Conclusie
1.Everest Estate LLC,
Russische Federatierespectievelijk
Everest c.s.
1.Inleiding en samenvatting
Belbek c.s.), zaak 22/03897 (
Privatbank) en zaak 22/03902 (
Naftogaz c.s.). In de eerste twee zaken,
Belbek c.s.en
Privatbank, heeft het scheidsgerecht dezelfde samenstelling. Dat scheidsgerecht heeft een tussenvonnis over zijn bevoegdheid en een deelvonnis over de gegrondheid van de vorderingen gewezen. Het oordeel over welke specifieke investeringen zijn beschermd en wat de hoogte is van de schadevergoeding voor hun onteigening, is aangehouden tot de kwantumfase van de arbitrage en loopt op dit moment nog. In de derde zaak, de onderhavige zaak
Everest c.s., is een arbitraal eindvonnis gewezen en de vernietigingsprocedure is daartegen gericht. In de laatste zaak,
Naftogaz c.s.,heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijk eindvonnis (
Partial Award) gewezen; één arbiter heeft een
dissenting opiniongegeven. In april 2023, hangende de cassatieprocedure, heeft het betrokken scheidsgerecht eindvonnis gewezen, opnieuw bij meerderheid.
Belbek c.s.,
Privatbanken in de onderhavige zaak de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen. In de zaak
Naftogaz c.s.heeft het hof het aangevochten deelvonnis ‘voor alle zekerheid’ vernietigd, voor zover het scheidsgerecht zich ook bevoegd heeft geacht ten aanzien van investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992.
Belbek c.s.,
Privatbanken
Naftogaz c.s.het principaal cassatieberoep van de Russische Federatie moet worden verworpen. Het hof heeft op juiste gronden geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard. Alleen in de onderhavige zaak concludeer ik tot vernietiging. Dat heeft te maken met de beoordeling van door de Russische Federatie aangevoerde grieven over de wijze waarop
Everest c.s.enkele vastgoedobjecten indertijd hebben verkregen. Ik acht enkele feitelijke oordelen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken.
PrivatBankvoorwaardelijk ingesteld en in de zaken
Belbek c.s.en
Naftogaz c.s.onvoorwaardelijk.. Ik behandel in alle vier de zaken het incidentele cassatieberoep en concludeer steeds tot verwerping ervan.
territory’in een situatie waarin tussen de twee verdragsstaten feitelijk de landsgrens is verlegd waardoor een investering in de rechtssfeer van de andere verdragsstaat is gekomen. In het verlengde daarvan is betwist of het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven omtrent het soevereiniteitsconflict over de Krim. Ten tweede is dat de vraag hoe moet worden bepaald of onteigende vermogensbestanddelen door de Oekraïense investeerders legaal waren verkregen. In het verlengde van die laatste vraag is alleen in de onderhavige zaak concreet aan de orde of specifieke vastgoedobjecten rechtmatig waren verkregen. Al deze vragen zijn relevant voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Dáárover diende het hof te oordelen, ook al hangt de beantwoording van die vragen mede af van de uitleg van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie en dus van vreemd recht.
2.Feiten en procesverloop
BIT 1998). [2] De voor deze procedure relevante bepalingen uit dat verdrag luiden in de Engelse vertaling als volgt: [3]
Supreme Councilvan de Krim vóór aansluiting bij de Russische Federatie. Het agendeerde een referendum daarover op 16 maart 2014. Volgens de organisatoren van het referendum stemde 96% van de deelnemers daaraan vóór aansluiting. Op 17 maart 2014 verklaarden de
Supreme Councilen de gemeenteraad van Sebastopol zich onafhankelijk van Oekraïne. De volgende dag werd een verdrag ondertekend met de titel ‘
Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’. Ondertekenaars waren, de Russische Federatie, de Republiek de Krim en de stadsstaat Sebastopol. Het Grondwettelijk Hof van de Russische Federatie erkende op 19 maart 2014 dat het verdrag in overeenstemming is met de Russische grondwet. Op 21 maart 2014 werd het verdrag door het Russische parlement geratificeerd met het aannemen van de
Crimean Incorporation Law. In die wet werd (onder meer) de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen onroerend goed erkend per 18 maart 2014. [4]
[betrokkene 1]), die een natuurlijk persoon is met de Oekraïense nationaliteit. Everest c.s. hadden bezittingen op de Krim. Op 30 april 2014 heeft de State Council van de Republiek de Krim een besluit genomen waarin werd verklaard dat “
all state property (of the state of Ukraine) and all abandoned property located in the Republic of Crimea shall be considered the property of the Republic of Crimea” (hierna: het
Nationalisatiebesluit). Op 3 september 2014 is in het Nationalisatiebesluit de zinsnede “
as well as the property listed in the [Annex] to this decree" toegevoegd na de zinsnede “
in the Republic of Crimea”. Deze bijlage bij het Nationalisatiebesluit is vervolgens een aantal malen uitgebreid zodat het besluit uiteindelijk ook de bezittingen van Everest c.s. op de Krim omvat.
UNCITRAL) van toepassing. Drie arbiters werden benoemd, zonder bemoeienis van de Russische Federatie. Het Permanent Hof van Arbitrage (hierna:
PHA)administreert de arbitrageprocedure. Den Haag is aangewezen als plaats van arbitrage.
non-disputing party submissioningediend. Daarin is haar standpunt over de toepasselijkheid van de BIT 1998 uiteengezet.
decision on jurisdiction, hierna: het
arbitrale tussenvonnis). Het dictum van deze uitspraak luidt:
decision on the merits, hierna het
arbitrale eindvonnis). De uitkomst was dat de Russische Federatie door de onteigening van Everest c.s. art. 5 van Pro de BIT 1998 heeft geschonden. Ik citeer het dictum, voor zover hier van belang:
het hof) het arbitrale tussenvonnis en het arbitrale eindvonnis vernietigt. De gronden die daartoe zijn aangevoerd zijn dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, dat het scheidsgerecht zijn opdracht heeft geschonden, dat de vonnissen in strijd zijn met de openbare orde én dat de vonnissen moeten worden herroepen. Het zwaartepunt ligt bij het betoog dat het scheidsgerecht onbevoegd is wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Everest c.s. hebben verweer gevoerd.
het arrest) heeft het hof de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen en daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende geoordeeld:
territorymoet volgens het scheidsgerecht aldus worden uitgelegd dat rechtsmacht en controle over een bepaald grondgebied volstaat. Het scheidsgerecht heeft zich voor de toepassing van art. 1 lid 4 BIT Pro 1998 enkel gebaseerd op de feitelijke stand van zaken op de Krim (rov. 5.3.5).
de factocontrole over de Krim heeft. De Krim valt onder de
territoryvan de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998, omdat (i) de tekst van dit artikel niet spreekt van
sovereign territory; (ii) er geen regel is dat met
territoryaltijd wordt bedoeld
sovereign territory; en (iii) een uitleg conform art. 31 WVV Pro tot deze conclusie leidt (rov. 5.4.4 en 5.4.6).
investmentsals bedoeld in art. 1 lid 1 BIT Pro 1998, ook al zijn de investeringen aanvankelijk in Oekraïne gedaan. Uit de letterlijke bewoordingen van de bepaling volgt niet dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen. Een uitleg conform art. 31 WVV Pro leidt tot de slotsom dat het voldoende is dat de investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden (rov. 5.6.7).
investorszijn als bedoeld in de BIT 1998 gaat dus niet op (rov. 5.7.4).
investmentmoet zijn gedaan
in accordance with its legislation, dat wil zeggen de wetgeving van de gaststaat. Als een investering illegaal is, is er geen sprake is van een investering, zodat het scheidsgerecht niet bevoegd is. Het moet dan gaan om onwettigheid die het doen van de investering zelf aantast. Waar het hier gaat om onroerend goed, mag dat niet op illegale wijze zijn verkregen (rov. 5.8.2).
tussenarrest) vastgesteld dat er nauwe banden (hebben) bestaan tussen Everest c.s. en [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) en ook tussen Everest c.s. en PrivatBank. Dat is, ook in combinatie met de beschuldigingen ten aanzien van de PrivatBank en de Privat Group van corruptie, fraude en geweld, onvoldoende om aan te nemen dat de vastgoedobjecten van Everest c.s. onrechtmatig zijn verkregen. Deze beschuldigingen zijn te algemeen en de relatie met de vastgoedobjecten is onvoldoende concreet (rov. 5.8.6).
3.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1behelst klachten over de door het hof gegeven uitleg van het begrip
territory.
Onderdeel 2betreft het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
Onderdeel 3bevat het betoog dat het hof zich heeft laten leiden door een kennelijke voorkeur/voorrang voor de standpunten van Everest c.s.
Onderdeel 4gaat over het door het hof gehanteerde uitgangspunt dat Everest c.s. naar Oekraïens recht eigenaars waren van de vastgoedobjecten en dat zijn gebleven ná incorporatie van de Krim. Verder wordt de bewijslastverdeling bestreden en wordt betoogd dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de onderbouwing van standpunten.
Onderdeel 5heeft als onderwerp het passeren door het hof van het bewijsaanbod.
Onderdeel 6gaat, net als een deel van onderdeel 4, over het uitgangspunt van het hof betreffende het eigenaarschap van Everest c.s. van de vastgoedobjecten.
Onderdeel 7richt zich tegen het oordeel van het hof dat de banden tussen Everest c.s. en PrivatBank onvoldoende grond opleveren om aan te nemen dat de vastgoedobjecten onrechtmatig zijn verkregen.
Onderdeel 8bevat klachten tegen de per vastgoedobject gegeven oordelen van het hof, waarbij het hof de stellingen van de Russische Federatie telkens als onvoldoende onderbouwd heeft bestempeld.
Onderdeel 9richt zich op het oordeel over de rol van de PrivatBank bij de investeringen van Everest c.s.
Onderdeel 11bestaat uit klachten tegen het oordeel over de timing van het instellen van de herroepingsvordering.
Onderdelen 10, 12 en 13bevatten voortbouwklachten.
geenakte met de datum 19 februari 2021. Het ligt daarom voor de hand dat bedoeld is de akte van 24 februari 2021. [12]
Bilateral Investment Treaty,hierna:
BIT) is een overeenkomst tussen twee landen die inhoudt dat – over en weer – bescherming wordt geboden aan investeerders uit het ene land die investeren in het andere land. Deze verdragen zijn gesloten ter bevordering van grensoverschrijdende investeringen.
investment) als aan het begrip investeerder (
investor).
territory). Waar het normaal gesproken een investeerder is die zich verplaatst naar het andere land om op het grondgebied daarvan een investering te doen, is het hier de grens tussen de beide staten die is verplaatst waardoor investeringen die op het grondgebied van de eigen staat zijn gedaan, zich zijn gaan bevinden op het grondgebied van de andere staat en daarmee investeringen in die staat zijn geworden.
in accordance with its legislation’. Dit vereiste wordt aangeduid als het ‘legaliteitsvereiste’. Als een investering op het grondgebied van de ene staat is gedaan maar zich vervolgens is komen te bevinden op het grondgebied van de andere staat, ziet de term ‘
its legislation’ dan op de wetgeving van de oorspronkelijke staat? Die vraag lijkt hier door beide partijen bevestigend te worden beantwoord. Toetsdatum is het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de Russische rechtssfeer, hier vastgesteld op 21 maart 2014. Als is aangetoond dat bepaalde investeringen niet voldoen aan de legaliteitseis is het scheidsgerecht ten aanzien van die investeringen niet bevoegd. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of het scheidsgerecht bevoegd is, afhangt van de uitleg van de BIT.
investor, investmentsen
territorymoeten worden uitgelegd aan de hand van de internationaalrechtelijke uitlegregels van het WVV. Art. 31 WVV Pro noemt in dat verband de volgende elementen: tekst, context en ‘
object and purpose’, die tezamen ‘
in good faith’ moeten worden toegepast.
rov. 5.4.19 en 5.4.20. Deze overwegingen luiden als volgt (onderstreping hier en hierna steeds toegevoegd):
Gezien het voorgaandeis er op basis van een uitleg te goeder trouw van artikel 1 lid 4 van Pro de BIT 1998 overeenkomstig de gewone betekenis, in zijn context en in het licht van doel en voorwerp van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als gedefinieerd in dit artikel.
Het hof tekent daarbij nog aan dat hetbij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 31 WVV Pro, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking,
niet erop aankomt datde verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien.
Het komt erop aanna te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan. De bedoeling van partijen was om investeringen van de onderdanen van een verdragspartij te beschermen tegen onder meer onteigeningen door de andere verdragspartij. Daarbij past dat tot het grondgebied van een verdragsstaat wordt gerekend, elk gebied waarover een verdragspartij rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, die haar de mogelijkheid geven om investeringen van onderdanen van de andere verdragspartij te onteigenen.
territoryen dat dit dus geen grond voor vernietiging van het arbitrale (tussen)vonnis oplevert. […]”
territoryvan de Russische Federatie (na in rov. 5.4.4 overwogen te hebben dat partijen het er over eens zijn dat de Russische Federatie
de factocontrole heeft over de Krim). Al deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Slechts ten overvloede heeft het hof vanaf de tweede zin van rov. 5.4.19 het oordeel gegeven dat met het middel wordt aangevallen. Een aanwijzing daartoe geven de woorden: “
Het hof tekent daarbij nog aan dat”. Gelet hierop ontbreekt belang bij het slagen van de klacht tegen rov. 5.4.19.
territoryis immers ook gebaseerd op ‘het voorgaande’, en dus op hetgeen is overwogen in rov. 5.4.4 - 5.4.18.
rov. 5.4.10. [17] Deze overweging luidt:
territoryin het internationale verdragenrecht altijd de betekenis heeft van
sovereign territory, ongeacht voorwerp en doel van het verdrag. Noch uit de juridische literatuur waarnaar de Russische Federatie verwijst, noch uit internationaalrechtelijke rechtspraak valt zo’n categorische conclusie te trekken. Het feit dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van een staat, sluit immers niet uit dat verdragen
ookwerking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat rechtsmacht en langdurig effectieve controle uitoefent, zoals in het onderhavige geval.”
territory(in beginsel) verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Anderzijds sluit dit volgens het hof niet uit dat verdragen ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zodat het begrip
territorytevens verwijst naar de Krim. Deze benadering is praktisch onhanteerbaar omdat zij leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’.
territoryniet altijd de betekenis heeft van
sovereign territory. Dit licht het hof toe door te overwegen dat een verdrag over het algemeen gelding heeft op het gehele soevereine grondgebied van een staat, maar
daarnaast(‘
ook’) gelding kan hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Anders dan het middel betoogt, is deze benadering wel degelijk praktisch hanteerbaar (en zeker niet onbegrijpelijk). Omdat de Russische Federatie langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent op de Krim, kan immers alleen de Russische Federatie verplichtingen uit hoofde van de BIT 1998 hebben op de Krim, zoals in geval van onteigening door middel van overheidsbevoegdheden die sinds maart 2014 alleen de Russische Federatie op de Krim kan uitoefenen (zie rov. 5.4.16).
Belbek c.s.). Deze motiveringsklacht luidt als volgt: “
Een begrijpelijke motivering tegen dit door de Russische Federatie in de procedure uitdrukkelijk aangevoerde argument ontbreekt in ’s Hofs Arrest, aangezien het hof op dit stuk slechts eenníétdoor de Russische Federatie aangevoerd argument ‘weerlegt’, namelijk dat de onbetwiste Russische macht over de Krim, de feitelijke macht van Oekraïne daar uitsluit.” Ik meen dat het oordeel van het hof wel degelijk de Russische argumenten op dit punt voldoende adresseert en dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is in het licht van de daarbij ingenomen standpunten.
rov. 5.3.4-5.3.6. Deze overwegingen luiden:
territoryin artikel 1 lid 4 BIT Pro 1998. Volgens de Russische Federatie moet dit begrip worden uitgelegd als
sovereign territory, terwijl één van de (noodzakelijke) elementen van het begrip
sovereign territoryis, dat de soevereiniteit van een staat over een bepaald grondgebied internationaal wordt erkend. Als deze uitleg juist is, zou het scheidsgerecht met zijn oordeel dat de Krim kan worden gezien als
territoryvan de Russische Federatie in de zin van artikel 1 lid 4 van Pro de BIT 1998, inderdaad (impliciet) een oordeel hebben gegeven over de soevereiniteitskwestie.
Het scheidsgerecht is in het arbitrale tussenvonnis echter uitgegaan van een betekenis vanterritorywaarvoor rechtsmacht en controle over een bepaald grondgebied volstaat(§ 149 van het arbitrale tussenvonnis). Uitgaande van deze betekenis heeft het scheidsgerecht tot uitgangspunt genomen dat de investeringen van Everest c.s. zich na de incorporatie van de Krim bevinden op het grondgebied van de Russische Federatie en heeft het zich de vraag gesteld of de definitie van investment vereist dat een investering oorspronkelijk heeft plaatsgevonden op de
territoryvan de andere verdragspartij (§150 van het arbitrale tussenvonnis).
Het scheidsgerecht hoefde, gegeven deze uitleg van het begrip territory, geen oordeel te geven over het soevereiniteitsgeschil tussen de Russische Federatie en Oekraïne en heeft dat ook niet gedaan. Het heeft zich enkel gebaseerd op de feitelijke stand van zaken op de Krim. Of deze uitleg van het begrip territory juist is, komt hierna aan de orde. Waar het hier om gaat is dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de soevereine status van de Krim.
territory'een louter feitelijke invulling te geven. Een dergelijk exclusief 'feitelijke invulling' staat haaks op de alternatieve 'soevereine invulling' die het hof uitdrukkelijk - zelfs als algemene basis van het begrip ‘
territory’, buiten en binnen de BIT - in zijn eigen overwegingen heeft erkend.
nietheeft gedaan. Anders dan de Russische Federatie betoogt, hoefde het hof in deze context niet zelf de voorvraag te beantwoorden die in dit onderdeel wordt geformuleerd.
tegen rov. 5.10.1, dat als volgt luidt:
5.10 Conclusie ten aanzien van de bevoegdheid van het scheidsgerecht
IVBPR) meebrengt dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv door de rechter niet terughoudend wordt getoetst. [18] Uit voormelde artikelen uit de Grondwet en internationale verdragen volgt ook een algemene onafhankelijkheidswaarborg van de rechter. De burger moet erop kunnen vertrouwen dat een volstrekt neutrale overheidsinstantie zonder onderscheid des persoons rechtsgeschillen beslist. [19] Dit geldt uiteraard ook voor de partijen in de onderhavige zaak.
Beziet men […] de lange reeks overwegingen die het hof heeft gewijd aan zijn verwerping van de door de Russische Federatie […] gevoerde betwisting van de bevoegdheid van de scheidsgerechten […].” Dat maakt de klacht echter onvoldoende bepaald en precies (art. 407 lid 2 Rv Pro), omdat bij beantwoording van de vraag welke beslissing wordt aangevallen, het aankomt op hetgeen Everest c.s. redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. [21]
hoeveelzou moeten worden gesteld in het kader van een betwisting. De achtergrond van de klacht lijkt namelijk te zijn dat het hof te streng is geweest bij de beoordeling of de Russische Federatie de gestelde bevoegdheid van het scheidsgerecht voldoende heeft betwist. Voor een aantal van de hierna te bespreken onderdelen van het cassatiemiddel is dit onderwerp (ook) van belang.
voldoendewordt gesteld, komt bewijslevering niet aan de orde. [23] Wat en hoeveel precies moet worden gesteld, hangt af van de concrete zaak. In ieder geval moet het voldoende zijn om het rechtsgevolg te doen intreden. Tot het stellen van noodzakelijke elementen kan een partij zich echter niet beperken. Stellingen vragen om een concretisering en (dus) om voldoende motivering. [24] Deze motiveringsplicht die partijen hebben ten aanzien van wat zij uit hoofde van hun stelplicht hebben gesteld, valt met die stelplicht samen. [25] Over het algemeen geldt dat hoe concreter bepaalde stellingen worden betwist, hoe concreter de steller ze dient uit te werken. [26]
voldoendezijn betwist. In zo’n geval wordt niet aan bewijslevering toegekomen. [28] In zijn algemeenheid geldt dat hoe concreter en gedetailleerder de stellingen van de wederpartij zijn, hoe meer eisen kunnen worden gesteld aan de weerlegging. [29] De rechter moet zich wel altijd afvragen of van een partij kan worden gevergd dat een betwisting nader wordt onderbouwd. [30] Soms is dat redelijkerwijs niet mogelijk. In het verlengde daarvan geldt dat betwisten
nietbetekent bewijzen. Asser merkt hierover het volgende op: [31]
rov. 5.8.4. Deze en de daaraan voorafgaande overwegingen luiden als volgt:
5.8 Everest c.s. hebben illegaal gehandeld bij het doen van hun investeringen
investmentsin de zin van artikel 1 lid 1 BIT Pro 1998, en dat Everest c.s. kwalificeren als
investorin de zin van artikel 1 lid 2 BIT Pro 1998, behalve met de reeds besproken stellingen ook met de stelling dat Everest c.s. hun investeringen hebben verkregen met behulp van fraude, corruptie en geweld. Volgens de Russische Federatie is het scheidsgerecht ook om die reden onbevoegd, aangezien het verdrag alleen legale investeringen verkregen door legaal handelende investeerders beschermt en Everest c.s. dus geen beroep kunnen doen op de BIT 1998 ten aanzien van hun investeringen. Het scheidsgerecht heeft zich over dit standpunt niet uitgelaten omdat het door de Russische Federatie niet in de arbitrage is aangevoerd. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de Russische Federatie echter het recht om in deze procedure alsnog onbevoegdheidsgronden aan te voeren.
in accordance with its legislation, dat wil zeggen de wetgeving van de gaststaat. Als de investering illegaal is, is er geen sprake van een investering, zodat het scheidsgerecht niet bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. Om de bescherming van de BIT 1998 te verliezen, moet het dan wel gaan om onwettigheid die het doen van de investering zelf aantast en niet alleen om illegaal handelen bij de uitvoering van de investering (vgl. hof Den Haag, 18 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234
HVY v Russische Federatie, rov. 5.1.11.2.). Dat betekent voor het onderhavige geval, waarin het gaat om onroerend goed, dat de rechten daarop niet op illegale wijze mogen zijn verkregen. De Russische Federatie betwist nu dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van het verdrag is voldaan omdat Everest c.s. hun eigendomsrechten door corruptie, fraude en geweld hebben verkregen.
Het is aan de Russische Federatie om die betwisting met voldoende concrete feiten te staven.
Het hof hanteert daarbij als uitgangspunt dat Everest c.s. naar Oekraïens recht eigenaars waren van de vastgoedobjecten, en dat zij dat zijn gebleven na de incorporatie van de Krim (vgl. 5.7.1 hiervoor). Dat is door het scheidsgerecht vastgesteld aan de hand van,
onder meer, het rapport van [notaris] .”
onderdeel 4, procesinleiding p. 9/10) heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat het als uitgangspunt hanteert dat Everest c.s. naar Oekraïens recht eigenaars waren van de vastgoedobjecten en dat zij dat zijn gebleven na de incorporatie van de Krim. Het hof had zelfstandig onderzoek moeten doen naar de bevoegdheid van het scheidsgerecht en mocht niet de door het scheidsgerecht zelf ter zake gegeven beslissingen als uitgangspunt nemen. Verder heeft het hof ook miskend dat niet terughoudend moet worden getoetst bij de beoordeling van een vordering op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv (ontbreken geldige arbitrageovereenkomst).
zijn verkregen(zie rov. 5.8.2). Het standpunt dat de Russische Federatie met betrekking tot de vastgoedobjecten inneemt is dat sprake is van illegaal handelen bij de verkrijging van rechten (rov. 5.8.2 - 5.8.3). Alvorens dát te onderzoeken, gaat het hof ervan uit dat Everest c.s. ook na incorporatie van de Krim eigenaars zijn van de vastgoedobjecten (rov. 5.8.4). Volgens het hof zou het scheidsgerecht dit hebben vastgesteld.
waarhet scheidsgerecht dit heeft overwogen. In hun schriftelijke toelichting onder 46 wijzen Everest c.s. op punt 140 van het arbitrale tussenvonnis dat als volgt luidt (citaat zonder voetnoten):
In this respect, the Tribunal notes that [notaris] reviewed Claimants’ titles to land and lease contracts for conformity with Ukrainian legislation. The Tribunal also notes that under Ukrainian legislation notaries have the duty to verify the legality of real estate transactions and the existence of legal titles prior to registration of property titles by the State. The [notaris] Report shows that [notaris] reviewed the documents for each property that is the subject of this arbitration and concluded that the titles and lease rights were valid.
als waar aangenomen(veronderstellenderwijs) en is per definitie geen zelfstandig onderzoek nodig. Een dergelijke lezing lijkt mij echter niet aannemelijk. In rov. 5.8.43 bijvoorbeeld overweegt het hof dat uit de Russische argumentatie ten aanzien van een bepaald vastgoedobject niet volgt dat de constatering in het [notaris] rapport dat Everest c.s. rechtmatig eigenaar zijn van een bepaald vastgoedobject, onjuist is. [32] Dit herhaalt het hof in de voor alle besproken vastgoedobjecten geldende slotsom van rov. 5.8.45: “
[…] dat de Russische Federatie onvoldoende heeft aangevoerd, tegenover de conclusies van het scheidsgerecht op basis van het [notaris] rapport en de stellingen van Everest c.s. […].” Het hof geeft dus in rov. 5.8.4 een werkelijk (en niet een hypothetisch) oordeel over de vraag of Everest c.s. rechten hebben verkregen op de vastgoedobjecten.
onderdeel 6voert de Russische Federatie motiveringsklachten aan tegen rov. 5.8.4. Zij stelt dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd en onbegrijpelijk is. Het hof neemt de eigendom van Everest c.s. tot uitgangspunt zonder ook maar met één woord in te gaan op de stellingen en bewijsstukken van de kant van de Russische Federatie.
kaninhouden. [34] Hierbij maakt het EHRM wel de volgende kanttekening: [35]
[…] the Court would emphasise that the notion of a fair procedure requires that a national court which has given sparse reasons for its decisions, whether by incorporating the reasons of a lower court or otherwise, did in fact address the essential issues which were submitted to its jurisdiction and did not merely endorse without further ado the findings reached by a lower court. […]”
slaagtde klacht. Het hof had op zijn minst moeten ingaan op de hiervoor vermelde onderbouwde stellingen van de Russische Federatie om tot een voldoende gemotiveerd oordeel te komen. Het betreft hier stellingen die bij gegrondbevinding tot een ander oordeel
kunnenleiden. Het enkel verwijzen naar een oordeel van het scheidsgerecht voldoet in die omstandigheden niet. Dit geldt temeer omdat de Russische Federatie bij het scheidsgerecht geen principaal verweer heeft gevoerd en deze stellingen dus niet door het scheidsgerecht zijn behandeld.
subonderdeel 4.1.a.is ook gericht tegen
rov. 5.8.4die ik in 3.39 heb geciteerd.
subonderdeel 4.1.b.klaagt de Russische Federatie dat door de onjuiste bewijslastverdeling ook de oordelen over de legaliteit van de verkrijging van de verschillende vastgoedobjecten onjuist zijn. [40] Deze klacht faalt, omdat deze voortbouwt op het vorige subonderdeel ten aanzien waarvan ik concludeerde dat het niet tot cassatie kan leiden.
waaromde bestreden overwegingen ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk zouden zijn. Het enkele standpunt dat er veel is aangevoerd in combinatie met een verwijzing naar een (groot) aantal stellingen in een voetnoot, is onvoldoende precies en bepaald. Ter illustratie: in de procesinleiding wordt in voetnoten 26 en 30 door een verwijzing naar voetnoot 5 (indirect) verwezen naar tal van vindplaatsen. Voetnoot 5 luidt:
de wederpartij van de partij met de bewijslasteen informatieplicht op te leggen en dus aanknopingspunten te verschaffen voor bewijslevering. [42]
5.14 Bewijsaanbod
8.2 Bewijsaanbod
De reputatie van [betrokkene 3] c.s. weerhoudt vooralsnog de meeste geraadpleegde, potentiële getuigen ervan tegen hen te getuigen. Sommige potentiële getuigen zijn bedreigd in het verleden. Als gevolg hiervan is de Russische Federatie in dit stadium niet in staat om verdere details te verstrekken over de getuigenverklaringen die zij wenst aan te bieden.”
8.3. Bewijsaanbod
Bewijsaanbod
OZ/ […]uit 2004 [47] , waaruit ik het volgende citeer:
voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.”
Cofelyuit 2011: [50]
tegenbewijs leveren door middel van getuigen. Dit is bewijs dat wordt geleverd door de partij die in principe géén bewijsrisico draagt. [52] Elk bewijs kan door tegenbewijs worden verzwakt en ontzenuwd, tenzij de wet dit uitsluit (vgl. art. 151 lid 2 Rv Pro). [53] Een bewijsaanbod terzake van tegenbewijs behoeft in beginsel niet te worden gespecificeerd. [54] Voor de toepassing van deze regel is nodig dat sprake is van tegenbewijs en bijvoorbeeld niet van bewijs van een feit waarvoor een partij bewijslast (bewijsrisico) draagt op grond van art. 150 Rv Pro. [55]
eerste klachtluidt dat dit oordeel ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd is gegeven, omdat het hof zich heeft gebaseerd op de in hoger beroep aan een bewijsaanbod te stellen eisen, terwijl het hof hier oordeelde als eerste en enige feitenrechter.
tweede klachtluidt dat het oordeel onjuist is, omdat het de juiste bewijslastverdeling miskent. De bewijslast voor de geldigheid van de arbitrageovereenkomst rustte op Everest c.s.. Daarom hoefde de Russische Federatie slechts tegenbewijs te leveren met betrekking tot de geldigheid van de arbitrageovereenkomst.
derde klachthoudt in dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat de Russische Federatie (voor zover nodig) wel degelijk een specifiek bewijsaanbod heeft gedaan.
tweede en derde klachtslagen. De bewijslast met betrekking tot de geldigheid van de arbitrageovereenkomst heeft het hof gelet op rov. 5.8.2 - onbestreden in cassatie - bij Everest c.s. gelegd. Daar overweegt het hof immers: “
[…] De Russische Federatie betwist nu dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van het verdrag is voldaan omdat Everest c.s. hun eigendomsrechten door corruptie, fraude en geweld hebben verkregen. Het is aan de Russische Federatie om die betwisting met voldoende concrete feiten te staven.” Dit lijkt mij overigens ook de correcte bewijslastverdeling gelet op langjarige rechtspraak van de Hoge Raad. [56] In dit licht is het onjuist om het bewijsaanbod van de Russische Federatie af te wijzen omdat dit onvoldoende gespecificeerd zou zijn. De Russische Federatie kan immers hooguit worden bevolen tegenbewijs te leveren, waarvoor de specificatie-eis in beginsel niet geldt. Zelfs als toch een nadere specificatie-eis zou gelden, dan heeft de Russische Federatie daaraan mijns inziens ruimschoots voldaan met het bewijsaanbod in de Akte overlegging nadere producties van 24 februari 2021 (zie 3.65).
eerste klachtfaalt, primair omdat daar geen belang bij bestaat gelet op het slagen van de tweede en derde klacht. Ik ga op de klacht toch inhoudelijk in omdat het belang van de klacht deze zaak overstijgt. Ik zie de klacht niet opgaan. In een procedure waarin de wetgever slechts één feitelijke instantie heeft voorzien (dus ook als bijvoorbeeld geen appel open staat), zijn de door de Hoge Raad in
OZ/ […]voor hoger beroep nader geformuleerde criteria naar mijn mening ook van toepassing op een in die procedure gedaan bewijsaanbod. Net als in hoger beroep wordt in zo’n geval - vergeleken met een procedure met twee feitelijke instanties - per definitie in een laat stadium van de procedure een bewijsaanbod gedaan, zeker als dat (nader) wordt gespecificeerd in latere processtukken dan de dagvaarding respectievelijk de conclusie van antwoord. [57] Per 1 januari 2015 geldt ingevolge art. 1064a lid 1 Rv dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis in eerste en enige feitelijke instantie wordt beoordeeld door een gerechtshof. De ratio daarvoor was een lastenvermindering voor partijen omdat met één feitelijke instantie tijd en geld werd bespaard. [58] Dit strookt met (zoals in hoger beroep) een strengere specificatie-eis, omdat dit voorkómt dat de procedure onnodig lang duurt en kostbaarder wordt door het onnodig bevelen van een getuigenverhoor.
voor zover mogelijk(zie het citaat uit
OZ/ […]in 3.69). Wat is het alternatief als getuigen vanwege een (gevoelde) bedreiging met geweld niet bij naam willen worden genoemd in een bewijsaanbod? De lat moet in een geval als deze niet zó hoog worden gelegd dat de bedreiging van een getuige meer dan aannemelijk moet worden gemaakt, al was het maar omdat daarmee het risico ontstaat dat herleidbaar wordt wie die getuige is. Anders dan het hof kennelijk meent, weegt een dergelijke omstandigheid (indien geloofwaardig) wel degelijk zwaar mee bij de vraag of en in hoeverre een bewijsaanbod moet worden gespecificeerd door het noemen van namen. Ik wijs ter vergelijking op het slot van het citaat in 3.70 van het arrest
Cofely, waaruit blijkt dat het zijn van collega’s en de daaruit volgende terughoudendheid om te verklaren, al aanleiding kan zijn om andere eisen te stellen aan de specificatie van een bewijsaanbod.
rov. 5.8.4(reeds geciteerd) en daarnaast
rov. 5.8.6 [59] die als volgt luidt:
Daarvoor zijn deze beschuldigingen te algemeen en is de relatie met de onteigende vastgoedobjecten onvoldoende concreet. Het hof zal afzonderlijk ingaan op de stelling van de Russische Federatie dat vastgoedobjecten waarvan de aanschaf is gefinancierd door PrivatBank, geacht moeten worden onrechtmatig te zijn verkregen.”
het doen van de investering zelf aantasten niet (alleen) om illegaal handelen bij het uitvoeren van de investering. Dat betekent voor de vastgoedobjecten in deze zaak dat de rechten daarop niet op illegale wijze mogen zijn verkregen.
Lazurny Bereg Resort
rov. 5.8.7 t/m 5.8.9. Het hof overweegt daar als volgt:
De registratie van het eigendomsrecht zou zijn geschied op basis van een arbitraal schijnvonnis.Een en ander is gemotiveerd betwist door Everest c.s.
Het arbitrale schijnvonnis is niet overgelegd, net zomin als bewijzen dat het hier om een schijnvonnis gaat. Het document waar de Russische Federatie naar verwijst, bevat slechts een algemene beschrijving van de praktijk van arbitrale schijnvonnissen en geen bewijs dat deze praktijk door Dayris is gevolgd bij de verkrijging van het resort. Hetgeen de Russische Federatie heeft aangevoerd, levert onvoldoende grond om de vaststelling van het scheidsgerecht dat het hier gaat om eeninvestmentvan eeninvestorin twijfel te trekken”
slaagt. Anders dan het hof overweegt, is het arbitrale vonnis wél overgelegd. Dit staat ook duidelijk in de dagvaarding nr. 418-419:
RFL-74, handelsrechtbank van de Krimrepubliek, Case No. 02-11/182-2005, Decision, 11 november 2005, ter erkenning van de geldigheid van de koopovereenkomst en erkenning van het recht van eigendom, 11 november 2005, opgenomen in
RF-80, het deskundigenrapport van [notaris] .
RFL-74, handelsrechtbank van de Krimrepubliek, Case No. 02-11/182-2005, Decision, 11 november 2005.
RF-83, Koopovereenkomst No. 2969, 9 november 2005, opgenomen in
RF-80, het deskundigenrapport [notaris] .
RFL-69, Samenvatting van de rechtspraktijk voor de toepassing van de Oekraïense wet “
On Arbitration Courts”, Hooggerechtshof Oekraïne, 11 februari 2009, Bulletin of the Supreme Court of Ukraine, 10/2009, p. 6.”
Tavria-resort
subonderdeel 8.2zijn gericht tegen
rov. 5.8.10-5.8.13. Deze overwegingen luiden:
cottageen een stuk grond die deel uitmaakten van liet resort.
tegenover de nadere toelichting van Everest c.s. onvoldoende concreet en onderbouwd zijn om te concluderen dat Diline niet de rechtmatige eigenaar was. Er lagen vier jaren tussen de aankoop door PrivatBank en de doorverkoop aan Diline. Everest c.s. hebben uitgelegd dat het vonnis betrekking had op een geschil over de notariskosten. Waarom dat een schijnvonnis zou zijn, is gelet op deze toelichting niet duidelijk. Ook in het geval van dit project zijn de stellingen van de Russische Federatie onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat niet aan de definities van
investmenten
investoris voldaan.”
slaagt.
Ten eersteheeft het hof miskend dat het hier gaat om een betwisting door de Russische Federatie van de bevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat deze specifieke investering illegaal is. Anders dan het hof overweegt, is daarvoor in beginsel niet nodig dat het op basis van de stellingen van de Russische Federatie tot de conclusie kan komen dat Diline op het relevante moment niet de rechtmatige eigenaar was. Zonder nadere toelichting ligt de lat voor de betwisting daarmee te hoog, omdat betwisten van de legaliteit van een investering niet hetzelfde is als het aantonen dat de investering illegaal is.
naderetoelichting van Everest c.s. onvoldoende concreet en onderbouwd heeft verweerd. Kennelijk doelt het hof daarbij op de twee stellingen van Everest c.s. die vervolgens worden vermeld: (i) er lagen vier jaren tussen de aankoop door PrivatBank en de doorverkoop aan Diline, en (ii) Everest c.s. hebben uitgelegd dat het vonnis van de Economische rechtbank van Dnipropetrovska Oblast in de zaak tussen Diline en Privatbank dat is openbaar gemaakt op 24 februari 2009 betrekking heeft op een geschil over de notariskosten. Volgens Everest c.s. ging het daarom om een ‘echt’ geschil. Waarom sprake zou zijn van een schijnvonnis, zoals de Russische Federatie heeft betoogd, is volgens het hof gelet op
dezenadere toelichting niet duidelijk.
Novaya Yaila Natuurreservaat
subonderdeel 8.3richt de Russische Federatie haar pijlen op
rov. 5.8.14 t/m 5.8.17. Deze overwegingen luiden als volgt:
van UBK-Investbij deze investering of zijn speculatief [63] , zodat het hof ook deze bewijsstukken (en het daaraan gekoppelde bewijsaanbod) op niet onbegrijpelijke wijze terzijde heeft geschoven.
Energetic Sanatorium
rov. 5.8.18-5.8.21. Deze overwegingen luiden als volgt:
Met betrekking tot de privatisering van het sanatorium zelf verwijst zij alleen naar een artikel in de pers waarin wordt geklaagd dat de privatisering heeft plaatsgevonden zonder dat de werknemers daarbij zijn betrokken.Verder stelt zij dat Sanatorium Energetic bij andere onrechtmatige privatiseringen in Oekraïne betrokken is geweest. Uit een en ander volgt niet dat de overdracht van de vastgoedobjecten aan Sanatorium Energetic onrechtmatig was.
van het sanatorium zelfalleen naar een artikel in de pers is verwezen. Daarmee ecarteert het hof alle bewijsstukken die niet direct zien op het sanatorium. Dat is alles behalve het door het hof vermelde persbericht (RF-179) en ook - zo constateert de Russische Federatie terecht - de getuigenverklaring die is overgelegd (RF-232). Daarin staat:
essentiëlestelling zou zijn, in die zin dat die stelling tot een ander oordeel kan leiden. Daartoe is zij in beginsel wel gehouden. [64] Dat kan anders zijn als direct duidelijk is waar het essentiële karakter in gelegen is, maar dat is het (voor mij) in dit geval niet. Het betreft een speculatieve mededeling dat het sanatorium ook wel eens op illegale wijze zou kunnen zijn verkregen omdat ‘ [betrokkene 3] and Co.’ nu eenmaal de reputatie hadden door omkoping, bedreigingen en geweld stukken land te verwerven. De mate waarin de rechter in moet gaan op door de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen en argumenten hangt af van onder meer het belang van de stelling. [65]
Niva hotel
Subonderdeel 8.5bevat klachten tegen
rov. 5.8.22-5.8.25. Het hof overweegt daar als volgt:
Volgens het rapport van [notaris] is Niva-Tour de rechtmatige eigenaar van het hotel. Het hof gaat daarvan uit aangezien de Russische Federatie haar stelling dat het hotel aan Niva-Tour is overgedragen door een partij die daartoe niet bevoegd was, niet of althans onvoldoende heeft onderbouwd.”
Het Niva hotel is een ander object. De Yalta City Council zou een staatsorgaan zijn maar iedereen weet dat een gemeentelijk ambtenaar geen onroerend goed mag verkopen. Er zijn heldere regels voor privatisering die hier niet zijn nageleefd. […].”
Solnechny Bereg Sanatorium
subonderdeel 8.6richten zich op
rov. 5.8.26-5.8.33die, voor zover hier van belang, als volgt luiden:
De stellingen van de Russische Federatie ten aanzien van corruptie van de betrokken rechters zijn algemeen van aard en hebben geen betrekking op de beslissingen van de burgerlijke rechter in dit concrete geval. Het hof gaat aan die stellingen voorbij.
De stelling van de Russische Federatie dat Fortuna in gebreke is met de voltooiing van het sanatorium is onvoldoende onderbouwd.Tussen partijen is niet in geschil dat het tijdstip van de voltooiing is verlengd. Dat die beslissing als gevolg van corruptie tot stand is gekomen heeft de Russische Federatie op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat ook als de investering van Fortuna waardeloos zou zijn omdat de grond op ieder moment kan worden gerevindiceerd, dat nog niet betekent dat de investering illegaal is verkregen.
De stelling van de Russische Federatie heeft betrekking op gesteld(e) handelingen (of nalaten) van Fortuna nadat de investering is verricht. Voor de vraag of de investering als zodanig illegaal is zijn die handelingen (of dat nalaten) niet van belang.”
eerste klachthoudt in dat het oordeel in rov. 5.8.30 onbegrijpelijk is. De BIT 1998 vereist dat een investering moet zijn gedaan in overeenstemming met de wet van de gaststaat. Daarvan was geen sprake omdat de hoogste (administratieve) rechter heeft geoordeeld (RFL-156) dat het besluit van de gemeenteraad om de grond in erfpacht uit te geven strijdig was met art. 85 van Pro de Oekraïense Waterwet op grond waarvan stranden niet vatbaar zijn voor particuliere erfpacht. Niet valt in te zien waarom daaraan iets verandert enkel en alleen omdat deze wetsschending niet zou leiden tot nietigheid van de erfpachtovereenkomst.
slaagt. Naar aanleiding van het betoog van de Russische Federatie had het hof moeten beoordelen of de erfpacht legaal is verkregen in de zin van de BIT 1998 gezien de vaststaande schending van de Oekraïense Waterwet bij de uitgifte van de erfpacht. Dat heeft het hof niet kenbaar gedaan. Het oordeel in rov. 5.8.30 dat er naar burgerlijk recht een geldige overeenkomst bestaat, betekent zonder nadere motivering nog niet dat het gaat om een legale investering in de zin van de BIT 1998.
tweede klachthoudt in dat het hof essentiële stellingen en bewijsstukken niet in zijn oordeel heeft betrokken. Het gaat daarbij om vier getuigenverklaringen. De Russische Federatie licht niet toe waarom deze getuigenverklaringen essentieel zijn. Zonder nadere toelichting zie ik ook niet in waarom zij dat zijn, in die zin dat zij tot een ander oordeel kunnen leiden. [66] De verklaringen zijn summier en naar mijn mening nogal speculatief (RF-225 [67] , RF-227 [68] ). Verder staan in het onderdeel geen kenbare klachten tegen het slot van rov. 5.8.33 waar het hof overweegt dat alle stellingen die betrekking hebben op de voltooiing/ontwikkeling van het sanatorium niet van belang zijn, omdat die zien op handelingen van ná het doen van de investering (de verkrijging van rechten ten aanzien van het onroerend goed). Daarmee staat vast dat het hof (het deel van) de getuigenverklaringen die daarop zien (RF-226, RF-232), buiten beschouwing kon laten.
Aerobud
onderdeel 8.7neemt de Russische Federatie
rov. 5.8.34-5.8.36op de korrel. Deze overwegingen luiden:
Ook ten aanzien van deze projecten ziet het hof dus geen reden om de vaststelling van het scheidsgerecht dat Aerobud de rechtmatige eigenaar is van de projecten in twijfel te trekken.”
essentiëlestellingen zijn. Dat valt voor deze stukken ook niet zonder meer in te zien. De getuigenverklaring ziet op handelingen van ná het doen van de investering, namelijk of Aerobud CJSC als koper van geprivatiseerd land had voldaan aan de daarbij kennelijk overeengekomen voorwaarde dat ‘
reconstruction works’ zouden plaatsvinden. De uitspraken van Oekraïense rechters gaan over beslag dat is gelegd op het onroerend goed van Aerobud in het kader van een onderzoek naar de activiteiten van PrivatBank. Deze uitspraken zijn, voor zover toegelicht in de cassatiestukken (procesinleiding, p. 30 nr. 2 en voetnoot 98), alleen overgelegd bij akte overlegging producties van 24 februari 2021 en in die akte summier samengevat. [69] Dit is een te terloopse opmerking die het hof bij gebrek aan verdere toelichting niet hoefde te betrekken in zijn beoordeling. Daaraan doet niet af dat de Russische Federatie ter pleidooizitting wél een toelichting heeft gegeven. [70] Die passage had in cassatie moeten worden aangewezen. Dit is voor Everest c.s. ook niet kenbaar geweest, getuige hun schriftelijke toelichting nr. 66, waar een punt wordt gemaakt van het opheffen van het beslag. Dat is namelijk een
anderdoor de Russische Federatie aangehaald beslag (conclusie van repliek nr. 379 en voetnoot 555). In mijn ogen faalt daarmee de klacht omdat niet aan de eisen wordt voldaan die – mede met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor – aan een cassatieklacht worden gesteld.
Nautilus Complex
subonderdeel 8.8over
rov. 5.8.37 t/m 5.8.40waarin het hof het volgende heeft overwogen:
De Russische Federatie heeft niet onderbouwd dat sprake is geweest van fraude of corruptie bij de verkrijging van de appartementen. Haar beschuldigingen van fraude en corruptie zijn slechts gestaafd met een verklaring van één gemeenteambtenaar over methoden toegepast door [betrokkene 3] in de Krim.De stellingen van de Russische Federatie met betrekking tot de schending van bouwnormen en milieuregels zijn gemotiveerd weerlegd door Everest c.s. Bovendien maakt de schending van dergelijke regels de investering als zodanig niet illegaal. Of al dan niet rekening is gehouden met privétoegang tot het strand bij de waardering van het complex zegt op zichzelf evenmin iets over de illegale verkrijging daarvan.”
slaagt. De Russische Federatie heeft de beschuldiging dat bij de verkrijging van het Nautilus Complex sprake was van fraude of corruptie niet alleen gestaafd met een verklaring van een gemeenteambtenaar, maar ook met een uitgebreid relaas in voormeld deskundigenrapport over de gang van zaken bij de verkrijging van het onroerend goed (RF-218, nr. 38-60). Het is onbegrijpelijk dat het hof hierop niet is ingegaan en heeft overwogen dat er alleen een verklaring van een gemeenteambtenaar ten grondslag ligt aan het standpunt van de Russische Federatie dat onregelmatigheden hebben plaatsgevonden met betrekking tot de verkrijging van het Nautulus Complex. Ook als het hof mocht hebben gemeend dat het uitvoerige rapport van [deskundige] op dit punt niet zou gaan over fraude of corruptie, dan had het dat tenminste moeten expliciteren.
Admiralteisky Complex
Subonderdeel 8.9klaagt over
rov. 5.8.41 t/m 5.8.43. Deze bestreden overwegingen luiden:
De Russische Federatie heeft niets aangevoerd waaruit kan volgen dat de constatering in het [notaris] rapport dat Krim Development en AMC de rechtmatige eigenaars zijn van de appartementen onjuist is.”
ten eersteom de stelling dat de koopovereenkomst waarmee het kantoorgebouw is verkregen door een rechtsvoorganger van Krim Development en AMC Finansovyy Kapital, gelet op een onherroepelijke uitspraak van het Oekraïens Hooggerechtshof nietig is verklaard (RFL-161).
slaagtwant het oordeel is inderdaad onbegrijpelijk. De Russische Federatie heeft immers wél iets aangevoerd waaruit
kanvolgen dat Krim Development en AMC Finansovyy Kapital niet de rechtmatige eigenaars zijn (conclusie van repliek, nr. 452-454 onder verwijzing naar de uitspraak in RFL-161). [71] Ook Everest c.s. hebben dit gezien en voeren hiertegen verweer in conclusie van dupliek nr. 345 (voetnoten 530-531) en pleitnota, nr. 19. Voor zover het hof met haar oordeel dat het betoog van de Russische Federatie irrelevant is, respondeert op de hiervoor weergegeven stelling over de nietige koopovereenkomst, acht ik dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het betoog over het afbreken van de kantine was immers een
anderpunt dat door de Russische Federatie werd gemaakt (conclusie van repliek, nr. 455-456).
ten tweedeop een getuigenverklaring (RF-228) die volgens haar de stelling ondersteunt dat het complex is gebouwd in strijd met het recht. Deze verklaring ziet echter niet op vermeend illegaal handelen dat het doen van de investering aantast (dus: het verkrijgen van het onroerend goed) maar op handelan na de verwerving. Zij kon daarom (impliciet) worden gepasseerd. [72]
Niet besproken vastgoedobjecten
subonderdeel 8.10verzet de Russische Federatie zich tegen het niet bespreken door het hof van drie vastgoedobjecten ten aanzien waarvan wél stellingen zijn ingenomen over de onrechtmatigheid van de investeringen. [73] Het gaat om het Fiesta appartementencomplex, Broadcasting Company Zhisa en Hotel Crimea. De Russische Federatie wijst op de volgende standpunten uit de pleitnotities van 29 maart 2021 en de daar genoemde bewijsstukken en stellingen (vetgedrukte woorden in origineel): [74]
4.4. Vastgoed is in strijd met de wet aan derden ontnomen
RF-224, Documenten die zien op de verwerving van Hotel Crimea door Dan Panorama.
56.Andere voorbeelden zijn het Fiesta Complex66 en het Nautilus Complex[…]
RF-221, Documenten die zien op de illegale verkrijging van het Fiesta appartementencomplex door Everest c.s.”
Broadcasting Company Zhisa. In werkelijkheid betrof het echter beschermde bosgronden met pijnbomen. De ambtenaar die de gronden ten onrechte aanmerkte als bouwgrond is daarvoor strafrechtelijke veroordeeld en schuldig bevonden.78
slaagtvoor de stellingen met betrekking tot
Fiesta appartementencomplexen
Broadcasting Company Zhisa. Het is niet begrijpelijk dat het hof geen enkel woord wijdt aan de duidelijk verwoorde argumenten met betrekking tot deze investeringen. Het is niet duidelijk of het hof deze stellingen onder ogen heeft gezien. Het betreft weliswaar vrij summiere stellingen in een pleitnota, maar deze stellingen staan in de hoofdtekst aangeduid (met vetgedrukte letters) en zijn onderbouwd met producties (waaronder rechterlijke uitspraken) waarbij een duidelijke toelichting is gegeven.
Hotel Crimeageldt in mijn ogen dat de enkele verwijzing naar een productie (als voorbeeld) in een voetnoot van de pleitnota zó terloops is dat het hof daar geen aandacht aan hoefde te besteden. De toelichting bij de productie waarnaar wordt verwezen is bovendien vaag te noemen.
Voortbouwklacht
subonderdeel 8.11keert de Russische Federatie zich tegen
rov. 5.12.2waarin het hof in het kader van het inroepen van de vernietigingsgrond van art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv (strijd met de openbare orde) terugverwijst naar rov. 5.8 om argumenten te weerleggen die gevoerd zijn. Gelet op de slagende klachten in
subonderdelen 8.1, 8.2, 8.6, 8.8, 8.9 en 8.10,
slaagtook deze voortbouwklacht, voor zover het hof terugverwijst naar rov. 5.8 om - met de onderbouwing dat onvoldoende zou zijn gesteld - het argument te weerleggen dat de investeringen van Everest c.s. zijn verkregen met behulp van corruptie, fraude en geweld. Voor de duidelijkheid merk ik op dat het hof dus niet is toegekomen aan de vraag of het gestelde handelen strijd met de openbare orde oplevert, omdat het met verwijzing naar rov. 5.8 oordeelt dat onvoldoende is gesteld over dat handelen. Daarmee zegt het hof dus niets, ook niet impliciet, over de vraag of het gestelde handelen strijd met de openbare orde oplevert.
rov. 5.8.44. [75] Deze overweging luidt als volgt:
Dat de verkrijging van deze vastgoedobjecten paste in het kader van deze fraude laat zich daarom aan de hand van de stellingen van de Russische Federatie en de onderbouwing daarvan niet vaststellen. Hetzelfde geldt voor de overige vastgoedobjecten, onteigend door de Russische Federatie.Van belang is ook dat de Oekraïense autoriteiten en PrivatBank zelf na de nationalisatie Van PrivatBank onderzoeken hebben ingesteld en procedures zijn begonnen tegen de voormalige aandeelhouders van PrivatBank (conclusie van repliek van de Russische Federatie, randnummers 373 e.v.),
maar dat uit de stellingen van de Russische Federatie en de door haar overgelegde stukken niet valt af te leiden dat die onderzoeken en procedures zich mede richten op de verkrijging van de vastgoedobjecten van Everest c.s.De fraude bij PrivatBank werpt dus geen ander licht op de beoordeling van de stellingen van partijen in dit verband.”
Het oordeel dat‘alleen met betrekking tot het Tavria-resort en het Admiralteisky Complex’
expliciet melding is gemaakt van betrokkenheid bij de bank is onjuist en/of onbegrijpelijk omdat het hof in ieder geval niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken.”
Het hof zal afzonderlijk ingaan op de stelling van de Russische Federatie dat vastgoedobjecten waarvan de aanschaf is gefinancierd door PrivatBank, geacht moeten worden onrechtmatig te zijn verkregen.”
onderdeel 10keert de Russische Federatie zich wederom (zie reeds subonderdeel 8.11) tegen rov. 5.12.2. In die overweging overweegt en beslist het hof dat de vordering tot vernietiging op grond van strijd met de openbare orde afstuit op wat het hof in rov. 5.3 en 5.8 heeft overwogen. Bij het slagen van klachten tegen die overwegingen (onderdelen 2 en 8), kan rov. 5.12.2 dus niet in stand blijven. Deze voortbouwende klacht slaagt voor zover het hof terugverwijst naar rov. 5.8 om met de onderbouwing dat onvoldoende zou zijn gesteld het argument te weerleggen dat de investeringen van Everest c.s. zijn verkregen met behulp van corruptie, fraude en geweld (zie ook 3.125).
onderdeel 11tegen
rov. 5.13.3die luidt:
ten eersteart. 1068 lid 2 Rv Pro miskend en dan met name de rechtsregel dat de termijn wegens het achterhouden van stukken aanvangt op het moment dat een partij de achtergehouden stukken
in handen heeft gekregen. Het oordeel dat de achtergehouden rechterlijke uitspraken openbaar waren en die uitspraken dus tijdens de arbitrale procedure, althans binnen drie maanden na het wijzen van die arbitrale vonnissen, aan de orde hadden moeten worden gesteld, is in dat licht onjuist. Het moment dat een rechterlijke uitspraak openbaar is, in die zin dat deze kan worden opgevraagd bij de griffie of op enig moment online gepubliceerd zou kunnen worden, betreft een ander moment dan het moment dat een bedrogene het stuk daadwerkelijk in handen heeft gekregen.
Ten tweedeklaagt de Russische Federatie dat het oordeel in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd. Het hof licht immers niet toe waarom hier betekenis zou moeten toekomen aan het feit dat uitspraken in beginsel openbaar zijn. Niet valt in te zien waarom de openbaarheid van de rechterlijke uitspraken zou meebrengen dat het stuk eerder
in handenzou zijn verkregen. Het hof is daarbij niet ingegaan op het verweer dat het in de praktijk niet eenvoudig was om mogelijk relevante uitspraken van rechters te raadplegen (in Oekraïens, veelal geanonimiseerd). Daarnaast geldt dat zonder vermoeden van onregelmatigheden geen aanleiding bestaat voor onderzoek. Pas op 25 juli 2018, zo staat onbetwist vast, kreeg de Russische Federatie voor het eerst een achtergehouden uitspraak in handen (conclusie van repliek nr. 510 en pleitnotities van 29 maart 2021 nr. 91).
Ten derdewordt betoogd dat het hof de volgende oordelen
nietheeft gegeven:
mutatis mutandisvoor art. 1068 lid 2 Rv Pro dat de vordering tot herroeping binnen drie maanden nadat een partij de nieuwe bescheiden
in handen heeft gekregen, moet zijn aangebracht. [81]
slaagt. Bij het bepalen van het begin van de driemaandentermijn van art. 1068 lid 2 Rv Pro gaat het bij de herroepingsgrond ‘achterhouden bescheiden’ om het moment dat de Russische Federatie daadwerkelijk beschikte over de uitspraken. Het enkele feit dat een uitspraak ‘openbaar’ is, betekent niet zonder meer dat de termijn voor het instellen van de herroepingsvordering al begint te lopen na het wijzen van het litigieuze arbitrale vonnis. Dat
kanwel zo zijn (bijvoorbeeld: een uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl), maar dat
hoeftniet zo te zijn (bijvoorbeeld: een uitspraak is in die zin openbaar dat deze kan worden opgevraagd bij de rechterlijke instantie die de uitspraak heeft gewezen). [83] Zie hierna in 3.145 een aantal van de Oekraïense uitspraken waar het om draait. Het moment waarop de driemaandentermijn begint, zal per herroepingsgrond kunnen verschillen en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [84] Zo’n omstandigheid kan ook zijn hoe vorm is gegeven aan de openbaarheid van een bepaalde uitspraak. Dit alles heeft het hof miskend.
slaagtdus de motiveringsklacht (weergegeven in 3.134). Het hof had dan tenminste moeten uitleggen waarom de betreffende openbaarheid van de uitspraken inhield dat de Russische Federatie daarover daadwerkelijk beschikte, in die zin dat de uitspraken in haar handen waren verkregen en dus door haar konden worden overgelegd.
het hof hiervóór reeds heeft vastgesteld dat de Russische Federatie tevergeefs aanvoert dat uit deze uitspraken blijkt dat Everest c.s. hun investeringen onrechtmatig hebben verkregen.” Dit oordeel zou mogelijk zelfstandig dragend kunnen zijn voor de afwijzing van de herroepingsvordering. Ik stel echter vast, ten eerste, dat een aantal uitspraken die aan de herroepingsvordering ten grondslag worden gelegd van invloed zou kunnen zijn geweest op de beslissing van het scheidsgerecht (art. 1068 lid Pro 1, onder c, Rv). Dit geldt voor de in de procesinleiding (p. 38, onder (iv)) vermelde uitspraak van over een erfpachtuitgifte inzake het vastgoedobject Solnechny Bereg Sanatorium en de eveneens in de procesinleiding vermelde (p. 39, onder (v)) uitspraak over een koopovereenkomst inzake het vastgoedobject Admiralteisky Complex. Ten tweede geldt dat het hof helemaal niet is ingegaan op de uitspraak vermeld in de procesinleiding (p. 39, onder (vi)) inzake het vastgoedobject Broadcast Company Zhisa.
rov. 5.8(onderdelen 4.1 en 6 t/m 8) en
rov. 5.10.1(onderdeel 3). [86] In die rechtsoverwegingen heeft het hof telkens geoordeeld dat de Russische Federatie onvoldoende heeft aangevoerd voor gegronde twijfels over de rechtmatigheid van de investeringen van Everest c.s. Volgens de Russische Federatie wijst dit op een patroon van stelselmatig negeren van essentiële stellingen en overgelegde stukken. Hiermee heeft het hof de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging geschonden en heeft de Russische Federatie geen eerlijk proces gehad, aldus het middel.
onderdeel 13dat het voorgaande ook
rov. 5.10-5.15vitieert en het daaraan ontleende
dictum. Deze voortbouwklacht slaagt deels, namelijk voor zover zij is gericht tegen rov. 5.10, 5.13, 5.14, 5.15 en het dictum. Voor zover gericht tegen rov. 5.11 faalt de klacht omdat rov. 5.11 geheel is gebaseerd op de niet in cassatie aangevallen rov. 5.9. Voor zover gericht op rov. 5.12 slaagt de klacht alleen voor het deel dat in die rechtsoverweging voortbouwt op rov. 5.8, maar niet voor het deel dat voortbouwt op de overeind gebleven rov. 5.3 (zie de bespreking van onderdeel 2).
4.Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
eerste onderdeelklagen Everest c.s. dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de Russische Federatie niet in de arbitrageprocedure is verschenen. Het
tweede onderdeelbetoogt in de kern dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het subsidiaire rechtsverwerkingsverweer van Everest c.s.
rov. 5.2.7 en 5.2.8, waarin wordt ingegaan op de juridische betekenis van de in 2.7 en 2.8 geciteerde brieven van de Russische Federatie.
rov. 5.2.7 en 5.2.8. Deze overwegingen luiden:
Partijen gaan er terecht beide vanuit dat in een arbitrale procedure geen formele eisen gelden voor het verschijnen in de procedure. Op zich is het dus mogelijk dat dergelijke brieven, ook als er verder geen participatie is, als een verschijnen moeten worden aangemerkt.Dat kan het geval zijn als de brieven het karakter hebben van een (beknopt) verweerschrift. Het gaat hier om uitleg van de brieven aan de hand van objectieve maatstaven. Niet doorslaggevend is dat de brief aan het PHA is gestuurd, en niet aan het scheidsgerecht. Everest c.s. hebben terecht naar voren gebracht dat de Russische Federatie ervan moest uitgaan dat haar brief zou worden doorgestuurd aan het scheidsgerecht en aan de raadslieden van Everest c.s.
Doorslaggevend is dat de hoofdboodschap van de brief van [betrokkene 2] is dat de Russische Federatie de “Notices of Arbitration (…) of the international arbitration proceedings” terugzendt, met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met een korte toelichting, bestaande uit vier volzinnen, waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. Dat het scheidsgerecht het in de brief genoemde bevoegdheidsverweer wel heeft behandeld, maakt dit niet anders. Het scheidsgerecht was immers gehouden ook eigener beweging te toetsen of het bevoegd was en heeft dat ook – los van de desbetreffende brief – gedaan.In § 134 van het arbitrale tussenvonnis overwoog het scheidsgerecht immers: “
(…) it is a basic principle that “[a]s a general rule, anybody possessing jurisdictional powers has the right in the first place itself to determine the extent of its jurisdiction”. De Russische Federatie heeft verder terecht naar voren gebracht dat zowel het scheidsgerecht (onder meer in § 83 van het arbitrale tussenvonnis: “
The Tribunal has not had the benefit of the participation of the Respondent in this Arbitration”) als Everest c.s. tijdens de arbitrale procedure er blijk van hebben gegeven dat zij de Russische Federatie beschouwden als “niet verschenen”.
Een partij die in het arbitraal geding is verschenen, dient een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren te doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen, (…).”
is verschenen. De tekst van de wet biedt geen handvat voor de lezing dat het voorschrift van art. 1052 lid 2 Rv Pro tevens geldt voor de partij die niet is verschenen maar wel deugdelijk is opgeroepen. [91]
Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende – een verweer ten principale voert zonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. Voert zij verweer (waaronder begrepen: referte) zonder beroep op onbevoegdheid te doen, dan heeft zij het recht verwerkt daar in een later stadium op terug te komen.
Voert een partij geen verweer ten principale, dan kan zij in een later stadium nog wel op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht een beroep doen.”
in algemene zinruim opgevat te worden. [93] Daarvan is vrij snel sprake, ook gezien de woorden ‘op enigerlei wijze deelneemt’. Van ‘verschenen’
in de context van art. 1052 lid 2 Rv Prois minder snel sprake. Dat wordt nader uitgelegd in het weergegeven citaat (na het woordje ‘echter’).
Kompetenz-Kompetenz). Hoewel deze bepaling anders kan doen vermoeden, zal het scheidsgerecht niet in alle gevallen ambtshalve mogen beslissen of het al dan niet tot kennisneming van het geschil bevoegd is. Alleen indien de verweerder in het arbitraal geding
nietis verschenen, zal aanleiding bestaan om naar de bevoegdheid ambtshalve onderzoek te doen. [97]
[…] /Ruwaover het samenstel van de hiervoor aangehaalde bepalingen van art. 1052 lid 1 en Pro 2 en art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv het volgende overwogen: [101]
in het algemeenen niet over verschijnen als bedoeld in art. 1052 lid 2 Rv Pro. Het voorbeeld dat wordt genoemd (benoeming arbiters) is van belang, omdat in art. 1027 lid 4 Rv Pro het volgende is bepaald:
een verweer ten principale voertzonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. […].”
verweer ten principalekan dus sprake zijn van een verval van recht in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro en daarmee van het prijs geven van de mogelijkheid van vernietiging op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv. Een verweer ten principale is een materieelrechtelijk verweer tegen de vordering van de eiser. [103] Het is, anders gezegd, een verweer betreffende de door eiser gestelde rechtsverhouding. Een beroep op onbevoegdheid vormt niet een verweer ten principale maar een
exceptie [104] , oftewel een verweer ten aanzien van de toepassing van procesrechtelijke regels. [105] Een dergelijk processueel verweer ziet niet op de rechtsbetrekking tussen partijen en beoogt een debat - althans een beslissing - daarover in beginsel juist te voorkomen. [106]
(enig) verweervoert. De klacht kan daarom niet slagen.
een verweer(schriftelijke toelichting nr. 82), is dat niet correct. Dit blijkt duidelijk uit rov. 5.2.7, daar waar het hof overweegt:
het in de brief genoemde bevoegdheidsverweerwel heeft behandeld, maakt dat niet anders. […].”
voor zoverhet hof zijn oordeel (mede) heeft gebaseerd op de vaststelling dat de Russische Federatie de
Notices of Arbitration (…) of international arbitration proceedingsterugzond, met de bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zou deelnemen, dat oordeel ook niet in stand kan blijven. Zoals Everest c.s. hebben betoogd bij het hof, is niet relevant hoe de Russische Federatie haar brieven heeft gekarakteriseerd en welke gevolgen zij daarbij voor de vraag naar haar verschijning in de arbitrage heeft gewenst. Het is rechtens niet bepalend of een partij heeft gewild dat het door haar aanvoeren van bepaalde verweren als een verschijning wordt uitgelegd, aldus Everest c.s.
eigen interpretatievan de brief van [betrokkene 2] (medewerker ministerie van Justitie van de Russische Federatie) waarbij het volgende wordt overwogen:
Notices of Arbitration (…) of the international arbitration proceedings” terugzendt, met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met een korte toelichting, bestaande uit vier volzinnen, waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. […]”
bevoegdheidsverweeris gevoerd, impliceert dat zij ook is verschenen in het arbitraal geding en dat het hof deze interpretatie van het scheidsgerecht had moeten meenemen in zijn beoordeling of de Russische Federatie in dat geding is verschenen.
subonderdeel 1.5stellen Everest c.s. dat hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht er tijdens de arbitrage blijk van heeft gegeven de Russische Federatie als niet verschenen te beschouwen. Het hof wijst op een hoofdstuk van het arbitraal tussenvonnis, waaruit volgt dat de Russische Federatie niet heeft geparticipeerd in de arbitrage. Deze overweging is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van het feit dat het scheidsgerecht in de brieven van de Russische Federatie een bevoegdheidsverweer heeft gelezen. Daaruit volgt immers logischerwijs dat het scheidsgerecht de Russische Federatie wel degelijk als verschenen moet hebben beschouwd, aangezien een niet verschenen partij geen bevoegdheidsverweren kan aanvoeren.