ECLI:NL:HR:2013:1158

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2013
Publicatiedatum
12 november 2013
Zaaknummer
12/02173
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijssteun voor verklaring van één getuige bij seksueel misbruik minderjarige

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor seksueel misbruik van een minderjarige over een periode van ruim een jaar. Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op de verklaring van één getuige, het slachtoffer.

Het middel in cassatie betoogde dat het hof ten onrechte uitsluitend op de verklaring van één getuige heeft vertrouwd, hetgeen volgens art. 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet is toegestaan zonder voldoende steunbewijs. De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat bewijs niet uitsluitend op één getuige mag steunen zonder steunbewijs in andere verklaringen of bewijsmiddelen.

Het hof had echter uitvoerig gemotiveerd dat de verklaring van het slachtoffer voldoende steun vond in verklaringen van meerdere betrokkenen, waaronder de ouders van het slachtoffer, andere getuigen en de verdachte zelf. De Hoge Raad oordeelt dat deze motivering toereikend is en dat geen sprake is van schending van art. 342, tweede lid, Sv.

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De uitspraak benadrukt het belang van een goede motivering bij het toetsen van getuigenverklaringen en bevestigt de toetsingsmaatstaf voor bewijssteun bij verklaringen van één getuige.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

12 november 2013
Strafkamer
nr. 12/02173
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 december 2011, nummer 20/002946-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.A. de Leeuw, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
3.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"dat hij op tijdstippen in de periode van 13 november 2007 tot en met 1 januari 2009 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, met [slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte
- meermalen zijn, verdachtes, tong in de mond en de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht en
- meermalen aan de vagina van [slachtoffer] gelikt/gezogen en over de vagina van [slachtoffer] gewreven en
- meermalen [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis doen vasthouden en aan zijn, verdachtes, penis laten trekken en
- meermalen met zijn, verdachtes, penis tegen de billen van [slachtoffer] gelegen."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8.
3.3.
Volgens het tweede lid van art. 342 Sv Pro - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).
3.4.
Het Hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen van [slachtoffer] te vinden is in de verklaringen van haar moeder ([betrokkene 1]), haar vader ([betrokkene 2]), [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en in de verklaring van de verdachte zelf.
In het onderhavige geval kan, mede gelet op die nadere motivering, niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.
3.5.
Het middel faalt.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2013.