In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van het bereiden en vervaardigen van methamfetamine in drugslabs in Friesland en Groningen, alsmede het medeplegen van het lozen van afvalstoffen in strijd met de Waterwet. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde hem. De verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest.
De Hoge Raad onderzocht de klachten over de bewezenverklaring omtrent de aanwezigheid en wetenschap van de verdachte in de drugslabs. Het hof had het verweer van de verdachte, dat hij slechts aanwezig was voor kluswerkzaamheden, niet aannemelijk geacht. Ook de wetenschap omtrent het lozen van afval via een buis in een sloot werd door het hof bewezen geacht. De Hoge Raad vond geen grond voor cassatie.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigde. De straf werd daarom verminderd van vijf jaar naar vier jaar en negen maanden gevangenisstraf. Het overige beroep werd verworpen.