Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
16. De verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank [plaats] op 16 oktober 2017.
b. Feit 1 (zaaksdossier ‘100 kilo’)
PHvK) “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” de in beslag genomen cocaïne betreft. Dit zou onbegrijpelijk zijn omdat uit het proces-verbaal van bevindingen kasboek (bewijsmiddel 27) blijkt dat de organisatie voor 1 kilo cocaïne een bedrag van (ongeveer) € 28.000,- placht te ontvangen, wat ook de groothandelprijs van cocaïne is, zodat voor de in beslag genomen 51 kilo cocaïne ongeveer € 1.428.000,- moet zijn betaald hetgeen niet overeenkomt met het bedrag van € 2.329.220,- in het proces-verbaal bevindingen kasboek. Het proces-verbaal van verdenkingen (bewijsmiddel 25) waarin is gerelateerd dat in een aangetroffen kasboeknotitie “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estelle (=Ster)" is vermeld bij 5 april 2014, “de dag van de aanhouding van onder andere de [verdachte] en inbeslagname verdovende middelen”, zou omwille van het voorgaande niet redengevend zijn voor het bewijs, nu voornoemd proces-verbaal er eerder op wijst dat de verdachte “juist
nietmet de partij cocaïne in de Mercedes Vito te maken had”.
c. Feit 3 (criminele organisatie)
Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier criminele organisatie)
Voornoemde pakketten met cocaïne bleken indrukken te bevatten van een stervorm of 7A.
PHvK) afkomstig is van één partij, en dat er nauwkeurig in notitie-/collegeblokjes wordt opgeschreven wat er binnen komt en wat door wie wordt meegenomen en er per stuk cocaïne € 28.000,- wordt bijgeschreven.
5.Het derde middel
c. Feit 3 (criminele organisatie)
NJ2022/361 m.nt. Jörg stelde de Hoge Raad het volgende voorop:
Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr Pro is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”