ECLI:NL:PHR:2023:996

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
21/04851
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 244 SrArt. 245 SrArt. 248 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring seksueel misbruik stiefdochter met voldoende steunbewijs

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf wegens meermalen gepleegd seksueel misbruik van zijn stiefdochter, zowel voor als na haar twaalfde levensjaar. Het hof baseerde zijn oordeel op de gedetailleerde en consistente verklaringen van het slachtoffer, die steun vonden in diverse andere bewijsmiddelen zoals verklaringen van familieleden, een seksueel getint filmpje op de telefoon van de verdachte en medische rapportages.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat niet was voldaan aan het bewijsminimumvereiste van artikel 342 lid 2 Sv Pro, omdat het bewijs uitsluitend rustte op de verklaringen van het slachtoffer zonder voldoende zelfstandig steunbewijs. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verklaringen van het slachtoffer op meerdere punten steun vinden in ander bewijsmateriaal, waaronder eigen waarnemingen van derden en objectief vastgestelde gedragsveranderingen.

Hoewel sommige steunbewijzen buiten de ten laste gelegde periode vielen, was dit volgens de Hoge Raad niet relevant omdat het steunbewijs niet per se betrekking hoeft te hebben op het strafbare feit zelf, maar wel op wezenlijke onderdelen van de verklaring van het slachtoffer. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de bewezenverklaring en de strafrechtelijke veroordeling in stand blijven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de bewezenverklaring van seksueel misbruik blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04851
Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 12 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens:
1. "met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd" en
2. “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden. Tevens heeft het hof teruggave bevolen van een onder de verdachte in beslag genomen nog niet teruggegeven telefoon.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
De middelen bevatten de klacht dat ten aanzien van beide bewezen verklaarde feiten niet aan het bewijsminimumvereiste als bedoeld in art. 342 lid 2 Sv Pro is voldaan. Gesteld wordt dat de bewijsmiddelen die bestaan uit getuigenverklaringen grotendeels zijn terug te leiden tot de verklaringen van de aangeefster zonder dat zij zelfstandig redengevend steunbewijs bevatten, dat een filmpje van de aangeefster op de telefoon van de verdachte, dat is beschreven door een getuige, buiten de ten laste gelegde periode is opgenomen en tot slot dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de behandelaars van de aangeefster niet redengevend zijn voor het bewijs. Ik zal hierna eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen weergeven en daarna de middelen bespreken.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1.
hij meermalen, in de periode van 14 februari 2010 tot en met 7 april 2013 te [plaats] , met zijn, verdachtes, stiefdochter, te weten [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2001, die aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd en die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte:
- de borsten en billen van voornoemde [aangeefster] betast en
- de vagina van voornoemde [aangeefster] betast en
- zijn, verdachtes, penis in/tegen de schaamstreek en/of in/tegen de vagina en/of schaamlippen van voornoemde [aangeefster] geduwd en/of gebracht
- zijn, verdachtes, penis in de mond van voornoemde [aangeefster] gebracht;
2.
primair
hij, meermalen, in de periode van 8 april 2013 tot en met december 2015 te [plaats] , met zijn, verdachtes, stiefdochter te weten [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2001, die aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd en die toen de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte:
- de borsten en billen van voornoemde [aangeefster] betast en
- de vagina van voornoemde [aangeefster] betast en
- zijn, verdachtes, penis in/tegen de schaamstreek en/of in/tegen de vagina en/of schaamlippen van voornoemde [aangeefster] geduwd en/of gebracht en
- zijn, verdachtes, penis in de mond van voornoemde [aangeefster] gebracht en
- zijn, verdachtes, penis in de anus van voornoemde [aangeefster] gebracht.”
2.2
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
“1. Een proces-verbaal […] van 13 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 juni 2017 tegenover verbalisanten afgelegde
verklaring van aangeefster [aangeefster], geboortedatum: [geboortedatum] 2001:
Ik wil aangifte doen tegen mijn stiefvader, [verdachte] , van seksueel misbruik. Het heeft volgens mij gespeeld tussen mijn 9e en 15e jaar. Het heeft zich afgespeeld in het huis van mijn stiefvader, bijna altijd daar. Dat was bij de [a-straat] in [plaats] . Volgens mij in de jaren 2010 tot 2016.
De eerste keer was in mijn moeder haar huis, op de [b-straat] in [plaats] . We waren met zijn drieën een film aan het kijken. Toen begon hij aan mijn bil te zitten. Ik was nog maar 9 jaar oud. Gewoon voelen, knijpen zeg maar. Het was onder mijn kleding. Niet tussen mijn billen maar er alleen op. Toen besloot mijn moeder dat wij bij hem gingen wonen en toen begon het pas echt dat hij aan mij ging zitten, en ik aan hem als mijn moeder bijvoorbeeld boodschappen ging doen. Ik was 9 jaar.
Ik kan mij herinneren dat ik hem moest pijpen. Dat heb ik een paar keer gedaan. Hij ging wel aan mijn borsten zitten, hij ging er nog niet in, maar probeerde het wel met zijn vingers. De eerste keer pijpen was bij hem thuis op de bank, op de [a-straat] . Hij deed zijn broek naar beneden en zijn onderbroek tot de enkels en ik moest hem pijpen, maar ik wist niet wat dat was en hij zei met mijn mond. Het is meer dan één keer gebeurd, ik denk misschien wel zeven keer. Hij zat op de bank en ik moest er met de mond aan zitten, aan zijn lul.
V: Je vertelt dat hij ook aan je borsten ging zitten.
A: Hij vond het gewoon wel leuk om er naar te kijken en begon er aan te zitten, onder mijn kleding. Het gebeurde best wel vaak, wel wekelijks, misschien wel dagelijks. Hij zat wel meer aan mijn bil, dat deed hij ook als er mensen bij waren. Hij zat gewoon met zijn hand bij mijn borsten. Ook weleens met zijn mond. Met zijn handen kneep hij zachtjes in mijn borsten. En hij ging ook wel likken aan mijn borst, ook wel best vaak dat dat gebeurde. Vanaf het begin tot het einde, mijn 15de. Het is gestopt in de winter van 2015. Hij zat overal, hij zat ook aan mijn vagina. Dagelijks, maar dat begon wat later. Hij zat ook aan mijn billen en ook aan mijn anus, daar probeerde hij ook wel met zijn lul een paar keer in te gaan. Hij zat met zijn hand, met zijn tong en met zijn lul aan mijn vagina. Het was ook wel dagelijks dat hij met zijn hand aan mijn vagina zat, dat was nog wel het meeste van allemaal. Dat gebeurde het meeste van allemaal, vaker dan dat hij aan mijn borsten, kont of anders zat.
Rond 10 of 11 jaar zat hij aan mijn vagina. Ik had dan niets aan, altijd onder mijn kleding of hij deed het uit. Ik weet niet meer wanneer de eerste keer was dat hij aan mijn vagina zat. Hij vingerde. Hij zat aan mijn klit. Hij ging er ook wel een paar keer in met zijn vinger, dat gebeurde niet zo heel vaak. Het gebeurde wel heel vaak dat hij met zijn hand aan mijn klit zat. Het voelde wel raar in het begin, ik vond het niet fijn.
Het gebeurde altijd thuis. Het gebeurde op de bank in de huiskamer, in mijn slaapkamer of in zijn slaapkamer. Als hij aan mijn klit zat, zat hij met zijn andere, hand aan mijn borst. Hij zat ook wel aan zichzelf. Dan trok hij zichzelf af. Hij kwam wel eens klaar, maar dan ging hij bij mij gewoon door. Hij ruimde het sperma op met toiletpapier. Dat deed hij altijd zelf. Dat hij met zijn vingers in mijn vagina ging is ongeveer 10 a 20 keer gebeurd. Hij ging met 1 of 2 vingers erin, maar het, deed best veel pijn bij mij, dan duwde ik hem weg. Hij is er wel ingegaan. Hij zat met zijn tong en zijn lul aan mijn vagina. Dan tikte hij aan mijn klit, het gebeurde vaker dan dat hij zijn vingers erin deed. Het gebeurde niet dagelijks, maar wel vaak. Het gebeurde tussen mijn 11e en dan tot het einde mijn 14e jaar.
Soms ging hij met zijn lul tegen mijn klit aan, het gebeurde niet veel maar ook niet weinig, het gebeurde voordat hij aan mijn klit ging zitten. Hij heeft misschien 5 keer geprobeerd om erin te gaan, maar dat lukte niet, want dat deed pijn. Rond mijn 11e zei hij dat het 2 of 3 jaar zou duren voordat ik rijp zou zijn om dat te doen. Hij ging met zijn lul erin, maar dan deed het pijn en duwde ik hem weg en zei ik dat ik het niet wilde. Hij is er sowieso twéé keer in geweest. Ik denk dat het rond mijn 13de was dat hij er echt in is geweest. Hij ging alleen met zijn eikel erin. Hij ging wel heen en weer, erin en eruit. Ik vond het niet fijn, het deed best wel pijn. Hij probeerde met zijn lul in mijn anus te gaan. Meestal spuugde hij eerst. Het is wel al 10 keer geprobeerd en één keer is hij er daadwerkelijk in gegaan. Het gebeurde nadat hij in mijn vagina met zijn lui is geweest. Hij is met niets anders bij of in mijn vagina geweest. Ik was toen 13 of 14 zoiets. Een keer lag ik te slapen op de bank, volgens mij was ik 14 jaar, en toen heeft mijn stiefvader een filmpje gemaakt waarbij hij aan mijn borst en bil zat. Mijn moeder heeft het filmpje gezien en verwijderd. Eerst zag je mijn gezicht én dan zat hij aan mijn billen en borsten, ik lag op mijn zij.
2. Een proces-verbaal […] van 3 augustus 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 augustus 2017 tegenover verbalisanten afgelegde
verklaring van getuige [betrokkene 1](broer van aangeefster):
Toen [aangeefster] nog bij ons woonde op de [b-straat] , was zij een heel gedreven, hoogbegaafd en leuk meisje. Ze was heel vrolijk en blij. Een paar jaar geleden is dit veranderd. Tussen haar 11e en 13e jaar sloeg dat om. Het werd donker en duister, ze kreeg depressieve klachten. Ze was gesloten, echt een heel ander persoon.
3. Een proces-verbaal van 19 juni 2018, opgemaakt door mr. S.A. Krenning, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 juni 2018 tegenover de rechter-commissaris afgelegde
verklaring van getuige [betrokkene 1]:
U vraagt over de verandering van [aangeefster] tussen haar 11e en 13e jaar en of er toen in haar leven dingen veranderde. Het ging niet goed met haar op de middelbare school. U vraagt me over het moment dat [aangeefster] me vertelde over wat er was gebeurd. We reden van [plaats] haar [plaats] op de scooter. Ze volgde toen therapie. Ik had haar opgehaald bij [A] . [aangeefster] zei dat ze mij wat moest vertellen. Ze zei dat [verdachte] haar lichamelijk en seksueel had misbruikt. Ze heeft me alles verteld wat er is gebeurd, ook over penetratie, het hele verhaal. Perst durfde ze het niet te vertellen. Ze zei dat het al was begonnen in [plaats] , ze zei dat het daar lichtelijk begon. In de [a-straat] is hij verder gegaan en is het erger geworden.
4. Een proces-verbaal […] van 17 augustus 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 en 17 augustus 2017 tegenover verbalisanten afgelegde
verklaring van getuige [betrokkene 2](moeder van aangeefster):
Ik heb [verdachte] ontmoet op 14 februari 2010 en heb toen een relatie met hem gekregen. We gingen vaker naar zijn huis omdat het daar rustiger was en het was makkelijker met zijn werk. [betrokkene 1] en [betrokkene 4] bleven dan pp de [b-straat] in [plaats] . Als [aangeefster] uit school kwam ging ik met haar naar zijn woning op de [a-straat] . Tot 2015 ben ik op en neer gegaan tussen [plaats] en de [a-straat] .
In 2015 zag ik een filmpje op de telefoon van [verdachte] . Ik zag het volgende op het filmpje. [aangeefster] lag volgens mij op de bank beneden te slapen en droeg een bh en onderbroek. Ook droeg ze een t-shirt of een pyjama, maar dan zonder broek. Ik zag dat hij met zijn hand vanaf bovenzijde shirt haar bh opzij deed en haar borsten filmt. Ook deed hij haar onderbroek opzij en zoomde in op haar vagina. Hij deed geen seksuele handelingen pp haar lichaam. Hij zette alleen haar lichaam op de film.
[aangeefster] was 8/9 jaar oud toen wij een relatie kregen. Ze was altijd vrolijk en opgewekt. Echt een superwarm kind. Via school kreeg ik te horen dat [aangeefster] suïcidaal was en zichzelf had gesneden [aangeefster] kwam bij [B] terecht. Ze werd stiller en somberder. Ze sloot zich af en wilde steeds bij anderen zijn en niet thuis. Ze was toen 13 jaar oud.
We zaten bij [B] met z’n allen aan tafel toen zij vertelde dat ze misbruikt was. Volgens mij vertelde [aangeefster] het zelf met hulp van de dame die haar destijds behandelde. Wat mij bij staat van het gesprek was dat zij niks wilde zeggen, want 'mijn moeder was gelukkig’. Ik kan mij herinneren dat [verdachte] [aangeefster] af en toe beet pakte bij haar billen.
5. Een geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 6] , psycholoog en hoofdbehandelaar [B] GGZ Jeugd en Gezin Amsterdam, bok namens [betrokkene 7] , GZ-psycholoog, van 19 oktober 2017 […].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaringen van
[betrokkene 6] en [betrokkene 7] :
[aangeefster] is van juli 2015 tot juli 2016 bij ons in behandeling geweest, voor posttraumatische stressklachten in combinatie met een stemmingsstoornis. De posttraumatische stress-stoornis die bij [aangeefster] is gediagnosticeerd is een chronische PTSS, ontstaan nadat zij meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen heeft meegemaakt, waaronder ook fysiek geweld tussen stiefvader [verdachte] en moeder. Het door [aangeefster] gerapporteerde misbruik heeft hoogstwaarschijnlijk ook een bijdrage geleverd aan deze PTSS-klachten en stemmingsklachten van [aangeefster] . In juli 2016 is [aangeefster] verwezen naar een intensievere behandelvorm van de [C] , daar haar stemmingsproblemen te fors werden om ambulant te behandelen, ook was er veel schooluitval door een slecht dag-nachtritme.
Op 29-10-2015 vraagt [betrokkene 7] aan [aangeefster] of ze weleens wat gemerkt heeft van het seksueel overactief gedrag van [verdachte] . [aangeefster] bevestigt dit meteen; zij vindt veel porno, op zijn telefoon en het staat eveneens aan in de huiskamer. [aangeefster] vertelt dat hij aan haar heeft gezeten in haar slaap. Zij weet er niets meer van. Hij zat aan haar billen. Zij heeft het op een filmpje zelf gezien. [verdachte] had het filmpje gemaakt en moeder vond het en liet het zien aan [aangeefster] . [aangeefster] sliep tot 2 jaar daarvoor, naast hem in bed, vertelt zij. Nu als [verdachte] thuis is, is zij extra alert; deur op slot van haar kamer, niet douchen (want de douche grenst aan kamer [verdachte] ) en niet op bank in slaap vallen bijvoorbeeld, zo legt zij uit.
Op 29-3-2016 wil [aangeefster] met spoed iemand zien. [aangeefster] wil zo snel afspreken omdat ze, enorm somber is en gedachten heeft aan de dood. Ze zegt: ik zal maar met het belangrijkste beginnen. [aangeefster] vertelt aan [betrokkene 6] dat ze jarenlang is misbruikt door [verdachte] . Vaak meerdere keren per week als moeder even weg was. Geen penetratie wel andere seksuele handelingen moeten verrichten bij hem en zelf ondergaan, vertelt [aangeefster] . Ze heeft het nooit durven vertellen aan iemand, alleen van het filmpje dat hij van haar heeft gemaakt, durfde zij te vertellen. [verdachte] had een filmpje gemaakt van haar, terwijl ze sliep en hij aan haar zat. Dat weet moeder ook. Ze vertelt het juist op dit moment, omdat ze hoopte dat in het nieuwe huis het allemaal over zou zijn: het contact tussen moeder en [verdachte] . Maar zij blijven contact houden.
De ochtend daarop op 30-3-2016 vertelt [aangeefster] in een gesprek met psychiater van [B] GGZ dat ze het die nacht aan broer [betrokkene 1] heeft verteld. Vervolgens heeft [aangeefster] in de middag een gesprek met [betrokkene 7] , eigen behandelaar. Daarin vertelt zij dat ze een aantal dagen eerder voor het eerst verteld heeft over het misbruik aan vriendin [betrokkene 3] . [betrokkene 3] reageerde geschokt, maar erg steunend. [aangeefster] vertelt aan [betrokkene 7] dat zij vanaf jonge leeftijd, ze weet niet meer precies wanneer, ze vermoedt ongeveer 8 jaar oud geweest te zijn, is misbruikt tot november (2015). Het is gestopt toen [verdachte] op reis ging. [aangeefster] kiest ervoor om nog even te wachten met het vertellen aan haar moeder, zij wil nadenken over hoe dit te vertellen.
Op 6-4-2017 vertelt [aangeefster] dat moeder inmiddels van het misbruik weet, vermoedelijk heeft haar broer [betrokkene 1] het aan moeder verteld.
Op 13-4-2017 is er een gezamenlijk gesprek met moeder en [aangeefster] waarbij [aangeefster] moeder nog eens zelf vertelt over het misbruik.
6. Een proces-verbaal […] van 27 september 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven; als de op 27 september 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
getuige [betrokkene 5] :
Ik ken [aangeefster] sinds 2013. In het voorjaar van 2015 vertelde [aangeefster] mij dat [verdachte] haar vanaf haar 9e tot de 2e klas, toen zij 14 jaar oud was, had misbruikt. Hij betastte haar in haar slaap, hij had foto's gemaakt van haar en gewoon betast en dat het heel lang doorging. Ze was heel verdrietig en ik bleef een beetje doorgaan wat er nou was, ze wilde het eerst niet vertellen tegen mij. Ze ging toen huilen en toen vertelde ze dat het haar heel dwars zat en dat [verdachte] haar sinds haar 9e betastte.”
2.3
De bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:

4.3 Het oordeel van het hof
Het hof zal eerst ingaan op de vraag of de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn, of dat er overtuigende redenen zijn om aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen. Daarna zal het hof ingaan op de vraag of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
Aangeefster heeft op 30 maart 2017 en 13 juni 2017 ten overstaan van de politie en een in het kader van een getuigenverhoor voor de rechter-commissaris gehouden studioverhoor op 15 maart 2018 verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is, – samengevat – de volgende.
Op 14 februari 2010 hebben de moeder van aangeefster, [betrokkene 2] , en de verdachte elkaar ontmoet. Zij kregen een liefdesrelatie en zijn op den duur gaan samenwonen in het huis van de verdachte in [plaats] . Aangeefster is meeverhuisd naar het huis van de verdachte, terwijl haar oudere broer en zus bleven wonen in het huis in [plaats] . De relatie tussen haar moeder en de verdachte is eind 2015 verbroken. Aangeefster heeft verklaard dat zij in de periode dat haar moeder en de verdachte een relatie hadden meermalen seksueel is misbruikt door de verdachte. Het misbruik is begonnen in het huis van haar moeder en vond later plaats in het huis van de verdachte. Aangeefster heeft op detailniveau verklaard wat de verdachte allemaal bij haar heeft gedaan (waaronder het betasten van haar billen, borsten en vagina en (te proberen) haar vaginaal en anaal te penetreren) en wat zij bij de verdachte moest doen (waaronder pijpen en haar vinger in zijn anus doen). Aangeefster heeft verklaard over de verschillende emoties die zij bij het misbruik heeft ervaren en de fysieke uitwerking die dit op haar heeft gehad.
De uitgebreide en gedetailleerde verklaringen van de aangeefster zijn betrouwbaar op het hof overgekomen. Haar verklaringen komen authentiek over nu zij ook in alle eerlijk- en openheid heeft verklaard over welke tegenstrijdige gevoelens het misbruik bij haar hebben opgewekt. Zij heeft meerdere keren een verklaring afgelegd en die verklaringen zijn grotendeels consistent gebleken. De kleine inconsistenties doen, gelet op het tijdverloop en het ouder worden van de aangeefster, niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Concluderend heeft het hof geen enkele aanleiding te twijfelen aan haar verklaringen.
Bewijsminimum
Het hof stelt voorop dat het bewijs dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, gelet op het tweede lid van artikel 342 Sv Pro, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring wan een getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in de zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het hof begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat hij betoogt dat het bewijs dat de verdachte aangeefster seksueel heeft misbruikt enkel kan worden afgeleid uit haar eigen verklaringen en dat steunbewijs ontbreekt.
Het hof verwerpt dit verweer. De verklaringen van aangeefster vinden in voldoende mate steun in de overige gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder:
1. de brief van haar behandelaren bij [B] , waaruit volgt dat zij in 2015 heeft verteld dat de verdachte een filmpje van haar had gemaakt waarop zij sliep en inzoomde op haar borsten en vagina en in maart 2016 heeft verteld dat zij jarenlang seksueel is misbruikt door de verdachte. Uit de brief kan tevens worden opgemaakt de aangeefster is gediagnosticeerd meteen stemmingsstoornis en chronische PTSS, ontstaan na meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen, waarbij is opgemerkt dat het door aangeefster gerapporteerde misbruik hoogstwaarschijnlijk een bijdrage heeft geleverd aan de klachten.
2. de verklaringen van haar moeder [betrokkene 2] , waaruit volgt dat zij in 2015 een filmpje heeft aangetroffen op de telefoon van de verdachte. Op dit filmpje was te zien dat aangeefster lag te slapen en de verdachte haar borsten en vagina filmde. Uit de verklaringen blijkt verder dat aangeefster, voordat haar moeder een relatie kreeg met de verdachte, een vrolijk en lief kind was en zich gedurende de relatie steeds meer van anderen afsloot, somberder werd en depressieve klachten ontwikkelde.
3. de verklaringen van haar broer [betrokkene 1] , waaruit volgt dat aangeefster hem in 2016 al over het seksueel misbruik heeft verteld nadat hij haar kwam ophalen van een therapiesessie. Uit zijn verklaringen blijkt verder dat aangeefster veranderde van een vrolijk en blij kind naar een kind met depressieve klachten;
4. de verklaring van haar (jeugd)vriendin [betrokkene 5] , waaruit volgt dat aangeefster haar in het voorjaar van 2015 heeft verteld dat zij vanaf haar 9e seksueel werd misbruikt door haar stiefvader, waarbij het hof opmerkt dat dit gesprek gelet op de brief van [B] mogelijk in het voorjaar van 2016 heeft plaatsgevonden.
Zowel de aangeefster als haar moeder hebben kortom verklaard over een seksueel getint filmpje van de aangeefster op de telefoon van verdachte. Daar komt bij dat er door haar moeder en broer een gedragsverandering bij de aangeefster is waargenomen, die zich heeft ontwikkeld in de periode van het seksueel misbruik en hoogstwaarschijnlijk (mede) oorzaak is geweest van haar chronische PTSS en depressieve klachten. Bovendien heeft de aangeefster al in 2016, ruim voordat zij aangifte heeft gedaan, aan haar broer, vriendin en behandelaren bij [B] verteld over het seksuele misbruik door haar stiefvader.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario
Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep een alternatiefscenario geschetst dat, kort samengevat, inhoudt dat het een vooropgezet plan is geweest van de familie van aangeefster om hem valselijk te beschuldigen naar aanleiding van een geweldsincident tussen de verdachte en de broer van aangeefster, [betrokkene 1] .
Het hof acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario gelet op hetgeen hierboven is overwogen omtrent het steunbewijs niet aannemelijk. Daarbij is vooral van belang dat aangeefster al een jaar voordat zij aangifte heeft gedaan met anderen heeft gesproken over het misbruik. In het dossier en hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd is geen enkele aanleiding te vinden dat het hier gaat om een vooropgezet plan om de verdachte valselijk te beschuldigen uit wraak.
Slotoverwegingen
Het hof ziet geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen en is van oordeel dat deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het hof acht op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde seksuele misbruik van aangeefster heeft schuldig gemaakt.”

3.De middelen

3.1
Zoals hiervoor reeds vermeld, bevat het eerste middel de klacht dat ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit niet is voldaan aan het bewijsminimumvereiste als bedoeld in art. 342 lid 2 Sr Pro. Het tweede middel bevat dezelfde klacht ten aanzien van het onder 2 primair bewezen verklaarde feit.
3.2
In de toelichting op het eerste middel wordt aangevoerd dat de camerabeelden die in 2015 op de telefoon van de verdachte zouden zijn aangetroffen niet zien op de ten laste gelegde periode van 14 februari 2010 tot 7 april 2013, zodat deze beelden geen steun bieden aan de verklaring van de aangeefster. Ook de door de getuigen bij de aangeefster waargenomen gedragsveranderingen kunnen niet dienen als steunbewijs voor haar verklaring, nu de causaliteit tussen het vermeende misbruik en de gedragsveranderingen puur speculatief is, zeker gezien het feit dat de aangeefster destijds in de pubertijd was en het een feit van algemene bekendheid is dat gedragsveranderingen niet abnormaal zijn bij pubers. Ook het door aangeefsters behandelaars geconstateerde verband tussen haar PTSS-klachten en het vermeende misbruik is speculatief. Voor het overige zijn de verklaringen van de moeder, broer, vriendin en behandelaars van de aangeefster alle te herleiden tot dezelfde bron, namelijk de aangeefster. Ook wijst de steller van het middel erop dat de overwegingen van het hof omtrent de betrouwbaarheid van aangeefsters verklaring evenmin kunnen fungeren als steunbewijs. Geconcludeerd wordt dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen.
3.3
In de toelichting op het tweede middel is aangevoerd dat het door het hof gebezigde steunbewijs is te herleiden tot de verklaring van de aangeefster of niet specifiek genoeg is. Zo blijkt uit de beschrijving door aangeefsters moeder van het op de telefoon van de verdachte aangetroffen filmpje dat daarop geen van de bewezen verklaarde handelingen is te zien. Haar verklaring dat de verdachte de aangeefster af en toe beetpakte bij haar billen biedt geen duidelijkheid over de vraag of die betrekking heeft op de bewezen verklaarde periode en of sprake was van ontuchtige handelingen. De verklaringen over de tegenvallende schoolprestaties en stress- en spanningsklachten van aangeefster kunnen niet rechtstreeks worden gelinkt aan de vermeende ontucht van de verdachte. Ook deze bewezenverklaring wordt onvoldoende gedragen door de bewijsmiddelen, aldus de steller van het middel.

4.Bespreking van de middelen

4.1
De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het beoordelingskader
4.2
Het gaat in de onderhavige zaak om de vraag of de door het hof gebruikte bewijsconstructie door de beugel kan. Het bewijsprobleem dat zich hierbij voordoet komt veel voor bij zedendelicten waarbij het slachtoffer in feite de enige getuige is die informatie kan verschaffen over wat er is gebeurd. In een dergelijk geval mag de verdachte op grond van art. 342 lid 2 Sv Pro, waarin de
unus testis nullus testis-regel is vastgelegd, niet op de enkele verklaring van het slachtoffer worden veroordeeld. Het doel van die regel is de waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing en houdt een kwantitatieve en kwalitatieve eis in. De kwantitatieve eis is dat de verklaring van één getuige niet genoeg is om tot een bewezenverklaring te komen. Daarvoor is nog een andere bewijsbron nodig, die op zijn beurt aan een kwalitatieve eis moet voldoen, namelijk dat deze voldoende steun moet geven aan de zogenaamde unus-verklaring. [1] Standaardjurisprudentie is verder dat de
unus testis nullus testis-regel ziet op de tenlastelegging in zijn geheel en niet op een onderdeel daarvan. Dus het steunbewijs hoeft geen betrekking te hebben op het daderschap van de verdachte. [2] Daarnaast hoeft het steunbewijs ook geen betrekking te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. [3] Voldoende is dat het steunbewijs
de verklaringvan de aangeefster op concrete en wezenlijke punten bevestigt. [4]
4.3
Hoewel de omvangrijke rechtspraak over wat kan worden beschouwd als steunbewijs heel casuïstisch is, kunnen er toch de volgende aanknopingspunten aan worden ontleend. Verklaringen van derden, aan wie het slachtoffer haar verhaal heeft gedaan, kunnen niet gelden als steunbewijs. Het bewijs komt dan immers uiteindelijk uit dezelfde bron. [5] Wel kan meewegen of die verklaringen van derden ook eigen waarnemingen bevatten die zij hebben gedaan en die verband houden met het ten laste gelegde gedrag. [6] Dat kunnen ook bij het slachtoffer waargenomen emoties zijn mits ze tijdens of net na het delict zijn waargenomen. [7]
4.4
Tot slot kunnen overwegingen van de feitenrechter omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster het ontbreken van steunbewijs niet compenseren. [8] Dat laat onverlet dat de eisen die aan dit steunbewijs worden gesteld samen kunnen hangen met de mate waarin de verklaring van de aangeefster betrouwbaar wordt geacht. [9]
4.5
Waartoe leidt dit nu in onderhavige zaak?
4.6
Allereerst merk ik op dat het in deze zaak gaat om in tijd en plaats verschillende strafbare feiten die over een lange periode hebben plaatsgevonden. Dit brengt mee dat voor elk van deze feiten aan het bewijsminimumvereiste van art. 342 lid 2 Sv Pro moet worden voldaan. [10]
4.7
De steller van het middel heeft zeker een punt dat het steunbewijs – voor zover dit bestaat uit getuigenverklaringen die een herhaling behelzen van de verklaring van de aangeefster dat ze door de verdachte is misbruikt – op zichzelf genomen niet kan bijdragen aan de bewezenverklaring. Maar het hof heeft zijn oordeel dat er voldaan is aan het bewijsminimum niet enkel hierop gebaseerd.
4.8
Het hof heeft ook ondersteunende bewijskracht toegekend aan de waarneming van de moeder van de aangeefster van het op de telefoon van de verdachte aangetroffen filmpje. Alhoewel de steller van het middel terecht opmerkt dat hierop geen seksuele handelingen zijn te zien, kon het hof, gelet op het onmiskenbare seksuele karakter van de opname (het wegtrekken van kledingstukken en inzoomen op de geslachtsdelen van de aangeefster) hieraan redengevende kracht toekennen. Het feit dat het moment waarop het filmpje betrekking heeft buiten de ten laste gelegde pleegperiode van het eerste bewezen verklaarde feit ligt, doet hier mijns inziens niet aan af. Feiten en omstandigheden die niet hebben plaatsgevonden in de bewezen verklaarde pleegperiode hoeven niet te worden uitgesloten om als steunbewijs te fungeren voor de bewezenverklaring. [11] Waar het om gaat, is dat de verklaring van de aangeefster op specifieke punten steun vindt in dit filmpje terwijl niet gezegd kan worden dat het filmpje in een te ver verwijderd verband staat met de bewezen verklaarde gedragingen.
4.9
Bovendien moet niet te veel betekenis worden toegekend aan het feit dat de bewezen verklaarde feiten in twee afzonderlijke pleegperiodes ten laste zijn gelegd. Het misbruik heeft gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar plaatsgevonden, was gericht tegen een en dezelfde persoon en de bewezen verklaarde handelingen (het betasten van de borsten, billen en vagina en orale en vaginale penetratie) – met uitzondering van de anale penetratie die slechts in de tweede bewezen verklaarde periode heeft plaatsgevonden – zijn identiek. Dat de feiten apart ten laste zijn gelegd, is te verklaren door de omstandigheid dat de aangeefster op 8 april 2013 de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt waardoor de aan de verdachte verweten handelingen vanaf die datum niet onder art. 244 jo Pro. 248 Sr, maar onder art. 245 jo Pro. art. 248 Sr Pro vallen.
4.1
Dan is er ook nog de verklaring van de moeder van de aangeefster dat zij zich kan herinneren dat de verdachte de aangeefster soms bij haar billen pakte. Deze verklaring bevat een eigen waarneming, sluit aan bij aangeefsters verklaring en biedt hier derhalve steun aan. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het niet van belang is dat het niet duidelijk is of dergelijk handelen kan worden aangemerkt als ontuchtig en dat ook niet duidelijk is of dit betrekking heeft op de bewezen verklaarde periode. Zoals al eerder gezegd gaat het er immers om dat dit gedrag steun biedt aan de verklaring van de aangeefster. [12]
4.11
Tot slot heeft het hof gewezen op de verklaring van de vriendin van de aangeefster dat zij heel erg huilde toen zij haar vertelde dat de verdachte haar vanaf haar negende levensjaar heeft misbruikt. De waarneming van deze emotie maakt dat niet kan worden gezegd dat dit slechts een verklaring ‘van horen zeggen’ betreft.
4.12
Over de door de moeder en broer van de aangeefster bij haar waargenomen gedragsveranderingen en de bij de aangeefster later vastgestelde PTSS-klachten heb ik meer twijfels, vooral omdat hiervoor, zo blijkt uit de verklaringen van de behandelaars, ook andere oorzaken aan te wijzen zijn, zoals het fysiek geweld dat kennelijk eveneens in deze periode tussen de verdachte en de moeder van de aangeefster heeft plaatsgevonden. [13] Bovendien kunnen gedragsveranderingen op zichzelf genomen geen steunbewijs opleveren. [14]
4.13
Van de andere kant kan worden verdedigd dat zij in samenhang met het andere ondersteunende bewijsmateriaal wél konden bijdragen aan het oordeel van het hof dat de door de aangeefster geschetste feiten en omstandigheden voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. [15] Te meer, omdat bij de aangeefster later PTSS-klachten zijn vastgesteld waar het door de aangeefster gerapporteerde misbruik “hoogstwaarschijnlijk” ook een bijdrage aan heeft geleverd. In ieder geval kan van de waargenomen gedragsveranderingen worden gezegd dat deze een “objectief vast te stellen toestand” behelzen. [16]
4.14
Voor zover de steller van het middel opmerkt dat het verband tussen de PTSS-klachten en het door de aangeefster gerapporteerde misbruik “puur speculatief” is, omdat “gedragsveranderingen bij een meisje in de pubertijd” niet abnormaal zijn, merk ik op dat de vaststelling van dit verband door het hof een waardering van feitelijke aard betreft en derhalve in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. In het licht van het overige door het hof gebezigde bewijs en het feit dat dit verband is vastgesteld door een GGZ-psycholoog acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk. Ook hier geldt dat stellers argument dat de omstandigheid dat de PTSS-klachten zijn vastgesteld op een moment dat buiten de bewezen verklaarde pleegperiode van het onder 1 bewezen verklaarde feit ligt, niet meebrengt dat deze vaststelling geen steun kan bieden aan aangeefsters verklaring inzake dit strafbare feit. [17]
4.15
Al met al meen ik dat het oordeel van het hof, dat de verklaring van de aangeefster op meerdere punten steun vindt in ander bewijsmateriaal en dat derhalve ten aanzien van beide bewezen verklaarde feiten is voldaan aan het bewijsminimumvereiste als bedoeld in art. 342 lid 2 Sv Pro, niet ontoereikend is gemotiveerd. Onbegrijpelijk is dit oordeel ook niet.

5.Slotsom

5.1
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 23 november 2021. Dat betekent dat de Hoge Raad hoogstwaarschijnlijk uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro worden geschonden. [18] Dit dient – afhankelijk van de mate van overschrijding – te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie N. van Gelder, Een steeds helder wordende bewijsminimumregel? TPWS 2018/63, p. 163-168; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095, rov. 2.3, met verwijzing naar HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers.
2.HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6458, NJ 2012/250, m.nt. Schalken, rov. 3.3.
3.HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298, m.nt. Rozemond, rov. 2.4.
4.Zie de noot van Rozemond (onder 9) bij HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298. Zie in dit kader
5.HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:201stel3:150, NJ 2013/515, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4 en HR 19 mei 2015, ECLI:2015:1247, NJ 2015/489, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.3.
6.Zie nog recent voor een vrijwel vergelijkbare casus als de onderhavige, HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, rov. 2.4.
7.HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252, m.nt. Reijntjes (emoties vlak na ontucht); HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, m.nt. Reijntjes (emoties tijdens gedwongen prostitutie); HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328, m.nt. Rozemond (kort na de mishandeling waargenomen emoties in combinatie met de waarneming van een verkrampte houding; noot is te vinden onder NJ 2014/329); HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549, NJ 2015/485, m.nt. Borgers (tijdens een telefonische bedreiging waargenomen hevige emoties bij de aangeefster; noot is te vinden onder NJ 2015/488). Zie ook de conclusie van AG Harteveld (onder 3.10) voor HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:292 (HR: art. 81 RO Pro) die schrijft dat “in elk geval eisen worden gesteld aan het tijdsverloop tussen het beweerdelijk gepleegde feit en het moment waarop de ‘overbrenger’ zijn eigen observaties heeft gedaan (hetgeen doorgaans tegelijk plaatsvindt met het aanhoren van de eerdere versie van de unus-verklaring), terwijl die eigen observaties van de overbrenger daarnaast betrekking moeten hebben op een fysieke, liefst objectief vast te stellen toestand en niet op slechts een gedragsverandering”.
8.HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers, rov. 2.5.
9.Zie hierover uitgebreider de conclusie van AG Aben voor HR 26 januari 2010,ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512.
10.Vgl. de conclusie van AG Bleichrodt (randnummer 10) voor HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328, m.nt. Rozemond. Zie ook mijn conclusie (randnummer 3.4) voor HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1768 (HR: art. 81 RO Pro) en de conclusie van AG Keulen (onder 11) voor het arrest van 27 juni 2023, nr. 21/04296 (niet gepubliceerd, HR: art. 81 RO Pro), in welke conclusie Keulen – met verwijzing naar HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326, NJ 2015/487, m.nt. Borgers, de noot onder NJ 2015/488 en Corstens/Borgers en Kooijmans, a.w., p. 857 – de kanttekening plaatst dat “aan dit uitgangspunt een deel van zijn scherpte [is] ontnomen doordat de bewijsvoering inzake het ene feit wel (als schakelbewijs) bij de bewijsvoering van het andere feit mag worden betrokken”.
11.Vgl. de conclusie van AG Paridaens (onder 19) voor HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1098 (HR: art. 81 RO Pro) waarin onder meer een seksueel getint sms-bericht dat door de verdachte aan de aangeefster was verstuurd buiten de bewezen verklaarde pleegperiode als steunbewijs was aangemerkt.
12.Vgl. het recente arrest HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152 waarin de moeder van de aangeefster had verklaard dat de verdachte handtastelijk is naar jonge meisjes en aan “kleptomanie” lijdt, waaronder zij verstaat dat hij haar dochter “lastig gaat vallen” en “aan dingen gaat zitten waar hij niet aan mag zitten”. De Hoge Raad oordeelde dat “die verklaring – die voor wat betreft de handtastelijkheid van de verdachte naar jonge meisjes mede een feitelijke basis heeft in haar waarneming van dergelijk gedrag – niet in een te ver verwijderd verband met de verklaring van” de aangeefster staat “en […] dus van schending van artikel 342 lid 2 Sv Pro geen sprake [is]”.
13.Zie bewijsmiddel 5.
14.In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers, waarin de Hoge Raad casseerde, bestond het steunbewijs voornamelijk uit gedragsveranderingen, zie de daaraan voorafgaande conclusie van AG Vellinga onder punt 12: “Naast de verklaringen van [slachtoffer], tegenover de politie of tegenover haar moeder afgelegd, bevat het bewijsmateriaal uitlatingen van haar moeder en haar leerkracht over haar houding ten tijde van en na haar mededeling van het misbruik aan haar moeder respectievelijk na het afleggen van haar verklaring bij de politie.”
15.Vgl. de conclusie van AG Paridaens (onder 14) voor HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:445 (HR: art. 81 RO Pro).
16.Zie de conclusie van AG Harteveld (onder 3.10) voor HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:292 (HR: art. 81 RO Pro). Zie inzake PTSS-klachten ook de conclusie van AG Harteveld (onder 6.6) voor HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:469 (HR: art. 81 RO Pro).
17.Zie wederom HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:469 (HR: art. 81 RO Pro) waarin het hof heeft overwogen dat de brief van de ggz-psycholoog waarin wordt aangegeven dat een van de aangeefsters lijdt aan PTSS (bewijsmiddel 10) steun biedt aan haar verklaring. De brief dateert van 7 november 2013; een jaar na het einde van de bewezen verklaarde periode op 8 november 2012. Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen (bewijsmiddel 9 ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit) blijkt dat de aangeefster pas sinds augustus 2013 en dus twee maanden voorafgaand aan het opstellen van de voornoemde brief in behandeling is genomen bij de psychiatrische instelling, zodat vaststaat dat de bij haar geconstateerde PTSS is vastgesteld op een tijdstip waarop het misbruik reeds was gestopt. Ten aanzien van de derde aangeefster is ook een brief van de psychiater als steunbewijs aangemerkt (bewijsmiddel 18) die ruim vijftien jaar na de bewezen verklaarde periode is opgesteld.
18.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464, rov. 4.