Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Hertogenboschvan 4 maart 1977 betreffende de aan
[X]te
[Z]opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1973;
Hoge Raad
Belanghebbende ontving in 1973 een nabetaling van pensioen uit de nalatenschap van zijn in 1969 overleden vader. De Inspecteur legde aanvankelijk een primitieve aanslag op zonder rekening te houden met dit pensioen. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd wegens het niet opgegeven aandeel in de nabetaling. Belanghebbende stelde dat er geen nieuw feit was en dat de Inspecteur ambtelijk had verzuimd omdat de loonbelastingkaart met de nabetaling reeds vóór de primitieve aanslag ter inspectie was ontvangen.
Het Hof stelde vast dat de loonbelastingkaart vóór 1 juli 1974 was ontvangen en in de legger van de moeder was opgeborgen, en dat de aanslag van belanghebbende op 9 september 1974 was vastgesteld zonder kennis van de nabetaling. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur redelijk had gehandeld door de kaart eerst bij de aanslagregeling van de moeder nader te onderzoeken en dat er geen nieuw feit ontbrak.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak, stellende dat de Inspecteur ambtelijk verzuimd had. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de administratieve verwerking binnen een grote organisatie als de belastingdienst niet vereist dat alle gegevens onmiddellijk worden verwerkt, mits binnen redelijke termijn.
De Hoge Raad concludeerde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de navorderingsaanslag terecht was vernietigd omdat er geen nieuw feit was voor navordering. Het beroep van de Staatssecretaris werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat er geen nieuw feit was voor navordering, waardoor de navorderingsaanslag terecht werd vernietigd.