – oordeelt dat de (periodieke) herbeoordeling niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van de straf heeft geleid, terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.
85. Van de penitentiaire rechter kan ten slotte een beoordeling worden gevraagd van beslissingen inzake het detentie- en re-integratieplan, alsmede de daarin opgenomen activiteiten, en van beslissingen over het verlenen van re-integratieverlof.
86. De Hoge Raad merkt op dat het niet is uitgesloten dat de rechter op enig moment tot het oordeel kan komen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM Pro zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.
87. Op grond van deze rechtspraak stel ik dan ook het volgende vast. De rechter dient zich bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf rekenschap te geven van de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. Indien ten tijde van de oplegging van de straf voorzienbaar is dat de tenuitvoerlegging ervan in strijd komt met artikel 3 EVRM Pro, omdat de straf ‘de facto irreducible’ zal zijn, zal de rechter moeten beslissen dat de straf niet kan worden opgelegd. Het thans geldende stelsel als geheel biedt vooralsnog echter voldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt, zodat ook de oplegging van deze straf daarmee in overeenstemming mag worden geacht. [73]

De motivering van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf

88. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM Pro heeft het hof het volgende overwogen:

Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM Pro. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.
Naar het oordeel van de Hoge Raad voorziet het Nederlandse recht sinds 2017 in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185). Na 25 jaar na de start van de detentie voor het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd wordt een herbeoordelingsprocedure in gang gezet. Die procedure zal uiterlijk 28 jaar na de aanvang van die detentie leiden tot een ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot het verlenen van gratie.
Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening komt het aan op de vraag of zich zodanige veranderingen aan de kant van de levenslanggestrafte hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar re-integratie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geen enkel met de strafrechtspleging na te streven doel - waaronder vergelding - in redelijkheid meer dient en daarom niet langer is gerechtvaardigd. De criteria die daarbij worden toegepast zijn terug te vinden in artikel 4, vierde lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften:
a. het recidiverisico;
b. de delictgevaarlijkheid;
c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie;
d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.
Deze criteria worden ook gehanteerd door het Adviescollege levenslanggestraften bij de advisering over het toelaten van levenslanggestraften tot de re-integratiefase en het aanbieden van re-integratieactiviteiten.
De toekomst zal moeten uitwijzen op welke manier het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk wordt toegepast, zowel in het algemeen, als meer specifiek met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. De veroordeelde heeft de mogelijkheid om de wijze waarop zijn straf ten uitvoer wordt gelegd voor te leggen aan de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter, die erop toezien dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming is met artikel 3 EVRM Pro. Ook kan het oordeel van de burgerlijke rechter in verband met een (negatieve) beslissing over de verlening van gratie worden ingeroepen. Daarbij kan de burgerlijke rechter beoordelen of de negatieve beslissing over de verlening van gratie in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt en gelet op de redenen van deze beslissing, onrechtmatig is. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing over gratieverlening is in het bijzonder van belang als wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing over gratieverlening.
Het hof is van oordeel dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt die in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.”

De bespreking van het zevende middel

89. Het hof heeft zich bij de strafoplegging rekenschap gegeven van de vraag in hoeverre de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. Daarbij heeft het hof bijzondere betekenis toegekend aan de waarborgen die in de herbeoordelingsprocedure besloten liggen en de rechtsbescherming die door de penitentiaire en burgerlijke rechter wordt geboden. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het stelsel als geheel voldoende waarborgen biedt om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. Het oordeel dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM Pro oplevert, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien toereikend gemotiveerd.
90. Het middel faalt.

Slotsom

91. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
92. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
93. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.
2.In citaten laat ik de voetnoten weg.
3.Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie
4.Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158,
5.HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119,
6.Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902,
7.Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk & S.J. de Vries,
8.HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (
9.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
10.Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’,
11.Voluit: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.
12.Die uitspraken zijn:
13.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
14.Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
15.De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475,
16.‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens
17.HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.
18.Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584,
19.Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409,
20.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
21.Reden voor deze toelichting is “
22.In de zaken
23.Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
24.Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
25.Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
26.HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277,
27.Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
28.Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.
29.In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a.,
30.Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (
31.Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in
32.Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.
33.Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673,
34.De raadsman van [medeverdachte 6] (mr. [betrokkene 20] ) heeft zich bij dit getuigenverzoek aangesloten. Zie het proces-verbaal d.d. 22 november 2023, p. 62.
35.Dit e-mailbericht is gevoegd bij de processtukken op het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2024 (zie het proces-verbaal d.d. 26 februari 2024, p. 7).
36.Zie arrest, p. 6, onder ‘3.3. Het verzoek tot het horen van de [getuige 1] ’.
37.In de toelichting op het middel doen de stellers van het middel een beroep op HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1216,
38.Zie de schriftuur, onder randnrs. 34-35:
39.Zie over toetsing in cassatie van de begrijpelijkheid van een dergelijke beslissing HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
40.Volledigheidshalve merk ik nog het volgende op. Artikelen 287 en 288 Sv bepalen in welke gevallen de rechter kan afzien van het oproepen van getuigen die niet ter terechtzitting (in hoger beroep) zijn verschenen, ondanks een voorafgaand verzoek van de verdachte daartoe op grond van (in hoger beroep) artikel 410 of Pro artikel 414 Sv Pro, of een bevel van de rechter op de voet van artikel 315 Sv Pro. De Hoge Raad heeft in dat verband geoordeeld dat de rechter uit het uitblijven van een (herhaald) uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek tot het alsnog of opnieuw oproepen van de getuige kan afleiden dat de verdediging de niet verschenen getuige (toch) niet meer wenst te horen. Dat betekent dat de rechter alleen gehouden is een beslissing te geven over de (hernieuwde) oproeping van de betreffende getuige als daartoe door of namens de verdachte ter terechtzitting
41.Onder verwijzing naar de pleitnota in hoger beroep (randnrs. 1, 6 tot en met 8, 11 en 12 in het bijzonder) betogen de stellers van het middel dat gelet op de indringendheid van de argumenten
42.Zie arrest, p. 25-26. Het hof verwijst in zijn overwegingen naar bijlage 3, zie vanaf
43.Daarover wordt in cassatie dan ook (terecht) niet geklaagd.
44.Zie (nogmaals) bijlage 3 van het arrest, vanaf
45.Zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 september 2021, p. 49 (bijlage 3).
46.Zie processen-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 17 september 2020 en d.d. 12 april 2020, p. 114-117 (bijlage 3). Zie ook de overweging van het hof
47.Dat het hof niet is ingegaan op elk onderdeel van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt doet daaraan niet af. Daartoe was het hof immers niet gehouden. Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
48.Zie de pleitnota, p. 49-57.
49.Zie de cassatieschriftuur, p. 33-34, i.h.b. onder randnr. 42, waarin de stellers van het middel het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer van de verdediging samengevat hebben weergegeven. Ik volsta hier met deze weergave. Voor een volledige versie van het verweer verwijs ik naar de pleitnota, p. 49-57.
50.Arrest, p. 69-70.
51.Zie de cassatieschriftuur, onder randnr. 43. Zie ook de bewezenverklaring van het hof, weergegeven op p. 69-70 van het arrest.
52.De liquidatie werd gepleegd op 31 januari 2017.
53.Zie in dit verband ook de bespreking van het vierde middel (onder randnrs. 56-58).
54.Zie arrest, p. 30-31.
55.Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
56.De in de schriftuur aangedragen argumenten houden in dat (i) het hof enerzijds vaststelt dat de PGP-accountnaam van de verdachte voorafgaand aan de moord op 31 januari 2017 in een aan [medeverdachte 2] verstrekte PGP is toegevoegd, maar anderzijds niet vaststelt dat de verdachte en [medeverdachte 2] in de periode voorafgaand aan 4 februari 2017 contact hebben gehad; (ii) uit het bericht ‘doodstraf voor driver’, dat dateert van 23 februari 2017, aldus ruim drie weken na de moord, niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, kan worden afgeleid dat de verdachte ook bij de ‘organisatie’/uitlokking van de moord betrokkenheid heeft gehad. Daaruit kan hooguit worden afgeleid dat hij wetenschap had of later heeft verkregen, maar zonder nadere uitleg is hetgeen in dit bewijsmiddel is opgenomen niet redengevend voor het bewezen verklaarde; (iii) uit de berichten over het ‘bieden’ van geld niet kan worden afgeleid dat dit zag op de moord op [slachtoffer 2] ; (iv) namens de verdachte is aangevoerd dat uit de berichten kan worden geconcludeerd dat ‘ [accountnaam 1] ’ op 4 februari 2017 daadwerkelijk voor het eerst contact heeft met (vermeend) [medeverdachte 2] , nu uit de chatberichten volgt dat ‘ [accountnaam 1] ’ het op dat moment overneemt van een ander en aldus géén betrokkenheid heeft gehad bij wat zich voor 4 februari 2017 heeft afgespeeld. Zie de cassatieschriftuur, p. 35-36.
57.Zie arrest, p. 36:
58.Immers, uit deze passage heeft het hof – kort gezegd – afgeleid dat de verdachte met zijn medeverdachten heeft gepoogd om [medeverdachte 2] uit te lokken [slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] te vermoorden. Zie de cassatieschriftuur, randnr. 49.
59.‘ [slachtoffer 5] ’ is fonetisch voor [slachtoffer 5] . Hierover bestaat in cassatie geen discussie.
60.Aangenomen dat, aldus de stellers van het middel, wordt uitgegaan van de lezing van het hof dat de verdachte de zender is van het bericht. Zie de cassatieschriftuur, onder randnr. 50.
61.Vgl. Noyon/Langemeijer/Remmelink,
62.Ik wijs ook nogmaals op de conclusie van voormalig a-g Hofstee, 23 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:54, onder randnr. 15. Hofstee merkt op:
63.Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink,
64.In Noyon/Langemeijer/Remmelink,
65.Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink,
66.Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:372,
67.Vgl. HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2852, en de conclusie van voormalig a-g Spronken die daaraan voorafging. In deze zaak ging het om uitlokking van medeplegen van een dubbele moord op A en B in het drugsmilieu van Bonaire. Het Gemeenschappelijk Hof had onder meer vastgesteld dat de verdachte wist dat niet alleen A, maar ook B bij de daartoe door de uitvoerders van de moord geplande ontmoeting aanwezig zou zijn en had – volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de kans aanmerkelijk was te achten dat zij B niet als getuige wilden van hun moord op A en dat zij daarom ook B zouden vermoorden, daartoe aangezet door de bedreigingen van de verdachte, welke kans door de verdachte was aanvaard. De Hoge Raad vond dit oordeel van het Gemeenschappelijk Hof niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen het had vastgesteld met betrekking tot de aanleiding voor het uitlokken van de moord op A (het kwijtraken van een partij cocaïne).
68.Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
69.Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
70.Zie de conclusie van voormalig a-g Harteveld van 28 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:244, onder randnr. 3.6 (HR art. 81 RO Pro).
71.G. Knigge, ‘Het opzet van de deelnemer’, in:
72.Concl. A-G Spronken 8 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:418. De stellers van het middel wijzen in de eerste plaats op de ontwikkelingen die in de conclusie zijn genoemd onder randnummer 7.6 (de zeven ingediende klachten bij het EHRM) en randnummer 7.7 (de keuze van de regering om vast te houden aan de gewone gratieprocedure en niet – conform de voorkeur van de Hoge Raad – een rechterlijke herbeoordelingsprocedure in te voeren). Verder bespreken de stellers van het middel een aantal kritiekpunten over de beoordeling voorafgaand aan de re-integratiefase en over de inhoud daarvan. Tot slot wordt ‘het gebrek aan rechtsmiddelen tegen de beslissingen van bewindspersonen’ door hen genoemd als belangrijk knelpunt (zie randnummers 7.8 en 7.9).
73.Voor kritische beschouwingen over dit thema verwijs ik ook graag naar E.J. de Vries, ‘Levenslang in Nederland: