Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
6.Beslissing
23 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen met zijn minderjarige dochter over een periode van jaren. De bewezenverklaring berustte op de verklaringen van het slachtoffer, die gedetailleerd en consistent waren, en op de verklaring van haar moeder als steunbewijs, met name over het gebruik van drie zakdoeken als ritueel.
De Hoge Raad herhaalt het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro en oordeelt dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaring van het slachtoffer voldoende steun vindt in die van haar moeder. De moeder herkende de specifieke handelswijze van verdachte, waardoor het bewijs niet uitsluitend op één getuige berust. De klachten over het bewijs falen.
Wel wordt het cassatieberoep gegrond verklaard voor wat betreft de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf van 18 naar 17 maanden. Daarnaast vernietigt de Hoge Raad ambtshalve het deel van het hofarrest dat vervangende hechtenis oplegt bij niet-betaling van schadevergoeding en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak bevestigt de zorgvuldige bewijsvoering en benadrukt het belang van gemotiveerde steunbewijzen bij verklaringen van één getuige in zedenzaken.
Uitkomst: Bewezenverklaring ontucht bevestigd, gevangenisstraf verminderd naar 17 maanden, vervangende hechtenis vernietigd.