Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige jongen tussen januari 2013 en november 2014. Het hof sprak verdachte vrij omdat het bewijs onvoldoende was om de verklaring van het slachtoffer te ondersteunen, zoals vereist volgens art. 342 lid 2 Sv Pro.
Het hof achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en geloofwaardig, mede op basis van een deskundigenrapport. Echter, het overige bewijs, waaronder verklaringen over de context waarin de handelingen zouden hebben plaatsgevonden, bood onvoldoende concrete steun voor de tenlastegelegde ontuchtige gedragingen. De emoties van het slachtoffer en verklaringen van derden boden wel geloofwaardigheid maar geen voldoende steunbewijs.
De Hoge Raad herhaalt dat het bewijs niet uitsluitend op één getuigenverklaring mag berusten en bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. Het oordeel van het hof dat het steunbewijs onvoldoende was, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet worden herzien. Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen en de vrijspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.