Conclusie
[betrokkene]
De beslissing van de kantonrechter
margin of appreciation) toekomt en dat de onderhavige wetgeving inzake de proceskostenvergoeding, in aanmerking genomen deze ruime beoordelingsvrijheid die door de rechter dient te worden gerespecteerd, niet als discriminatoir kan worden aangemerkt. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is hem niet gebleken. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, bestaat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dit onderscheid. De advocaat-generaal is verder van mening dat de vermenigvuldigingsfactoren in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv wel door de officier van justitie kunnen worden toegepast in de fase van bezwaar en administratief beroep.
discrimination by associationvan de betrokkene kan opleveren, zodat de gemachtigde hierop, namens de betrokkene, een beroep kan doen. Het door de wetgever gemaakte onderscheid raakt zo al niet het recht op toegang tot de rechter zoals neergelegd in artikel 6 van Pro het EVRM, dan in ieder geval het door de regelgever vastgelegde recht op toekenning van een proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke zaken op grond van het Bpb.
no cure no pay-problematiek zich ook voordoet bij Wahv-zaken, dat het aantal Wahv-zaken en de hoogte van het totaalbedrag aan uitgekeerde proceskostenvergoedingen sterk zijn gestegen en dat er signalen zijn ontvangen dat er in Wahv-zaken sprake is van overcompensatie als het gaat om de proceskostenvergoeding. Concrete informatie op basis waarvan kan worden beoordeeld of in het verband van de in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv neergelegde regeling, procedures ingevolge de Wahv niet als gelijke gevallen zijn aan te merken ten opzichte van alle andere bestuursrechtelijke procedures niet zijnde WOZ- en bpm-procedures, dan wel of deze procedures in voldoende mate als met WOZ- en bpm-zaken te vergelijken gevallen zijn aan te merken, ontbreekt evenwel. Ook tijdens de verdere totstandkoming van de wet is deze informatie niet naar voren gekomen. Dit maakt dat het voor het hof niet mogelijk is om te beoordelen of Wahv-zaken en de overige bestuursrechtelijke zaken met het oog op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand als gelijke gevallen zijn aan te merken.
no cure no pay-bureau in Wahv-zaken niet in verhouding staan tot de hoogte van de proceskostenvergoeding, leidt, temeer waar het hier een maatregel betreft waarbij de proceskostenvergoeding zeer aanzienlijk wordt verlaagd, onder de gegeven omstandigheden en zonder nadere onderbouwing niet tot een ander oordeel.
1. Inleiding
2.Cijfers
3.Hoofdlijnen van het voorstel
6.Overwogen alternatieven
7.Verhouding tot hoger recht
4. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AFGEHANDELDE BEROEPEN 2018–2022 (UITSTROOM)
Naar aanleiding van deze reacties is besloten de voorgestelde algemene verhoging van de waarde per punt met 40 procent niet te laten gelden voor zaken betreffende de hiervoor bedoelde besluiten op het gebied van de Wet WOZ en de bpm, en in elk geval de uitkomst van het hiervoor genoemde WODC-onderzoek te betrekken in verdere besluitvorming over de proceskostenvergoeding voor dit soort zaken in de toekomst.
ruime beoordelingsmargegeldt’. Thomas meent (ook) dat het EHRM (bij toetsing aan artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM) ‘tot een andere beoordeling (zou) kunnen komen dan de Hoge Raad, gelet op de ruime ‘margin of appreciation’ (beoordelingsvrijheid) voor de nationale overheid die het EHRM pleegt te hanteren’. [49] En hij is kritisch over het eerste argument dat de belastingkamer noemt en merkt op: ‘Een feit van algemene bekendheid is dat in WOZ-procedures heel veel wordt geprocedeerd door no cure, no pay proceskostenbureaus. Indien de overheid dergelijke procedures zou willen ontmoedigen, ligt het voor de hand om de proceskostenvergoeding voor dergelijke procedures te verlagen en in ieder geval niet te laten stijgen.’
evidence basedvergoeding in fiscale zaken dan om het omgekeerde te doen’ (randnummer 5.10).
no cure no paygemachtigde immers per definitie onmogelijk’ (randnummer 1.11). Daarbij slaagt de WHpkv volgens Wattel ‘moeiteloos voor de objectieve-en-redelijke-rechtvaardiging-test: van de keuzen die de formele wetgever heeft gemaakt om een halt toe te roepen aan de verstopping van de belastingrechtspraak door parasitaire verdienmodellen op staatskosten die noch de rechtsbescherming, noch het algemeen belang dienen, kan niet gezegd kan worden dat zij
manifestly without reasonable foundationzouden zijn. De maatregel is ook zeker geschikt om de gestelde doelen te bereiken’ (randnummer 1.13).
kunnenwerken omdat ncnp-verdienmodellen op andere fiscale terreinen niet levensvatbaar zijn’ (randnummer 9.13).
mulkiacategory, as a result of which the public will in issue was voided of all legal effect. In so ruling, the Court of Cassation placed the applicant in a different position from that of a married female beneficiary of the will of a non-Muslim husband. In that connection, the Court also notes that several international bodies have highlighted this issue (…).
b) Alleged discriminationvis-à-vispensioners whose pensions fall below the cap and are thus not affected by it
discrimination by associationkan opleveren, zodat de gemachtigde hierop, namens de betrokkene, een beroep kan doen’.
discrimination by association’ heeft vastgesteld op grond van persoonskenmerken van een derde. In een aantal zaken ging het om een handicap van een kind van betrokkene, in Molla Sali tegen Griekenland om het geloof van de overleden echtgenoot van betrokkene. Het EHRM spreekt in Guberina tegen Kroatië (par. 78) over ‘
instances in which an individual is treated less favourably on the basis of another person’s status or protected characteristics’. Denkbaar is dat het begrip
‘status’ook in de context van ‘
discrimination by association’ in latere rechtspraak nog eens zo wordt uitgelegd dat het niet alleen persoonlijkheidskenmerken omvat. Voor zover ik zie biedt de rechtspraak van het EHRM bij de huidige stand van zaken evenwel geen basis voor een uitleg die in een geval als het onderhavige, waarin de hoogte van de proceskostenvergoeding (niet met een persoonskenmerk van de gemachtigde maar) met het onderwerp van het geding samenhangt, ‘
discrimination by association’ van de betrokkene aanneemt.
discrimination by association’kan opleveren, kan daar in het onderhavige geval – meen ik – niet van worden gesproken. Het hof stelt vast dat de proceskostenvergoeding niet toevalt aan de betrokkene en dat er geen relatie is tussen de hoogte van de toegekende vergoeding en een eventuele door de betrokkene verschuldigde bijdrage aan de gemachtigde. Daarmee staat niet vast dat is voldaan aan de eis dat de betrokkene ‘
is treated less favourably’ op basis van de gestelde grond voor discriminatie. En (ook) dat is een eis voor de vaststelling van ‘
discrimination by association’.
privilege(gratis procederen op staatskosten, ook als het nergens over gaat)’ (randnummer 9.13).
no cure no pay-bureaus in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag’. Over Wahv-zaken is volgens het hof ‘vrijwel geen concrete informatie verstrekt en zijn er geen (afgeronde) onderzoeken over de werkwijze en het verdienmodel van beroepsmatige rechtsbijstandverleners’. In de toelichting op het amendement is ‘slechts opgemerkt dat de
no cure no pay-problematiek zich ook voordoet bij Wahv-zaken, dat het aantal Wahv-zaken en de hoogte van het totaalbedrag aan uitgekeerde proceskostenvergoedingen sterk zijn gestegen en dat er signalen zijn ontvangen dat er in Wahv-zaken sprake is van overcompensatie als het gaat om de proceskostenvergoeding. Concrete informatie op basis waarvan kan worden beoordeeld of in het verband van de in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv neergelegde regeling, procedures ingevolge de Wahv niet als gelijke gevallen zijn aan te merken ten opzichte van alle andere bestuursrechtelijke procedures niet zijnde WOZ- en bpm-procedures, dan wel of deze procedures in voldoende mate als met WOZ- en bpm-zaken te vergelijken gevallen zijn aan te merken’ zou volgens het hof ontbreken en ook tijdens ‘de verdere totstandkoming van de wet’ niet naar voren zijn gekomen.