Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
5.De materieelrechtelijke achtergrond van deze zaak
Ertragsanteil’ en het ‘
Steurerfreie Teil der Rente’ – niet het doel hebben een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten.
Ertragsanteil’ [22] en het ‘
Steurerfreie Teil der Rente’ [23] kunnen gelden als regelingen die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. [24] Het ontkennend antwoord dat het Hof op die vraag heeft gegeven in zijn uitspraak van 19 november 2025 is dus nog niet door de Hoge Raad getoetst. De Hoge Raad zal overigens alleen de begrijpelijkheid van de aan dat oordeel van het Hof ten grondslag liggende motivering kunnen beoordelen, omdat het hier gaat om de uitleg van Duits recht en in art. 79(1)(b) Wet RO is bepaald dat schending van het recht van vreemde staten geen grond voor cassatie vormt.
Ertragsanteil’ en het ‘
Steurerfreie Teil der Rente’ moeten worden geduid (5.23).
(o)ok ervan uitgaande datde inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslagen steeds kennis dient te nemen van de hem ter beschikking staande informatie, zoals de aangiften van voorgaande jaren” [28] . De door mij onderstreepte woorden impliceren dat de Staatssecretaris dat uitgangspunt niet zonder meer wenst te omarmen. Pas subsidiair betoogt hij dat de Inspecteur na kennisneming van de aangiften over voorafgaande jaren niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de aangiften voor 2017, 2018 en 2019. In dit hoofdstuk van deze conclusie behandel ik eerst dat primaire standpunt en daarna het subsidiaire betoog van de Staatssecretaris.
foul play’. De beroemde detective zou ongetwijfeld de gift van € 37.555 en de opgevoerde ziektekosten van € 27.608, met elkaar hebben ‘gecombineerd’ en daarna in een proces van ‘reduceren en deduceren’ [31] het ‘mysterie’ hebben opgelost: ‘
elementary, my dear Watson’. Maar een inspecteur hoeft niet te speuren naar aanwijzingen voor fraude of bedrog. Hij mag, en moet zelfs wellicht, uitgaan van de goede trouw van de belastingplichtige [32] en de juistheid van de gegevens die in de aangifte zijn verstrekt. In 1955 oordeelde de Hoge Raad al dat ervan moet worden uitgegaan dat de aangifte ‘door de belastingplichtige met de nodige stiptheid en nauwkeurigheid wordt gedaan’. [33] Zolang er – ondanks aanwijzingen voor het tegendeel – een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is, kan de inspecteur niet worden verweten dat hij geen nader onderzoek instelt. De omstandigheid dat een aanmerkelijke kans aanwezig is dat de aangifte onjuist is, sluit niet uit dat de kans dat de aangifte wel juist is, niet onwaarschijnlijk is. [34]
7.Beoordeling van het middel
aangifteover een voorafgaand jaar behoort tot de in het dossier aanwezige gegevens die een inspecteur moet raadplegen, en dat het Hof verderop in die overweging de Inspecteur verwijt geen acht te hebben geslagen op de
aanslagvoor 2015. Kennelijk heeft het Hof bedoeld zijn vooropstelling ook te laten gelden voor aanslagen voor voorafgaande jaren, mits uiteraard die aanslagen al zijn opgelegd. Dat lijkt mij juist. Als de aangifte over een voorafgaand jaar in het dossier moet liggen, dan moet de aanslag voor dat voorafgaande jaar er ook in liggen.
heffingeen gebonden bevoegdheid is en dat daarom het besluit om belasting na te heffen niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. [52] Ik zie niet in waarom anders zou moeten worden geoordeeld over de bevoegdheid tot na
vordering. Dit betekent dat een inspecteur die kan navorderen en dat weet, dit in beginsel ook moet doen. [53]
so wie so’ alleen in Duitsland belast (5.8 en 5.10). Nederland had dus – anders dan de Staatssecretaris stelt – verdragsrechtelijk geen heffingsrecht over
beideuitkeringen. Verklaringen van het Duitse Finanzambt doen daar niet aan toe of af.
inkomensverklaring van nihil, het dus niet waarschijnlijk(er) dat de Nederlandse aangiften van belanghebbende juist zijn.
belastingnihil was, het waarschijnlijker maakt dat de aangiften voor 2017, 2018 en 2019 juist waren, kan ik hem ook niet volgen. Want een belasting van nihil in Duitsland is goed denkbaar, zowel in het geval de Duitse fiscus het APB-pensioen als privaatrechtelijk aanmerkt als in het geval de Duitse fiscus dit pensioen als publiekrechtelijk aanmerkt. In het eerste geval kan de verleende voorkoming van dubbele belasting tot een heffing van nihil leiden, en in het tweede geval kan een heffing over alleen de AOW door belastingvrije-voeten en andere – al dan niet persoonlijke – tegemoetkomingen tot een Duitse nihil-aanslag leiden.