Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Voor de toepassing van de verdere bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
De werknemer/wachtgeldgerechtigde is verplicht gebruik te maken van een hem geboden mogelijkheid om inkomsten uit arbeid of bedrijf te verkrijgen, tenzij hij aantoont dat deze verplichting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.”
De werknemer/wachtgeldgerechtigde is verplicht aan de werkgever direct opgave te doen van het bedrag van de inkomsten uit arbeid of bedrijf en van het bedrag dat aan uitkering ingevolge een wettelijke regeling wordt genoten. Desgevraagd dient hij alle gewenste inlichtingen en bewijsstukken te verschaffen.”
Als de wachtgeldgerechtigde met ingang van of na de dag waarop het wachtgeld is ingegaan, inkomsten uit arbeid of bedrijf geniet, worden deze inkomsten op het wachtgeld in mindering gebracht, indien en voor zover zij tezamen met het wachtgeld meer bedragen dan het laatst genoten salaris.”
Het wachtgeld vervalt:
Als de wachtgeldgerechtigde weigert aan de hem in artikel 14.6 opgelegde verplichtingen te voldoen;
Als één van de in artikel 14.1 genoemde uitkeringen worden stopgezet, omdat de wachtgeldgerechtigde niet al datgene doet wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een van deze uitkeringen.
inverdiend en vervolgens als het loopt zoals beoogd, uitgebouwd” zal moeten gaan worden. Over het jaar 2010 bedroegen de brutolasten van het aan [eiser] toegekende wachtgeld voor het ziekenhuis per saldo, nadat het bedrag van € 40.500,- op het wachtgeld in mindering was gebracht, een bedrag van € 181.918,-.
arbeidsovereenkomst met Actus (...) geen enkele relatie, direct dan wel indirect, bestaat met Actus” en heeft voorgesteld om in een gesprek met de voorzitter van de Raad van toezicht van het ziekenhuis een en ander nader toe te lichten. Het ziekenhuis heeft dit laatste voorstel van de hand gewezen en zijn verzoek om toezending van informatie herhaald. In de briefwisseling die hierop volgt, heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat hij feitelijk noch rechtens bevoegd is om over de documenten waarom wordt gevraagd, te beschikken. Het ziekenhuis meent dat [eiser] gezien zijn positie binnen Actus Holding wel degelijk informatie moet kunnen aanleveren.
Betreft: Verklaring omtrent de rol, positie en honorering van [eiser]
Ten aanzien van de feiten 2 en 3
2.Bespreking van het cassatiemiddel
die op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zouden zijn geweesten door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden. Sinds 2002 bepaalt art. 382 Rv Pro – zakelijk weergegeven – dat een rechterlijke uitspraak kan worden herroepen indien een partij na de uitspraak
stukken van beslissende aardin handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Ten aanzien van feit 1
subonderdeel 1.5is een klacht opgenomen die rechtstreeks betrekking heeft op (de aanvang van de herroepingstermijn bij) het in handen krijgen van achtergehouden stukken.
subonderdelen 1.2, 1.3 en 1.4bevatten klachten over de termijn zoals bedoeld in art. 1068 lid 2 Rv Pro voor alle herroepingsgronden, en meer in het bijzonder de grond bedrog. Ik behandel eerst deze subonderdelen.
bekend is geworden” als bedoeld in art. 1068 lid 2 Rv Pro (1) het erop aankomt dat na afloop van het voorgaande geding feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, die “
tezamen” de kwalificatie van het gedrag van de wederpartij als bedrieglijk (of een andere herroepingsgrond) wettigen;
overtuigend aan te tonen” en
iedere verdenking” van bedrog (of een andere herroepingsgrond) al voldoende grond is voor heropening van het geding en daarmee voor het gaan lopen van de termijn.
1.2.1, 1.2.2en
1.2.3nader uitgewerkt.
tezamen” moeten worden beoordeeld. Het subonderdeel wijst op vijf feiten en omstandigheden die [eiser] heeft gesteld en waaruit zou volgen dat het ziekenhuis (ruim) vóór 12 juni 2017 bekend was met het (beweerde) bestaan van de herroepingsgrond(en). [24] Volgens het subonderdeel heeft het hof in ieder geval geen (althans onvoldoende althans onbegrijpelijke) (kenbare) aandacht besteed aan deze essentiële stellingen van [eiser] .
bekend is geworden” als bedoeld in art. 1068 lid 2 Rv Pro heeft miskend dat van de procespartij die reden heeft om te vermoeden dat door zijn of haar wederpartij bedrog is gepleegd (of een andere herroepingsgrond bestaat) mag worden verwacht dat deze binnen redelijke grenzen onderzoek zal doen naar de juistheid van dit vermoeden en (ii) dat, indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, het bestreden arrest onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd, aangezien in dat geval niet (voldoende) (begrijpelijk) uit het arrest blijkt dat het hof deze rechtsregel (correct) heeft toegepast en/of niet valt in te zien dat en waarom het volgens het hof, kort samengevat, het ziekenhuis vrijstond te wachten met het (herhaalde) verzoek om toezending van het strafdossier, tot het moment dat zij ervan op de hoogte geraakte dat het OM [eiser] daagde om voor de rechter te verschijnen.
subonderdeel 1.3.5heeft het hof miskend dat een dergelijk redelijkerwijs van het ziekenhuis te verwachten onderzoek (in beginsel) meebrengt dat het ziekenhuis vanaf het moment van ontstaan van deze onderzoeksplicht op 29 augustus 2012 (de mondelinge behandeling in de arbitrale bodemprocedure) of 24 september 2014 (toen de advocaat tijdens het verhoor om toezending van het strafdossier verzocht) erop had moeten toezien dat het strafdossier ook daadwerkelijk aan het ziekenhuis werd verstrekt dan wel nogmaals om toezending had moeten vragen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, stond het het ziekenhuis dus niet vrij te wachten met het (herhaalde) verzoek om toezending van het strafdossier tot het moment dat zij ervan op de hoogte geraakte dat het OM [eiser] daagde om voor de rechter te verschijnen. Volgens het subonderdeel volgt uit de gemotiveerde stellingen van [eiser] (die door het ziekenhuis niet zijn betwist en waarvan de juistheid door het hof in het midden is gelaten), dat er geen enkele rechtvaardiging voor het ziekenhuis bestond om vervolgens (na het verzoek op 24 september 2014, drie jaar lang) ‘stil te zitten’ en niet erop toe te zien dat dit strafdossier ook daadwerkelijk aan hem werd verstrekt en/of niet nogmaals om toezending te vragen. Daarbij komt dat het ziekenhuis volgens zijn eigen stellingen door lezing van het strafdossier bekend raakte met de herroepingsgrond(en) en [eiser] erop heeft gewezen dat het ziekenhuis in dit scenario de herroepingsvordering eerder had kunnen instellen.
Waterschap Regge en Dinkel. [26] In dit arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
(zie het vervolg van dit arrest), moet zijn belang wijken voor dat van het Ziekenhuis om alsnog de herroepingsvordering in te kunnen stellen.
Onder de hierna te vermelden omstandigheden is dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook niet onaanvaardbaar.Uit het voorgaande volgt dat het Ziekenhuis de vordering tot herroeping tijdig heeft ingesteld
en het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro wordt verworpen.”
bekendheidmet bestaan van de achtergehouden stukken niet van belang is bij de c-grond, maar dat het daar gaat om de vraag wanneer het ziekenhuis die bescheiden
in handen heeft gekregen. Om dezelfde reden faalt ook de tegen de vooropstelling gerichte motiveringsklacht.
HERHAALD BEWIJSAANBOD